De brief van Jakobus
1974-03-15
Gevaar van de rijkdom- Jaargang 18
- nummer 11
(5 : 1-6)
Heeft God misschien iets tegen de rijken? Maar Abraham was een rijk man en tevens een vriend van God. Job was rijk en een kind van God. Jezus liet zich dienen door rijke vrouwen en Hij was bij de rijken in zijn dood. Hoewel Hij ook gezegd heeft, dat het moeilijk is voor een rijke in te gaan in Gods koninkrijk. De rijke jongeling kon niet, hij had te veel goederen.
Toch had Jezus hem lief.
Wat is de fout van de rijken uit Jak. 5?
Drievoudig: ekonomisch - ze potten op; sociaal - ze doen hun arbeiders tekort; religieus - ze doen dat alles, terwijl het de laatste dagen zijn!
Ze gedragen zich alsof ze geen verantwoording moeten afleggen tegenover de Rechter, die voor de deur staat "De laatste dagen" zijn de dagen tussen Christus' hemelvaart en wederkomst.
Geen mens weet hoe lang of hoe kort die tijd is. Maar de wetenschap, dat we leven in de laatste dagen relativeert alles.
Waar we rijk mee zijn kan ons elk ogenblik ontvallen. Maak er geen Mammon van! De tijd is kort, de gedaante dezer wereld gaat' voorbij, laten zij die kopen ermee omgaan alsof ze er niets van zouden behouden. (1 Kor. 7 : 29-31) Jakobus' profetisch vermaan doet ons denken aan Amos en snijdt dieper in het vlees dan welke maatschappijkritiek ook. Heel wat maatschappijkritici zijn bij Jakobus vergeleken maar zachte heelmeesters.
Nog een enkele opmerking over de tekst: Bij "slachttijd" van vers 6 zij verwezen naar Jer. 12: 3.
Of de "rijken" die hier worden aangesproken bij de gemeente horen is een vraag, waarop verschillend geantwoord wordt (Smelik: ja; Grosheide: neen; Keulers, Jager: waarschijnlijk niet). Het waren natuurlijk wel Joden, en misschien was de grens tussen Joden binnen en Joden buiten de gemeente nog niet zo scherp te trekken in die tijd.
Geduld, broeders
(5:7-11)
Deze opwekking van Jakobus aan het adres der verdrukten lijkt in tegenspraak tot zijn vlammende profetie tegen de rijke verdrukkers, - maar ze is er toch de keerzijde van. Jak. 5 : 1-11 is in feite een eenheid. De beide onderdelen worden verbonden door het woordje "dus" in vers 7. We hebben niet de keus het protest tegen het ten hemelschreiend onrecht van de rijken, OF de opwekking tot geduld voor de arme verdrukten.
Ze komen beiden uit één en dezelfde profetische mond, en voor beiden behoort plaats te zijn in de christelijke gemeenschap.
Zónder het profetische protest tegen onrecht wordt elke opwekking tot geduld ongeloofwaardig en "opium voor het volk".
Van dr O. Jager nemen we de volgende gedachten over, n.a.v. vers 8: Geduld is een zaak van geloof en vertrouwen, geen teken van zwakte - maar juist van innerlijke geloofskracht.
Ongeduld is juist teken van zwakheid en van gebrek aan vertrouwen. Volharden tot het einde. "Er onder blijven staan" betekent eigenlijk het grondwoord.
Dus niet weglopen of je er ongeïnteresseerd van afwenden. Jakobus schrijft ons geen bedrust voor, maar geeft ons een hartversterking (sterkt uw harten).
We leggen ons niet bij de dingen neer, maar strekken ons uit naar de komst van de Heer.
In dát kader, van het komende Rijk, staat de opwekking tot geduld.
Geen berusting, maar toerusting voor de komst van de Heer. Tot zover O. J.
"Ge hebt van de volharding van Job gehoord" (vers 11), - maar was Job wel een voorbeeld van geduldig dragen? Vervloekte hij zijn geboortedag niet? Hield hij tegenover zijn vrienden niet vast aan zijn recht? Twistte hij niet met God?
Maar ondanks alle verzoekingen/ beproevingen heeft hij zijn God niet loslaten. Hij volhardde liever in het raadsel van zijn lijden, dan de weg op te gaan van de goedkope verklaringen. Hij worstelde liever met God en mensen, dan het hoofd te buigen onder onoprechte kapitulatie (Smelik). In zware aanvechting blijft zijn oog geslagen op zijn Rechter en Verlosser in de hemel. En al werd hij tot de bedelstraf verarmd, - hij wist en ondervond: rijk is de HERE aan barmhartigheid en goedheid!
Appèl op God (5: 12, 13) recht van bestaan. Daar Zij ons Ja Ja en ons neen neen.
Er is een betere weg van appèl op God, n.1. het gebed. Niet tegen elkaar zuchten, maar tot Hérn zuchten. Dat helpt, verlicht het hart en verruimt het denken. Zie Filip, 4 : 5-7.
Deze verzen zullen aansluiten op vers 9 uit het voorafgaande. Onder verdrukking wordt vaak de uitlaatklep gebruikt van het klagen tegen elkaar. Maar 66k van het ijdel zweren. Jakobus wijst beide af. Zijn afwijzing van het ijdele zweren is bijna woordelijk gelijk aan die van Jezus in de Bergrede (Matth. 5: 33-37). De eed voor de rechtbank is hier niet in geding. Want het gaat hier over de onderlinge omgang in de gemeente.
En dáár heeft de eed geen Maar dan ook dank en lof Gode toezingen, als we welgemoed zijn.
Dat hoeft niet te wachten tot er een keer in ons lot gekomen is.
Paulus en Silas waren in de gevangenis al "welgemoed" en zongen de lof des HEREN! Hand. 16: 25.