De brief van Jakobus

1974-03-22
  • Jaargang 18
  • nummer 12
Bid voor elkaar
(5: 14-18)

Een bijzonder fijne gestalte van het gebed is de voorbede.
Het is een uiting van de "driehoeksverhouding"
in het verbond: God liefhebben boven alles (top van de driehoek) en je naaste als jezelf. Dan sta je samen met je naaste in het gebed voor Gods troon.
jakobus gewaagt van de voorbede voor zleken. De oudsten der gemeente mogen geroepen worden, opdat ze over de zieke een gebed uitspreken. De ,,oudste", in de joodse synagoge een vaststaande term: de ouderlingen. De zieke mag ze bij zich roepen. Waarom zou hij met zijn nood en zorg alleen om tobben? Hij hoort toch bij de gemeente, die met en voor hem bidt en dat speciaal wil doen en laten doen door de ambtsdragers.
Het initiatief om hen te roepen mag van de zieke of zijn familie uitgaan.
Wie roepen we bij ons ziekbed?
Mensen met bizondere gebedsgave?
Misschien wel met de gave van gebedsgenezing? Jakobus zegt gewoon: de oudsten, die van de Heer het ambt in de gemeente ontvangen hebben. Ambt betekent: roeping van Godswege. Deze ge roepenen van Godswege mag men erbij roepen.
Wat gaan deze oudsten doen bij het ziekbed? Een gebed uitspreken ten behoeve van de zieke en hem met olie zalven in de naam des Heren. Het gebed gaat dus met een handeling gepaard. In "handeling" zit het woord "hand". De oudste doet dus tweeërlei: het hárt uitstorten tot God en de hánd uitsteken naar de zieke.
Een hand-druk kan zoveel goed doen. Soms even de hand op het hoofd leggen. Troostend en zegenend, in de naam des Heren. Zoals Jezus de kinderen de handen oplegde en zegende. Zijn we vaak niet te bang voor dit lichamelijk kontakt? Blijven we met onze "zegengebaren" niet meestal te "zwevend": een paar in de lucht uitgestoken handen van de man op de preekstoel? Vanwaar toch die afkeer van zegening-met-handoplegging van bruidsparen? Waarom wel bij bevestiging van predikanten (voor de eerste maal) en niet bij bevestiging van andere ambtsdragers en jonge lidmaten die belijdenis doen? Een mooie diskussievraag !
De handeling met zálf wijst op middel en teken van verzachting van pijn en genezing van wonden, Zie Jes. 1 : 6 en Luk. 10: 34. Ook in Mark. 6 : 13 lezen we van zalving van zieken door de discipelen.
Het schijnt een oud gebruik te zijn geweest bij de rabbijnen.
We mogen ook wel denken aan de zalving tot een bizondere roeping, zoals profeet, priester of koning onder Israël. Dan ligt er de belofte in van bekwaam making.
Dit toepassende op de ziekte: de in zichzelf zwakke mens wordt opgericht en bekwaam gemaakt voor zijn levensroeping door de Geest des Heren. Zie voor zalving met de H. Geest: Hand.
10 : 38 en 2 Kor. 1 : 21. Zo is de zalving met olie als het ware een zichtbaar gebed: moge de Geest des Heren hem of haar wederoprichten en weer tot zijn/haar dienst bekwamen. Bizonder bemoedigend voor de zieke! Het is als voelt hij de hand des Heren en de kracht des Geestes lijfelijk op zich!
Van magie kan en mag hier uiteraard geen sprake zijn. De Heer zal de zieken oprichten op het gelovig gebed van de oudsten, en niet door de magische kracht van een tovermiddel als die zalf.
In 1539 schreef kardinaal Cajetanus nog in zijn kommentaar op jakobus. "Noch uit de woorden, noch uit hun uitwerking blijken deze woorden te slaan op het sacrament van het laatste oliesel". (bij Smelik) Maar enige jaren later verklaart het concilie van Trente, dat mee op grond van deze tekst van jakobus het sacrament van het laatste oliesel gehandhaafd dient te worden. Merkwaardig is dat dit het sacrament voor de stérvenden geworden is, terwijl jakobus juist Zo duidelijk van wederoprichting van zieken spreekt.
Bij de bespreking van deze verzen komt ongetwijfeld de "gebedsgenezing" in diskussie. Wellicht kunnen enkele verhelderende opmerkingen van prof. Smelik hierbij van dienst zijn:
1. God geeft deze gaven niet "uit handen", zodat ze ter beschikking staan als een gereedstaand geneesmiddel; 2. genezingsbewegingen vinden hun impuls vaak niet in een behoefte aan gemeenschap met God, maar in een behoefte aan lichamelijke genezing;
3. het gebed kan verworden tot een middel, waarmee iemand zijn suggestie oefent op uiterst emotionele mensen, zoals vele zieken begrijpelijkerwijs zijn;
4. bij Jakobus is geen sprake van een op zichzelf staande suggestieve, publieke ziekengenezing, maar men krijgt de indruk van een stil en ordelijk, "gewoon" gebeuren;
5. de roep gaat van de zieke uit, die deel uitmaakt van een gemeenschap en richt zich tot geordende voorgangers der gemeente, terwijl de "redding" niet aan hun persoon of ambt, maar aan het gelovig gebed wordt toegeschreven; 6. de woorden "redden" en "oprichten" hebben een twee-voudige betekenis. Zij kunnen, maar behoeven niet uitsluitend en allereerst op de lichamelijke genezing te slaan.
In vers 15b en 16a wordt verband gelegd tussen ziekte en zonde. Zie echter Toh. 9 : 2 e.v. Ook Jakobus legt niet het verband tussen een konkrete ziekte en een konkrete zonde, Evenals in Mark. 2 : 10, 11 worden echter wel genezing en vergeving gezien als één openbaring van Gods reddende kracht.
En wie zal overigens willen ontkennen, dat onbeleden zonden een genezing kunnen belemmeren, in ieder geval het gebéd om genezing verlammen? Zie Psalm 32 : 3.
Het "belijdt elkander uw zonden" is zo algemeen gesteld, dat bier zeker niet de biecht voor het oor der "geestelijken" uit afgeleid kan worden. Zéker niet als verplichting en als enige weg naar de vergeving.
Prof. Jager zegt ervan: "Bedoeld zal zijn, als we tegen iemand verkeerd gedaan hebben, dat we hem dat zullen belijden.
Mogelijk ook wel eens spreken met een andere, vertrouwde broeder, over een zonde, die ons benauwt.
Niet om met onze schuldbekentenis te koop te lopen, maar om anderen gelegenheid te geven tot vergeving en tot het bidden voor elkaar."
Als voorbeeld, wat het gebed van een rechtvaardige vermag (16) wordt naar Elia's bidden verwezen (17-19).
Een rechtvaardige, - dat is geen supervrome, maar het kind van God, dat naar Hem luistert, Zijn Woord ernstig neemt en God aan zijn Woord houdt. Elia was net zo'n mens als wij, maar hij bad, dat het niet zou regenen en het was 3 1/2 jaar lang droog, en hij bad weer en de hemel gaf regen.
Dat doet ons gebed zélf niet, maar dat gebeurt doordat er kracht aan verleend wordt (16) van boven. God doet het, maar Hij wacht wel op ons gebed. De dingen gebeuren niet door en om ons bidden, maar ook niet zónder, Zie vers 15: het gelovig gebed maakt de zieke beter en de Heer zal hem oprichten. Deze verbinding tussen ons bidden en wat God doet zien we door heel de Bijbel heen.
Elia's gebed om régen is ons beter bekend dan zijn gebed om dróógte, Hoe kon hij daarom bidden?
Dan moet u maar eens nalezen Deut. 28, dat geweldige hoofdstuk over verbondszégen en verbondsvlóek. En Elia wist wat zijn volk nodig had, zowel vóór die 31/2 jaar, midden in de welvaart-onder-verbondsverlating, als na die 31/2 jaar, als ze hebben geroepen als één man op de KarmeI: de HERE is God!
Elia bad: Ie in overeenstemming met de situatie 2e met de hand op Gods Woord.
En de HERE sluit en opent de hemel op het gelovig gebed van zijn -knecht.

Zorg voor elkaar

(5: 19-20)

We moeten niet alleen voor elkaar bidden, maar ook voor elkaar zórgen.
Nog eenmaal spreekt jakobus zijn lezers aan als "mijn broeders", Hij heeft harde noten moeten kraken in zijn brief. Velen van zijn lezers zouden wel eens boos op hem kunnen zijn. Hij heeft er bepaald geen doekje om gewonden. Maar bij dat alles toch: mijn broeders. Dat moet de broederschap kunnen hebben.
Dat de Kaïnsgeest niet heerse in de gemeente! We zijn allen de hoeders onzer broeders.
Dat brengt ook mee, dat we achter de dwalende broeders aan gaan. Hen proberen weer terecht te brengen. Op de goede weg, op de enige weg: Jezus Christus.
Door Zijn zoenbloed worden ontelbare zonden bedekt.
En door Zijn opstanding redt Hij velen van de dood.
Brengen we dwalenden weer op deze Weg, dan is het resultaat zoals het beschreven staat in vers 20.
Een resultaat dat de moeite wèl waard is!
Zo eindigt deze brief van jakobus volop met het Evangelie!
Er zijn uitleggers die dat resultaat in de schoot laten vallen van degene die de dwalende weer op de goede weg gebracht heeft.
Hoewel de letterlijke tekst deze verklaring niet uitsluit, komt ze me vreemd voor in het geheel van de Schrift. De stimulans om achter dwalenden aan te gaan en die terecht te brengen kan toch niet zijn: eigen voordeel. Maar het moet wèl iets geweldigs zijn om te weten, dat je in je leven minstens een mens van de dood gered hebt, vanwege het Evangelie van het bloed van Jezus, dat nu zijn zonden bedekt.
Takobus sluit enigszins abrupt zijn brief af, maar hij heeft de beproefde gelovigen in de verstrooiing wel zeer bemoedigd, broederlijk vermaand, uit de enge cirkel van het alleen met zichzelf bezig zijn bevrijd en gezet in de ruimte, met het perspektief van het komende Koninkrijk der hemelen.
Het is ons gebleken dat jakobus midden in het leven staat, maar ons niet toelaat hem in te delen bij "horizontalisten" of "vertikalisten".
De schijnwerper van zijn prediking werpt licht, van boven ontstoken, over de ganse oppervlakte van het "gewone leven".
Tot de jongste dag toe zal zijn boodschap blijven klinken: 'Weest daders des WOORDS!

Literatuur
Dr F. W. Grosheide, De brief van Jakobus, Korte Verklaring, Uitg. Kok, Kampen.
Dr Jos Keuiers, dl VII van zijn Kommentaar op het N.T., Uitg. Romen, Roermond.
Dr E. L. Smelik, "De stiefapostel", in de reeks: Prediking van het N.T., Uitg, Callenbach, Nijkerk.
Dr H. J. Jager, kollegediktaat over de brief van Jakobus, Uitg. v. d. Berg, Kampen.
Dr J. de Graaf, "Geloven met je handen", inl. en toelichting op de brief van Jakobus (Eltheto-brochure, no. 25, nov. 1967).
Ds S. W6uters, "Louter vreugde", Uitg, Wever, Franeker.
Ds J. C. Sikkel, "Daders des Woords", Uitg, Botrenburg. Amsterdam.
Ds W. Tom, "Paraphrase van de brief van Jakobus", Uitg. Wever, Franeker.
Zie voor inleiding op de brief de voortreffelijke pocket van dr A. F.1. Klijn, .,Inleiding tot het N.T.", Aulareeks, no. 66.
En voor overzicht van de brief: dr C. v.d. Waal, "Sola Scriptura III", Uitg. Oosterbaan & Le Cointre, Goes

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief