Gerretson (Geerten Gossaert)

1974-03-22
  • Jaargang 18
  • nummer 12
Voor wie "Experimenten" van Geerten Gossaert (F. C. Gerretson) heeft leren kennen, ik zou haast zeggen: ondergaan, is deze dichter onvergetelijk: Zijn – enige - dichtbundel rijst als een toren op uit de litteratuur van na 1910. Er staan verzen in die zich zo in het hart boren, dat je ze nooit vergeet, die een stuk van je leven werden.
Laat ik er een paar van citeren.
Allereerst dat ongelofelijk geladene "Eis daimona" waarin Gossaert uiting geeft aan het gewetensconflict tussen de wijze waarop hij zijn dichterschap alleen maar verwerkelijken kan en zijn alles opeisende liefde tot God.
Vanuit dat snijdende conflict en de hoon die hem dat bracht is dit gedicht geboren.

Laat nu, in angst en pijn,
Meester, mij niet alleen ...
Wien heb ik buiten U?
Immers, niet één?

't Liefste dat Jeugd gewon
Naamt Ge mij, liefde en eer.
'k Zweeg. Dat de Dienaar niet
Twist met den Heer!

Vordert Gij alles nu?
'k Zwijg.Want ook dit is recht.
Zijt Gij de Meester niet?
En ik de Knecht?

Maar blijf bij mij, blijf bij mij,
Blijf bij mij, 0 mijn God!
Maak niet Uw woord te schand,
Maak niet Uw trouw ten spot!

Hoort om mijne eenzaamheid
Hoont U, 't gemeen ...
Laat mij, in angst en pijn,
Meester, niet gansch alléénl

En dan dat diep ontroerende:

"Een ding heb ik begeerd ... "

Eén ding heb ik begeerd;
één ding heb ik ontfangen:
Dat, zoo de dood mijn leven zou omvasn,
Ik voor Uw aangezicht,
0 Bron van mijn Verlangen,
Niet ledig zoude staan!
Want, als op 't strand geslagen
door de drift der branding

Een kinkhoorn, draagt mijn ziel
uit dit mijn leven mee
De éene onzegbre vreugd,
die Gij mij hebt gegeven:
Het Ruischen van den Wind:
het Rhythme van de Zee!

Eén ding heb ik begeerd;
één ding heb ik ontfangen:
Dat, zoo de dood mijn leden zou omvasn,
Ik voor Uw aangezicht,
0 Bron van mijn Verlangen,
Niet ledig zoude staan!

Van Gerretson worden nu Verzamelde Werken uitgegeven. Door dr G. Puchinaer die zijn bewonderende leerling en vriend is.
Het eerste deel is verschenen. Het bevat Gerretsons literaire erfenis.
In de volgende delen zullen zijn historische studiën worden gepubliceerd.
Deze uitgave is zeer belangrijk.
Want Gerretson was een geniaal man. Ik wil de aandacht op deze monumentale uitgave vestigen door hier over te nemen de boeiende beschouwingen die Gerretson's vriend H. Algra in het Friesch Dagblad publiceerde.
Ze verschenen in de nummers van zaterdag 2 en dinsdag 5 maart.

De dichter een paria?
Het was dinsdagmiddag 23 maart 1955 en de Eerste Kalmer vergaderde.
Achter de regeringstafel zat, erg gespitst op wat nu komen zou, minister Cals. Het woord is aan de heer Gerretson.
Het gaat over de instelling van een raad voor de Kunst, die de minister van advies zal hebben te dienen bij de vervulling van de taak, die de overheid heeft met betrekking tot de verschillende kunsten, en met betrekking tot de aesthetische vorming van de jeugd. De taak die de overheid heeft ...
Daar zal prof. Gerretson, dichter essayist, hoogleraar en politicus, een nummertje over weggeven.

Indrukwekkend
Het wordt een indrukwekkende rede met een onvergetelijk slot. Zeer terecht is deze rede opgenomen in het door dr Puehinger verzamelde proza op literair gebied. De rede ging o.a.
over de literatuur, maar werd ook zelf een stuk literatuur. Ik herinner mij, hoe mijn vriend en politieke tegenstander Schermerhom naast mij kwam zitten en mij vroeg: hoevelen zouden hier nu in de Kamer wezenlijk in de gaten hebben dat dit een hoogtepunt is in de parlementaire geschiedenis?
Gerretson voelde niets voor een "Raad" voor de Kunst. Het had hem geërgerd, dat in de Tweede Kamer was gezegd dat als een van de consequenties van deze "actieve cultuurpolitiek"
er naar zou moeten worden gestreefd dat de bonafide kunstenaar tegelijk een menswaardig bestaan heeft. Gerretson zag het aankomen: In Parijs hebben de balletmeisjes al gestaakt, maar straks gaan in Nederland de dichters staken als hun vakantietoeslag niet wordt verhoogd en weigeren zij de geconsumeerde voorraad sonnetten aan te vullen!
"Maar er is een ernstiger bezwaar.
Neem nu eens de man, genaamd Lucebert. Hij is, wordt althans geacht een bon a fide kunstenaar te zijn. Hij verdient met zijn werk geen halve stuiver, wat niemendal tegen zijn werk bewijst. Maar hij kan of wil, buiten zijn onprofitabel kunstenaarsberoep.
van pure genialiteit niet werken voor zijn brood. Moet de natie nu zijn broodkorf vullen, hem direct of indirect een menswaardig bestaan bezorgen? Wij zeg; gen neen, en nogmaals neen! Het is mogelijk dat hij een genie is, een miskent genie dan, maar is het zeker, dat hij geen luie kwast is? De tijld alleen kan het uitmaken! Zeker is althans. dat, zo de staatkunstzorg 'hem een onbezorgd menswaardig bestaan zou verzekeren, de Holland; se Maagd binnenkort een heel leger luierende artistieke slampampers aan haar schorteband hangen heeft."

Overheidstaak
Dat wil niet zeggen, helemaal niet, dat Gerretson wilde dat de overheid zich afzijdig zou houden ten opzichte van de kunst. Laat zij opdrachten geven aan architecten, aan beeldhouwers en schilders, Laat zij de kamervoorzitter of de burgemeester maar "uitportretteren" en zijn geschilderd portret dan ophangen in een publiek gebouw. Maar nu komt iets, dat voor burgemeesters van Leeuwarden extra belangrijk is *) - laat dan de betrokkene zelf mee beslissen, wie zijn portret zal maken en niet de zgn. "deskundigen", zoals museumdirecteuren. En toen wendde hij zich tot de Kamer., voorzitter mr J. A. Jonkman: "Stel b.v. mijnheer de voorzitter, wij besluiten u te vereeuwigen door u in de koffiekamer op te hangen, en u krijgt de keus van de portrettist, zoudt u dan een dier moderne genieën kiezen, die mijnheer Sandberg protegeert, en die u zou schilderen met één groen oog, bungelen; de ter hoogte van uw navel, en één zwart oog, over uw schouder starende naar de eeuwigheid? Nee, niet waar, uw in de Hollandse school der eeuwen gevormde kunstsmaak zou u een andere, een menselijker en Hollandser kunstenaar doen kiezen!
Met "mijnheer Sandberg" bedoelde hij de directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam.

Het voornaamste
Maar deze uitvallen waren toch beslist niet het voornaamste van deze merkwaardige rede. Dat kwam aan het slot. Iemand had Gerritson gevraagd: "Hoe zou die Gossaert van jou, als hij nog leefde, daarover gedacht hebben? Zou hij ook behoefte gevoeld hebben aan regeringsaanmoediging, regeringsopdrachten, regeringssubsidie?" (Geerten Gossaert, dat was de dichter Gerretson, de man van de ene onovertroffen bundel Experimenten, toen 44 jaar geleden verschenen, en waaruit wij in onze "jongelingsjaren" gedicht na gedicht uit het hoofd leerden ... ).
En toen kwam van Gerretson het antwoord: "De dichters zijn onder de kinderen der mensen, de Goddsonmiddelbaren. de amorelen, de Vrijen kat' exogen, (bij uitstek); van nature opstandelingen tegen de staat, vreemdelingen in de maatschappij. Hun zijn de eenzaamheid en de smart en de armoede en de verstoting geschonken tot een eigen rijk. Tracht niet, overheid, door uw fooien en gunsten hen van dat rijk te vervreemden, hen te declasseren tot van staatswege vrijgestelde klein burgers.
Zij kunnen, zij mogen dat niet zijn!
Zelfs de stoutste fantasie kan zich
Sappho niet verbeelden als ere; presidente van een koninkrijk goedgekeurde en gesubsidieerde vrouwenvereniging tot bevordering van lesbische poëzie. Laat hen dan bid ik u, onberaden, buiten rade 1), ongemoeid op de gewijde vrijplaats, waarop God hen, op deze aarde, tussen de heiligen en de hoeren heeft gesteld: radeloos, redeloos, reddeloos."

Dichterlijke allure
Ik denk niet, dat er weer 'n redevoering met zo'n dichterlijke allure in het Nederlandse parlement zal worden gehouden, zo geladen en zo losgebarsten uit de diepten van de eigen persoonlijkheid. Want het is ondenkbaar, dat er ooit een tweede Gerretson zal worden gekozen tot lid van de Staten-Generaal van het Koninkrijk der Nederlanden, voor welk lichaam nu de selectie geheel in veilige organisatorische banen is geleid, zodat verrassingen practisch zijn uitgesloten. Zij, dat wil zeggen de partij instanties, zullen 'voor het parlement wel specialisten kiezen op het gebied van de sociale verzekeringen of de landbouwprijzen, het middenstandsbedrijf en de luchtverontreiniging; en, natuurlijk, ook wel iemand die het als zijn taak krijgt toegewezen om meer subsidies te vragen voor de sport en voor de kunst, maar zullen zij ooit weer, tot verrassing van de natie, en tot hun eigen schrik, een dichter afvaardigen naar het Binnenhof?

Paria
De dichter als een paria, als een ellendige, het heeft er Gossaert ook toe gebracht, een ontroerende studie te wijden aan de Engelse dichter Francis Thompson (1859-1907), voor de leerlingen van de christelijke middelbare scholen uiteraard geen onbekende naam, al zou het alleen maar zijn om die aangrijpende ode, nauwelijks met enig ander gedicht uit de Engelse literatuur vergelijkbaar: The Hound of Heaven. Thompson was weggelopen van de universiteit, hij werd een zwerver in de Londense achterbuurten, verslaafd aan drank en opium, maar hij werd opgenomen en verzorgd door de dichteres Alice Meynelle en haar man, en toen leerde hij verstaan dat God al die ellendige jaren achter hem had aangezeten, hem had vervolgd tot er geen ontkomen meer aan was, en toen hij zich overgaf en dacht dat dit het einde was en de vernietiging, toen was het de redding en de genade want toen ontdekte hij, dat zijn Vader hem had voortgedreven, tot hij zich omkeerde, om in Vaderhanden .te vallen.
De studie over Thompson in dit eerste deel van de Verzamelde Werken van Oerretson is een van de mooiste stukken uit .de:z;e rijke bundel. Alleen daarom is het de moeite waard, di t boek te bezitten.
De dichter een balling, een ellendige, en zijn poëzie is de sluier, waarmee hij zijn ellende verbergt. In de bundel Experimenten van Gossaert staat een gedicht De Stervende Pelgrim.
De pelgrim achtergelaten in de woestijn, omhult met zijn mantel zijn gelaat, omdat de gieren al wachten op zijn dood en hem het eerst naar zijn ogen zullen pikken.
En dan volgt: De dichter, met een wijle uit woorden saamgeweven En rond zich als een waas van weemoed uitgespreid, Verbergt voor het gemeen, de waarheid van zijn leven, Het smartelijk gelaat van eigen ellendigheid.

1) Uiteraard zit in deze uitdrukking een zinspeling op de "Raad" van de Kunst.

(Wordt vervolgd)



*) De Leeuwarder burgermeester ontving n.l. ook eens een geschlderd portret dat hij niet zien wou! - C.V.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief