"Armen van geest"

1974-03-29
  • Jaargang 18
  • nummer 13
Een van de – bedenkelijke eigenaardigheden van de propagandisten van een "revolutionair evangelie" is het soms schandelijke misbruik van Schriftwoorden waaraan zij zich schuldig maken.
De woorden van profeten, apostelen en Jezus Christus worden soms zelfs door hen gehanteerd met een tendens die zo ongeveer het tegenovergestelde is van wat dezen daarmee wilden zeggen.
Vorige week wees ik op een ergerlijk misbruik dat van de eerste zaligspreking: "zalig zijn de armen van geest" werd gemaakt.
Het optreden van boeren in een land in Zuid-Afrika kwam in een televisie-uitzending ter sprake.
Deze boeren gingen eigenmachtig over tot het "bezetten" van gronden.
De regering trok toen de steun in aan de organisatie die opgericht was om hen voor te lichten en te helpen.
Nu zouden "de kerken" - welke zijn dat? - deze boeren gaan helpen!
En toen in die uitzending een dame vroeg wat die hulp met het Evangelie te maken had, antwoordde de "uitzendende" dominee vlot: Jezus heeft gezegd: zalig zijn de armen van geest ..' Daarmee was dat probleem opgelost!

We willen deze "zaligspreking" wat van naderbij bekijken.
Het eerste wat een eerbiedig bijbellezer opvallen moet is dat Christus dit woord spreekt tot zijn discipelen.
Mattheüs schrijft: "Toen Hij, Jezus, nu de schare zag, ging Hij de berg op en nadat Hij zich had nedergezet, kwamen zijn discipelen tot Hem. En Hij opende zijn mond en leerde hen, zeggend: "Zalig de armen van geest".
Lucas zegt dit nog wat duidelijker.
Bij hem lezen we namelijk (6 : 20): En Hij hief zijn ogen op naar zijn discipelen en zeide: Zalig, gij, armen.
Uit wat zo in de Schrift staat moet geconcludeerd worden dat deze - en de andere - zaligsprekingen door Christus uitdrukkelijk tot zijn discipelen werden gesproken. En dat zij dus alleen hen gelden. Een generalisering van deze zaligsprekingen tot andere categorieën van mensen is reeds daarom in strijd met de Schrift, in strijd met de eigen bedoeling van de Heiland.

Maar hiermee is nog niet alles gezegd.
Christus spreekt inderdaad in eerster instantie van "armen", van armen in de gewone zin van het woord. Dat wil zeggen: van mensen die gebrek hebben aan hun primaire levensbehoeften, brood, kleding enz. Het woord armen betekent zelfs in de eerste plaats bedelaars.
Maar - Jezus zegt er volgens Mattheüs nog wat bij! Hij spreekt namelijk van armen van geest.
Ten aanzien van dit woord heerst nog al wat misverstand.
Men zag er dikwijls een soort beperking in. Niet arm aan geld en goed, niet arm aan geluk, niet arm aan kinderen, maar arm van geest! Men vatte het dan op als arm aan geestkracht, geestigheid, levendigheid, oorspronkelijkheid.
Iemand die arm van geest is is dan iemand met beperkte geestelijke capaciteiten. Iemand wiens denken of spreken nooit vonkt.
Een simpele ziel. Een eenvoudig, onontwikkeld - tegelijk ook tevreden - mens.
Men heeft dit woord ook vaak een "religieuze" inhoud gegeven.
Een arme van geest is dan iemand die wéét dat hij een arme zondaar is. Schuldig en verdorven. Dat hij in zichzelf voor God niets is, niets heeft, niets kan. Geen enkele pretentie ten opzichte van God heeft. De uitdrukking "arm van geest" duidt dan de gesteldheid aan die de mens moet kenmerken om voor God te kunnen bestaan, om door Hem aangenomen te worden. Met geld en goed heeft deze armoe dan niets van doen. Een straatarme in aardse goederen kan dan deze armoe missen. Bij een schatrijke kan ze gevonden worden.

Christus bedoelt hier evenwel wat anders. "Geest" duidt hier namelijk het innerlijkste van de mens aan. Dat waarin van de zijde van de mens de gemeenschap met en de zelfbepaling ten opzichte van God wortelt. De "arme van geest" die Christus bedoelt is zo een "gewone" arme, een berooide, een bedelaar.
Maar dan een die door zijn armoe tot in de kern van zijn bestaan wordt geraakt, er mee worstelt, er ook door gebogen.
Maar die tegelijk in alle nood en met alle nood tot de levende en barmhartige God vlucht.
Het is kort en goed een arme die zijn armoe voor Gods aangezicht doorleeft, in het geloof doorleeft, en steeds weer, dikwijls na veel strijd, blijft zeggen dat God goed is!

Het is daarom door en door onjuist dat Christus met deze woorden armen, berooiden, bedelaars, onderdrukten, uitgezogenen als zodanig zalig spreekt. Hij zegt hun het koninkrijk Gods niet toe in hun kwaliteit van arm zijn zonder meer. Hij zegent hier niet het proletariaat als proletariaat! Wie dat zegt perverteert deze zaligspreking radikaal.
Neen, Christus ziet discipelen voor zich, zijn discipelen. Dat wil zeggen: mensen die, met hoeveel misverstand en gebrek ook, Hem van ganser harte vertrouwen en alles van Hem verwachten. Die discipelen zijn arm. Arm in de gewone zin van het woord. Er zijn althans veel van zulke armen onder hen. Maar Christus ziet dat deze discipelen in en met hun armoe de toevlucht tot God en tot Hem nemen. En dan zegt Hij: Jullie zijn zalig, ondanks jullie armoe, want van jullie is het Koninkrijk Gods. Jullie zijn koningskinderen!
Jullie delen in de schatten van het Koninkrijk der hemelen.
Jullie zonden zijn vergeven.
Jullie zijn verzoend met God.
Jullie hebt het eeuwige heil, het eeuwige leven.

Calvijn heeft ook dat woord weer zo zuiver verstaan.
Mattheüs, zo schrijft hij, drukt de bedoeling van Christus wat meer bepaald, wat nauwkeuriger uit dan dat Lucas het doet. Want het gaat Christus niet zonder meer om mensen, die er ten aanzien van eten, drinken, kleding ellendig aan toe zijn. Neen, de armoe van velen is helaas, "vervloekt en onzalig"! Want er worden er velen gevonden die wel door smarten gekweld worden, maar toch niet breken met de hoogheid en de hardheid van hun harten. Op zulken heeft Christus hier niet het oog. Hij spreekt "armen" zalig: "echte", "gewone" armen. Maar dan zulken "die door rampen gedrukt en. bedwongen, zich geheel aan God onderwerpen en innerlijk vernederd zich op Zijn hulp verlaten. Er is geen twijfel of zij worden arm genoemd, die door tegenspoed worden gedrukt en - beproefd"!

De gemeente van Christus moet zich door allerlei "nieuwe theologen" ook niet van dit woord van Christus laten beroven.
P.S. Schlatter schrijft: Der Blick wird freilich nicht auf ihre äussere Lage gerichtet und die Verheissung nicht durch das kleine Masz ihres Besitzes begründet; Jesus spricht von der inwendig en Not der Darbenden, aber der Darbenden, derer, die im Ringen um die Lebensmittel auch in ihrem inwendig en Leben verarmen und leiden. Der Evangelist Matthäus, 133. Cremer-Kögel Bibl.
Theol. Worterbuch der Neutestl.
Griechisch lle Aufl., 938 schrijft: armen van geest zijn zij "die innerlich in d. Quellort ihrer gott bezogenen Lebens unter d. Entbehrungen leiden, die ihre Lage mit sich bringt; sie haben nichts anderes, als dass sie ihre Zuflucht zu Gott nehmen u. auf dessen Hilfe warten." Vooral is belangrijk over deze zaligspreking en de andere Janse, Van de Rechtvaardigen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief