PSALM 132 (1)

1974-03-15
  • Jaargang 18
  • nummer 11
Misschien wel de ark ...
"Het blootleggen van de Tempelberg laat zien wat voor een genie Herodes geweest is", mompelt hij zacht. "De manier waarop die man straten liet aanleggen, paleizen bouwen, heuvels slechten, kortom deze stad plande, is zonder weerga". Aldus Benjamin Mazar, de bejaarde hoogleraar aan de Hebreeuwse Universiteit te Jeruzalem, de man die al sinds 1968 één van de meest ambitieuze archeologische projecten in Israël, zo niet in de wereld leidt.
Een hoogtepunt was de ontdekking vorig jaar van twee verborgen ingangen in de Zuidelijke Muur op de Tempelberg. Beide ingangen verschaffen toegang tot geheime gangen, die tot ver onder het terras lopen, dat de tempel omgaf. Eén der gangen is 25 meter uitgegraven en daar blijft het voorlopig bij. Reden: een verdere uitgraving zou een veiligheidsrisico kunnen opleveren voor de heilige moskeeën El Aqsa en de Moskee van Omar, die eeuwen na de verwoesting van de tempel op het terras gebouwd zijn. Uiteraard geen gering offer voor de archeologen. Want wie weet wat zich aan het einde van die gangen bevindt? Misschien wel de Ark, mompelt de een ... misschien wel de Stenen Tafelen, fluistert de ander ...
Tot goed begrip: in het bovenstaande citeerden we vrijwel letterlijk, zij het verkort, een artikel van Rex Brico in Elseviers Magazine d.d. 26 jan. 1974.
De gedachte aan de ark leeft nog onder Israël, hoewel Jeremia (zij 't met een ander accent) profeteerde: men zal niet meer spreken over de ark van het verbond des HEREN; zij zal niemand in de zin komen, men zal aan haar niet meer denken en haar niet meer zoeken (Jer. 3: 16). Met een ànder accent, want in Op. 11: 19 lezen we: en de tempel Gods, die in de hemel is, ging open en de ark van zijn verbond werd zichtbaar in zijn tempel ...

Wie is de Messias?
Israël is wel eens vaker op zoek geweest naar de ark. Dat blijkt uit Ps. 132. Een merkwaardige psalm in dit bundeltje liederen.
Van alles kwam al aan de orde.
Stad en land, zaaien en oogsten, vrouw en kinderen, verleden en toekomst. Je zou zeggen: er valt geen zegen meer te vergeven. En dan komt Ps. 132. Opvallend in lengte. Opvallend in vormgeving: zeker twee stemmen of koren. In "ouderwetse" taal. Over een "ouderwets" onderwerp. Met een hoogst actuele kern: wend het aangezicht van uw gezalfde niet af, terwille van David uw knecht (vs. 10). Dat kan dus David zelf niet zijn. Maar gezalfde (messias) is een term die ook met voorliefde voor Davids "zonen" (nakomelingen) wordt gebruikt. We weten, dat uit Babel ook een van Davids zonen mee terugkwam: Zerubbabel (zaad van Babel). Als nazaat van David heeft hij recht op de titel "gezalfde". Dan bevat vs. 10 een gebed van Israël voor Ze-rubbabel, de Davidide, bij monde we1licht van zijn priesters.
Het volk heeft zich allicht ook bezig moeten houden, na de terugkeer, met het probleem van de (lege) zetels van het huis van David, de (onbezette) zetels ten gerichte (Ps. 122 : 5). Wie zal daarop plaats nemen? Of liever: zal ooit nog iemand daarop plaats nemen?
Vandaar dit gebed voor de gezalfde, versterkt door een beroep op Davids eed aan Jahweh (vs. 1 v.v.) en Jahweh's eed aan David (vs. 11 v.v.).

Eén troon te weinig
HERE, gedenk dan aan de moeite, die David zich gegeven heeft ...
Dat slaat, blijkens het vervolg, op het overbrengen van de ark naar Jeruzalem vanuit Kirjath-Jearim, dus op de gebeurtenissen vermeld in 2 Sam. 6 en 7 en 1 Kron. 13-16.
Vooral uit -Kronieken blijkt hoeveel daaraan vastzat: de liturgische ordening van Levi.
Op deze plaatsen wordt met geen woord gesproken over een gelofte of eed van David: de psalm brengt hier een nieuw gegeven bij. Moeilijker ligt het met de inhoud van de eed. David zweert, dat hij geen ooz zal dichtdoen, voor en aleer hij voor de HERE een plaats heeft gevonden. De ark heeft immers onderweg, na de plotselinge dood van Uzza, nog drie maanden in het huis van de Gattiet Obed-Edom gestaan. Dan is David wel wat slaap te kort gekomen ...
't Lijkt ons onaanvaardbaar, de inhoud van een eed (al is ’t ook maar voor een deel) als dichterlijke vrijheid aan te merken. Daarom blijven er twee mogelijkheden: David legde deze eed af óf bij de tweede poging (vanuit het huis van Obed-Edom, óf bij de eerste opzet. waarbij het hem onmogelijk werd, die eed letterlijk na te komen (Perez-Uzza). We kiezen o.g.v. Ps. 132 : 5 en 6 voor het laatste. En stellen 't ons zó voor: David heeft Jeruzalem op de Jebusieten veroverd. Na Hebron wordt dit nu zijn residentie.
Hij bouwt er huizen (c.q. een paleis) van cederhout, maar bedenkt dat de ark een vrijwel vergeten bestaan leidt (zoals vaker los van de tabernakel, vgl. 1 Sam. 21 en ook later, 1 Kron. 16 : 39 en 21 : 29), misschien omdat men er bang voor is. Die staat n.l. vanaf de terugkeer uit Filistea (via Beth-Semes) sinds mensenheugenis ergens in Kirjath-Jearim (vgl. 2 Sam. 7: 1). David erkent: wij hebben in de dagen van Saul ons niet om haar bekommerd (1 Kron. 13 : 3). Die situatie kan al wel zo'n 80 jaar hebben bestaan.

De vondst in Woudstad
David besluit hierin op staande voet verandering te brengen. Hij bindt zichzelf met een eed (te vergelijken met het gedrag van Uria, 2 Sam. 11 : 9 v.v.).
Hij wil er zijn nachtrust voor opofferen.
Dat kan hij redelijkerwijs beloven, omdat hij weet dat de ark ergens in de buurt van Kirjath-Jearim (woudstad, dus een bosrijke streek) moet staan. Hemelsbreed is dat zo'n 13 à 14 km van Jeruzalem.
't Laatste bekende gegeven is: in het huis van Abinadab. Maar die man moet al lang overleden zijn.
Dus laat hij eerst navraag doen.
Zijn boodschappers melden hem: zie, wij hebben van haar gehoord in Efratha, wij hebben haar gevonden in de velden van Jaär!
Zo'n 3 à 4 uur gaans van Jeruzalem wordt de vondst gedaan, in de bergwouden, dus wél verborgen.
Merkwaardig dat God zelf zo weinig haast heeft gemaakt, de ark op de plaats van bestemming te krijgen - sinds de intocht. Hij heeft Israël beslist niet overhaast.
't Zal trouwens tot Salomo's tijd moeten wachten voor de tempel wordt gebouwd - en dan moet eerst nog de dorsvloer van Arauna door David opgekocht worden (2 Sam. 24).
Dat laatste onderstreept nog eens het vreemde van Israëls gedrag.
Tientallen jaren bleef de ark op non-actief. De ank - en dus ook het verzoendeksel . .. grote verzoendag!
(vgl. B. Holwerda, De terugkeer van de ark, in "Tot de dag aanlicht", pag. 152 e.v.).
Het oude signaal Toch beseften Davids boodschappers best de waarde van hun vondst: laten wij zijn woning (!) binnengaan, laten wij ons neerbuigen voor zijn voetbank! Die voetbank doet denken aan een troon, niet ten onrechte blijkens Jer. 3: 16, 17. Maar daarmee wordt het navrante van de situatie wel duidelijk. David op een troon in een cederhouten paleisJahweh's troon ergens vergeten in een huis in Jaärs velden ...
Daar moet verandering in komen: sta op, HERE, naar uw rustplaats, Gij en de ark uwer sterkte, Israël heeft de rust al lang gevonden in het beloofde land - de ark nog niet.
De formulering herinnert aan het oude "signaalwoord" van Num. 10 : 35, 36 (vgl. Ps. 68: 1 v.v.) en dat is veelzeggend. Toen ging God voorop. .. Maar de herinnering maakt de vreugde wel gaande. De Priesters zien een goede toekomst dagen - ze komen weer in functie: mogen uw priesters zich bekleden met gerechtigheid, en uw gunstgenoten juichen!
Het hele verhaal van 2 Sam 6 en 7 (c.q. 1 Kron. 13-16) wordt nu gecomprimeerd in enkele verzen, met weglating van veel. Daarom is het wél verhaalde dubbel belangrijk: 't was David, die uiteindelijk -om de ark des HEREN dacht en er iets aan deed. En de priesters varen er wel bij: nu kan ook hun liturgische dienst geregeld worden. Ten bate van heel Israël.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief