PSALM 134

1974-04-05
  • Jaargang 18
  • nummer 14
Gedwongen plagiaat

Meesters in het schrijversvak mogen soms voorlezen uit eigen werk. Niet dat dit altijd een succes is. Dichten en schrijven is een kunst, voordragen óók. Subtiele schrijvers verstaan die kunst vaak: de intonatie is bijna ingebouwd in hun verfijnde woordkeus.
Luisteren naar Godfried Bomans was een onverdeeld genoegen.
Simon Carmiggelt doet voor hem niet onder. In Amerika is een kliniek in studie, waar mensen t.z.t. moeten leren zichzelf te beheersen. In déze zin dat zij bijv. leren zelf hun hartslag te regelen.
Of een boek te lezen zonder onbewust de woorden uit te spreken.
Dat laatste kost tijd en tijd is ... nou ja, 't zou jammer zijn van Bomans Sprookjes bijv. Je moet ze, bewust of onbewust, hóren.
Nee, ik heb geen snode plannen voor te lezen uit eigen werk. 't Voorlezen zou misschien wel gaan, maar dat "eigen werk" vormt op veel manieren een handicap.
Wel moet ik plagiaat plegen - op mezelf. In "Opbouw", 3e jrg., nr. 11 blijk ik iets geschreven te hebben over Ps. 134.
Om de liederen van de tocht af te ronden, maak ik er vrijmoedig gebruik van. Al ben ik niet zeker dat het toén geen plagiaat was ...

In Jeruzalem staat een huis ...

Kun je nog van “een lied van de tocht" spreken, als in Ps. 134 "de knechten des HEREN die des nachts in het huis des HEREN staan" worden aangesproken? We schreven al eerder: de tocht (bijna synoniem voor de verlossing) zal voor Israël pas volbracht zijn, als ze echt weer thuis zijn. En bij dat thuis hoort ook het huis des HEREN.
Dat "huis des HEREN" is voor Israël echt een begrip. In het boek Ezra (2: 68) wordt de vrijwillige bijdrage vermeld van enige van de familiehoofden. Tijdstip: toen zij bij het huis des HEREN, dat te Jeruzalem is, aankwamen. Maar op dat moment is er nog niet eens een brandofferaltaar (3: 2); de eerste steen, het fundament van de tempel moet nog gelegd worden (3: 6). 't Zal zelfs nog ruim 20 jaar duren voor de tempel geheel herbouwd is (6: 14, 15).
In vroeger dagen heette het zelfs de tabernakel (de tent) de tempel des HEREN, afgewisseld met het huis des HEREN (1 Sam. 1 : 9, 24 bijv.). Bovendien konden ark en tabernakel een eigen bestaan leiden met een eigen eredienst (1 Kron. 16: 37, 39). En dat brengt weer in herinnering hoe Israël uit Babel terugkeerde met het door Kores weer teruggegeven "gerei van het huis des HEREN (Ezra 1 : 7-11). Is het al te gewaagd, te veronderstellen dat deze kostbare inventaris provisorisch ergens werd ondergebracht, laten we zeggen in een tent, waar de priesters voorlopig hun ambt konden uitoefenen?

... er staan ook knechten des HEREN

Hoe dan ook, betrekkelijk snel stond het brandofferaltaar op zijn oude plaats en vierde Israël het loofhuttenfeest! en de overige feesten (Ezra 2). In het tweede jaar na hun aankomst bij het huis Gods te Jeruzalem (!)" wordt het tempelfundament gelegd (2: 8). Bij die gelegenheid zijn de levietische zangers en speellieden volop in functie en zingt men beurtzangen van lof en prijs aan de HERE: want Hij is goed want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid over Israël (2 : 10, 11).
Is de volgorde van het psalmboek - we denken vooreerst aan Ps. 135-137 - wel zo erg toevallig?
De aansluiting aan Ps. 133 is trouwens ook veelzeggend. Na de vermelding van Aäron en Sion heet het immers: daar gebiedt de HERE de zegen, leven tot in eeuwigheid.
Juist bij Aärons geslacht spreekt dat boekdelen: is een hogepriester, gratie verlenend en zegenend, niet Gods mond?
Maar dan kan Ps. 134 inderdaad dienst doen als afscheidslied na het feest. Dat blijkt o.i. ook duidelijk uit vers 1 en 2. Met het woordje "komt" of "ziet" trekt Israël de aandacht van "de knechten des HEREN", die "staan in het huis des HEREN". Nu is "staan in het huis des HEREN"
een gangbare uitdrukking voor in diensthouding staan, zijn ambt uitoefenen. Klaarblijkelijk gaat het om de priesters en levieten.

Gods nachtegalen

Daar komt dan in deze psalm nog iets eigenaardigs bij. Israël wil de aandacht op zich vestigen van de priesters en levieten die des nachts in het huis des HEREN dienst doen.
Het kan bekend zijn, dat Israël tot op zekere hoogte een continue tempeldienst kende (1 Kron. 9: 33). Een aantal levieten diende de nacht door te brengen in de nevenvertrekken van de tempel. Zij waren dan ook de eerstaangewezenen om de buitenpoorten van het voorhof iedere morgen open ~ te maken. Uiteraard zullen de levieten ook na afloop van elke dag voorhof en omgeving van het altaar hebben moeten reinigen.
Binnen de tempel waren er dan nog andere werkzaamheden voor de priesters, o.m. het ten einde brengen van het avondoffer, het verzorgen van de lamp die des nachts niet uit mocht gaan en het in gereedheid brengen' van het morgenoffer.
En in verband met Ps. 134 vinden we in 1 Kron. 9 : 33 nog een andere opvallende bijzonderheid vermeld: ... de zangers, die in de nevenvertrekken vertoefden ...
deze waren vrij van andere dienst het was hun opgedragen dag en nacht met hun werk bezig te zijn.
De zangers hadden dus ook des nachts dienst. In de oosterse nachten deden zij in het huis des HEREN de lofzangen Israëls horen.
We zijn geneigd te zeggen: in wèlk stadium van wederopbouw dit huis zich ook bevond.
En nu komt er reliëf in Ps. 134: Israël heeft zich ais één man te Jeruzalem verzameld (Ezra 3 : 1), mannen, vrouwen, kinderen naar de in de thorah gegeven' voorschriften.
Het heeft loofhuttenfeest gevierd - heeft het niet ten tweeden mate in de woestijn in tenten gewoond? Maar aan elk feest komt een eind. Op de laatste, de grote dag van het feest (vgl. Joh. 7 : 37) komen ze nog een keer bijeen, om zo dadelijk naar huis te trekken. Het loopt tegen de avond.
De nachtploeg van priesters en levieten is al opgekomen. Nog even en het huis des HEREN is verlaten - 't wordt stil op de oude dorsvloer van Arauna, Stil? Nee, dat niet: de zangers, Gods nachtegalen blijven. En als Israël, moe van het feesten, slaapt, heffen zij hun handen op naar het heiligdom en zingen Gods lof uit Israëls naam: looft den HERE, want Hij is goed ...

Gebenedijd

Wie in Gods huis wónen, zijn benijdenswaardig: zij loven God gestadig (Ps. 84: 5). Al gaat Israël nu naar huis, het distantiëert zich niet van Gods huis. Zij die in het huis des HEREN blijven, ontvangen van Israël de opdracht alle nood en zorg, maar ook dank en lof, dag en nacht voor het aangezicht des HEREN te brengen. Het avond offer van het reukwerk der gebeden (Ps. 141 : 2) mag niet getaakt worden: bidt zonder ophouden, dankt God in alles (1 Thess. 5 : 16, 17). Nietwaar dat is een stijlvol einde van het feest der gemeenschap.
Zo fijn als nu, in het laatste vers van deze psalm, de knechten des HEREN Israël antwoord geven, is In onze taal nauwelijks weer te geven.
Het hebreeuws kan nl. voor prijzen " en "zegenen" één en " hetzelfde woord gebruiken.
Misschien is het zó toch nog welsprekend: Israël zegt tegen de zangers: gebenedijd zij de HERE uit onze naam. De zangers reageren onmiddellijk; gebenedijd zijt gij, uit 's HEREN naam! Zijn zegen reist met u mee naar huis en akker. En zijn zegen is geen lege formule, maar een bron van overvloedige kracht voor ieder die hem gelovig in rekening brengt en gebruikt. Het is de zegen van Hem "die hemel en aarde gemaakt heeft". Hij spreekt en het is er, Hij gebiedt en het gebeurt.
Lees er de liederen van de tocht maar op na!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief