Tent des Heren

2005-05-20
  • Jaargang 49
  • nummer 10
Als kind heb je bij sommige plaatsen of begrippen uit de bijbel je eigen beeld. Zo lag het paradijs in het bosje naast het huis van mijn opa en oma. Je kwam er via een klein paadje in de heg. Je kon er dwalen door struiken, er was een schommel in een boom, er waren kuilen met gras en er groeiden altijd lelietjes-van-dalen.

De 'Tent des Heren' uit het Oude Testament lag iets verderop, aan de Julianalaan in Bilthoven. Vlakbij het station en de altijd gesloten winkels - ik kwam daar toen alleen op zondagochtend. In het midden twee grote tentstokken.
Daaroverheen gespannen het wijd uitlopende rode tentdoek. Als een stevige De Waard.

De plek had iets heel eigens.
Door de mensen. Gul met hartelijke welkomstknikjes, pepermuntjes onder de preek, belangstellende vragen en aaien over je hoofd.
Maar vooral ook door de herder van die tent. Hij huppelde naar de kansel, hij huppelde op de kansel, en was duidelijk heel erg blij dat wij er weer allemaal waren.

Maar waar die lieve man vooral zo blij mee was, was met zijn Hemelse Vader. Dat zag een kind. Geen woord zou ik meer kunnen navertellen van al die preken die ik in die smalle, houten kerkbanken naast een van mijn grootouders moet hebben gehoord. Maar als ik denk aan de blijde, stralende blik van die man als hij vertelde over zijn verlangen naar het eeuwige Koninkrijk, dan wil ik hem zo wel achterna.
Naar die hemel, die Hij uitspreidt als een doek, een tent om in te wonen. (Jesaja 40:22).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief