Geloofsverwachting en regelmaat (2)
1974-04-05
De vorige keer hebben we gezien, dat de harmonie tussen geloofsverwachting en regelmatige voortgang moeilijk te vinden is. Telkens weer dreigt de kracht van de regelmaat de verwachting te breken, zodat de kinderen van God gaan lijken op Noach's tijdgenoten (Matth. 24: 37-39). Omgekeerd maakt de gespannen verwachting de kinderen van God vaak doof en blind voor de gewone dingen van de normale loop van het leven (Jer. 29: 4-6; II Thess. 3 : 10-12).- Jaargang 18
- nummer 14
We willen thans komen tot de "toepassing" van het één en ander op het kerkelijk leven van onze eigen dagen.
Ik heb vaak een oudere broeder horen zeggen, dat het er in de begindagen van de Vrijmaking met de kerk eigenlijk beter voorstond dan in de jaren die daarna zijn gevolgd. Dat klonk vreemd!
In die begindagen leefde men om zo te zeggen van vandaag op morgen.
Elke dag "ons hier gegeven" was er één. Men moest improviseren.
Aan plannen-voor-járen durfde men aanvankelijk niet te denken. Men hield vol... en allengs kwam de kerkelijke bedrijvigheid op gang! Er werden weer jaar-begrotingen gemaakt. Er kwamen plannen en voorzieningen voor' langere termijn. Het ging allemaal weer soepeler en gesmeerder lopen! Waar kwam dat merkwaardige "heimwee" naar de dagen van het begin dan vandaan?
Het is heel goed mogelijk, dat die oudere broeder groot gelijk had!
Misschien heeft hij wel moeten konstateren, dat de gemeente de harmonie tussen geloofsverwachting en regelmatige voortgang niet heeft kunnen vinden. Wellicht heeft hi] opgemerkt, dat bij de vermeerdering van de voorzieningen het Godsvertrouwen zijn direkte en rechtstreekse karakter kwijtraakte en tot een "lippen-zaak" vervaagde. Misschien heeft hij met droefheid een groeiende verwantschap gezien tussen zijn eigen broeders en zusters en Noach's tijdgenoten, een verwantschap vooral dáárin, dat de opmerkzaamheid ging sterven en de gemeente niet meer echt in beweging was te brengen door de vermaning van het evangelie.
Maar het is ook mogelijk, dat die broeder met zijn heimwee ongelijk had! Misschien heeft hij zèlf niet kunnen aannemen, dat de HERE ons vraagt de geloofsverwachting te bewaren in het gewone leven met zijn regelmatige werkzaamheden voor heden en toekomst. Misschien heeft hij het bevel van Jeremia (29) en van Paulus (II Thess. 3) - om gewoon aan het werk te gaan - als "ongeestelijk" verworpen, terwijl hij méénde alleen maar naar de vermaning van Christus (Matth. 24) te luisteren!
Dan heeft hij zich al gauw in de gemeente niet meer thuis gevoeld.
Moest hij immers niet èlke regeling en èlke "planning" bij vóórbaat als ongeestelijk afwijzen?
Moest hij niet èlke voorziening voor langere termijn als een aanslag op de verwachting van Christus' dag veroordelen? Wat heeft hij het zichzelf en anderen dan moeilijk gemaakt!
Hoe vaak zijn in de praktijk van het leven gelijk en ongelijk ook niet ineengevlochten tot een 'knoop, die bijna niet te ontwarren is!
Het is mogelijk, dat die broeder van straks heel goed heeft gezien, dat de regelmaat het terrein veroverde ten koste van de geloofsverwachting, maar dat hij bij dat gezicht zèlf zijn evenwicht heeft verloren en gevlucht is naar die andere "pool" - geloofsverwachting zonder de gewone levensregelmaat, zonder het werken (II Thess. 3), zonder het treffen van maatregelen, zonder het bouwen van huizen (Jer. 29), zonder een werkelijke wandel op het pad van de geschiedenis! Daarmee heeft hij dan de kracht tot een zuivere en opbouwende kritiek goeddeels verloren! Zijn eigen standpunt was immers niet zuiver meer!
Alles goed en wel, zult U zeggen, maar wat hebben wij eigenlijk aan dat moeilijke gepraat?
Ik geloof, dat het nuttig is te zien, hoe akelig gemakkelijk wij afwijken, hetzij "ter linker-", hetzij "ter rechterzijde"!
Het is ook nuttig de keerzijde daarvan op te merken: Hoe moeilijk valt het ons te komen tot een kritiek op de broeders en zusters, die werkelijk billijk en opbouwend is!
Als ik - simpel gesteld - de broeders "rechts" van mij zie, zitten zij dan verkeerd, of ben ik afgeweken "ter linkerzijde"?
Werkelijke kritiek moet beginnen met diepgaande zèlfkritiek. Ik mag mezelf de scherpe toets van Gods Woord niet besparen, wil ik mijn broeder billijk en opbouwend kunnen benaderen!
Wanneer ik die zelfkritiek oversla - en dat is de "prettigste" weg! - dan word ik zonder het te merken als de man, die de splinter uit het oog van zijn broeder wilde verwijderen, terwijl er nota bene een balk zat in zijn eigen oog (Matth. 7: 3-5). Die man matigde zich de waardigheid van een geneesheer aan, maar hij maakte alleen maar brokken!
Zo kan ik mijn zakelijk aangelegde broeder gaan "genezen" door hem plompverloren te vertellen, dat hij een ongeestelijk mens" is, Of ik "behandel" de broeder, die zich veel met de christelijke hoop bezig houdt, door hem glashard te laten weten, dat hij een "overgeestelijke dweper" is. Daarmee maak ik alleen maar brokken. Een dergelijke benadering werkt "polariserend".
De zakelijke broeder zal zeggen: Als dàt geestelijk is, dan mij niet gezien! En dan dreigt hij ècht te verzakelijken! De geestelijke broeder zal zo van mij schrikken, dat hij zich van het terrein van het harde mensenkontakt terugtrekt.
En dan dreigt hij wèrkelijk voor de gewone levensgang verloren te gaan!
Kritiek zonder zelfkritiek is onbillijk, hard, hoog.
En het is ook zo ontzettend dwaas! Ben ik dan zelf werkelijk zo gemakkelijk klaar gekomen met Jeremia 29, met II Thess. 3, met Matth. 24? Zo helemaal vanzelfsprekend en zonder strijd?
Zonder stofje zelfs in mijn oog?
Daarom was het, geloof ik, toch zinvol om zo uitvoerig uit te weiden over die oude broeder met zijn heimwee naar de begintijd.
En over al die mogelijkheden om fouten te maken! Wij moeten nederigheid leren!
"Zie, of bij mij een heilloze weg is, en leid mij op de eeuwige weg!" (Psalm 139: 24).
Wie met dit gebed begint ontvangt als eerste verhoring milde handen en vriendelijke ogen voor zijn broeders.
Wij hebben weer een droeve kerkscheuring achter de rug.
Ook weer een nieuw begin. En we hebben ook weer die begindágen leren kennen, die dagen van de improvisatie en van de bescheiden reikwijdte. Daarna kwam óók Weer de overgang naar een geregeld en regelmatig kerkelijk leven.
Of zitten we eigenlijk nog volop in die overgang?
We beleven weer een tijd van veel discussies, van meningsverschillen.
Misschien vinden we al weer de één te ordelijk-zakelijk en de ànder te wereldvreemd!
Is er niet àlle reden nederig te zijn en de broeder - ook bij kritiek - met àlle zachtmoedigheid te benaderen? Laten we elkaar liefdevol begeleiden op de moeilijke weg naar de harmonie van geloofsverwachting en regelmaat!