PSALM 133

1974-03-29
  • Jaargang 18
  • nummer 13
"Verbeteringen" - geen verbetering!

Psalm 133 lijkt zo'n "lieve" psalm.
Bijgevolg werd hij bij alle mogelijke en onmogelijke gelegenheden gezongen. Bij voorkeur bij dié gelegenheden waar op de een of andere manier het "lief zijn voor elkaar" onderstreept moest worden.
Als daar zijn: de beëindiging van een familieruzie of het beklonken einde van een kerkelijke broedertwist.
Overigens lieten de mysterieuze verbanden tussen Aärons (lange) baard, de dauw van de Hermon en de bergen van Sion wel een licht gevoel van verbijstering achter, maar op den duur wende dat wel en je zong je toch toe naar het hoogtepunt: waar liefde woont, gebiedt de HEER den zegen.
Wat er dan met die baard en die berg in de berijming of vertaling gebeurde, was niet zo belangrijk.
De uitleggers-van-professie interesserde 't wèl. De een vindt de :geschiedenis van de exegese van vers 2 niet meer of minder dan een lijdensgeschiedenis. Elke poging deze woorden tegen de een of andere historische achtergrond te lezen, acht hij een grouwelijke mishandeling.
Een ander constateert: de psalm is ronduit ondenkbaar. Een volgende schiet te binnen, dat het "samenwonen van broeders" ook in Deut. 25: 5 te lezen valt, en dus denkt hij aan het leviraats (zwager)-huwelijk. Een vierde past enkele kunstgrepen toe op de hebreeuwse tekst en verklaart daarna: de psalm heeft geen enkele betrekking op Israëls cultus, maar hoort thuis in het alledaagse leven en is zoiets als een poëtische groet, op de lippen van de gast die de drempel van een "Bruderhaus" overschrijdt.
't Fraaiste is ongetwijfeld de vondst van ene Praetorius. Via Hermons dauw (en enige "tekstverbeteringen"!) komt hij op de verheffende gedachte: ode aan een waterleiding ...
Intussen dachten oude kerkvaders al aan de hereniging, na de ballingschap, van de sinds Rehabeam gescheiden stammen van Israël.
Of een dergelijke hereniging inderdaad heeft plaatsgevonden, lijkt nog steeds erg twijfelachtig.

De broeders wonen samen!

Hoe dan ook - waarover dadelijk meer - de dichter is bewogen, geroerd door het samenwonen van broeders: hoe goed, hoe liefelijk is dat.
Goed - dat doet je denken aan het "basso continuo" van Gen. 1: en God zag, dat het goed was. 't Stemt tot voldoening. Daar is maar één woord voor: goed. Of nee - het is ook "liefelijk". Het is zo liefelijk als de aanblik van Naomi vóór haar ontluistering in Moab.
Dat wonen van broeders "óók samen" brengt de zanger in verrukking.
Bij tijd en wijle wil het woordeke "ook" niet anders doen dan sterke nadruk op het volgende woord leggen. Dan laat hij dus zijn vreugde blijken op het sámen-wonen der broeders, met het volle accent op "samen".
Dat is wel eens anders geweest, blijkens Ps. 120. In de ballingschap woonde Israël verspreid van Mesech tot Kedar, van het barre noorden tot het verre zuiden.
De ballingschap was dan ook de straf der verstrooiing. " Maar zij kent ook een keerzijde: wanneer gij u tot den HERE, uw God, bekeert. .. dan zal Hij u weer vergaderen uit al de volken, naar wier gebied Hij u verstrooid heeft (Deut. 30 : 2, 3; Neh. 1 : 8, 9; enz.).
Tussen verstrooid zijn en vergaderd worden, sámen wonen, ligt een afstand, zo groot als tussen hel en hemel, vloek en zegen.
Gods zégen is weergekeerd in Jeruzalem - dat blijkt: broeders, volksgenoten, stamgenoten, wonen weer sámen! Is dat niet goed, liefelijk - een verkwikking?

Van beeld tot beeld

De uitdrukking "samenwonen" wordt des te begrijpelijker, wanneer men bedenkt dat slechts een kleine groep israëlieten terugkeerde, en dat deze zich aanvankelijk op een betrekkelijk klein gebied moest vestigen: in en rond Jeruzalem.
De vreugde is er niet minder om, zoals blijkt uit de buitelende beelden.
Buitelen is eigenlijk niet het goede woord: 't is meer een afdalende reeks gezien het drie maal herhaalde "nederdalen" (vgl. het art. "Het Hoofd van de Familie", van C. P. Plooy, Opbouw, 17e jrg., nr. 41).
De liefelijkheid van het samenwonen wordt eerst vergeleken met de heilige olie, waarmee Aäron bij zijn zalving is overgoten. De vervaardiging van deze zalfolie wordt beschreven in Ex. 30: 22-33. De bestanddelen mogen samen 1500 sikkel (1 sikkel = 16.37 gr.), dus ruim 245 kilo, waaraan 1 hin (= 6.074 l.) olijfolie -werd toegevoegd.
De aanmaak geschiedde dus in geweldige hoeveelheden, maar diende ook om tent der samenkomst, ark enz. te zalven, evenals Aäron en zijn zonen. Deze zalf mocht door niemand privé gemaakt, of voor/door een onbevoegde gebruikt worden.
Is olie symbool van de Geest, dan is het woord uitgieten, uitstorten in Hand. 2 even begrijpelijk als het nederdalen, nedervloeien in Ps. 133.
In de beeldspraak duikt nu, als een droom in een droom, een nieuwe beeldspraak op: de baard, de baard van Aäron die nedergolft op de zoom van zijn klederen.
Vroeger sprak men wel van een "aärons-baard" - bedoeld werd een lange, niet bijgeknipte baard. Dit, O.g.v. Lev. 21: 5 ten onrechte, want daar gaat het om kanaänietische rouwgebruiken.
Zongen we vroeger van "d'olie" die "baard en klederzoom" doordrenkt - de Nieuwe Vertaling (zie boven) is accurater.
Bovendien zal bij "klederzoom" te denken zijn aan de versterkte halsopening (col) van het officiële ambtsgewaad: de halsopening zal rondom een rand hebben van weefsel als bij een pantser, opdat het niet scheure (Ex. 28: 32; 39: 23). Klaarblijkelijk gaat het om het staatsiekleed van Aäron (en zijn zonen).

Van beeld tot werkelijkheid

Langs de geleide-draad van het woord "nederdalen" komt de dichter tenslotte bij de dauw van de Hermon die nederdaalt op de cols, de bergen van Sion. Met dankbaarheid citeren we het genoemde artikel van collega Plooy: "Reizigers in Palestina hebben het merkwaardige verschijnsel opgemerkt en beschreven, dat overdag door de hitte wolken waterdamp gevormd worden uit de sneeuw boven op de Hermon, die dan tegen de avond met een koude luchtstroom worden meegevoerd naar lager gelegen streken en daar als avonddauw neerslaat ...
het veel lagere bergland van Sion wordt door de dauw vruchtbaar gemaakt."
De zegen van de dauw is goed, liefelijk, een verkwikking voor Sions bergen.
Begonnen bij Aäron, is de dichter met zijn beeldspraak terechtgekomen bij Sion. Is het louter toeval, dat "in het gebed voor de gezalfde" (Ps. 132) David en Sion in het vizier kwamen? Anders gezegd: in de ene psalm vinden we het begrippen-paar koning-Sion, in de andere: hogepriester-Sion.
Uit de ballingschap keerde niet alleen Zerubbabel, een zoon van David terug, maar ook Jozua, een zoon van Aäron (Neh. 12: 10; Zach. 3). En wat een hogepriester in Sion betekent is duidelijk: ook het ambt der verzoening kan weer volledig functioneren. Wat doet een hogepriester anders dan (uit naam van God) het leven teruggeven aan zondaars die strikt genomen hun leven verbeurd hadden?
Wat een zegen voor 't volk!
Dat vindt de dichter ook: want daar (in Sion) gebiedt de HERE de zegen: leven tot in eeuwigheid.
Leven, echt leven is pas een zegen als het doordrenkt is van Gods verzoening. Dan kan het leven voor Israël, na de ballingschap, echt opnieuw beginnen. Zo goed als het nieuwe leven van het nieuwe Jeruzalem een zegen is van dè Messias, de gezalfde Koning en Hogepriester. En Hem staan zeker ook voor het nieuwe Isràël: Gods oude verbondswoorden voor ogen: gij zult Mij een koninkrijk en priester zijn (Ex. 19 : 6). Waarom (Zondag 12 H.C.) worden wij ook al weer christenen, d.i. gezalfden genoemd?!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief