Boekbespreking
1974-04-05
Dr A. G. Honig Jr.- Jaargang 18
- nummer 14
De heerschappij van Christus en de zending.
Reeks Theologie en Gemeente, no. 6.
Kolk, Kampen 1973. Prijs f 5,90.
Deze lijvige brochure van 67 bladzijden is rijk van inhoud. De hoogleraar in de zendingswetenschap van de Kamper Theologische Hogeschool aan de Oudestraat geeft in dit geschrift heel veel. Het bevat een heldere inleiding tot de hedendaagse vraagstukken met betrekking tot de zending en zendingswetenschap.
De schrijver bespreekt met grote kennis van zaken de nieuwe bezinning inzake de zending. We hebben grote waardering voor de evenwichtigeen scherpe formulering van de vragen die hier aan de orde zijn.
Uitvoerig gaat hij in op de vraag wat zending is. Onze zending is opgenomen in Gods zending van zijn Zoon. Grondig bespreekt hij de vraag hoever het heil in Christus reikt en hoe breed en wijd de heerschappij van Christus is. Hij tracht een soort tussenstandpunt in te nemen tussen hen, die willen strijden voor "recht" en maatschappelijke, sociale en politieke "vrede" in de wereld, met de bedoeling dat doende de heerschappij van Christus in concreto te realiseren énerzijds èn anderzijds hen, die geneigd zijn grote nadruk te leggen op de persoonlijke verhouding van vrede met God door het bloed van Christus. De auteur heeft bezwaar tegen de aanduiding ,horizontalisme met betrekking tot de eerstgenoemden. Hij vindt deze polarisatie niet juist. Hij is van mening dat binnen de horizon van deze wereld in de geschiedenis, de heerschappij van Christus moet worden gerealiseerd, blz. 28. Hij poogt polarisatie van deze standpunten tegen te gaan. Ter illustratie van zijn pogen in deze wijzen wij op zijn bezwaar tegen de fundamentele kritiek van prof. P. Beyerhaus uit West-Duitsland op de gang van zaken op de conferentie van Bangkok en op de "theologie van de oecumene".
Volgens Beyerhaus zou deze theologie eigenlijk stellen dat de humanisering de enige hoop voor de wereld zou zijn. Honig vindt deze kritiek van Beyerhaus ("verwijt" zegt hij op blz. 32) niet rechtvaardig. Dit enerzijds. Anderzijds gaat hij een eindweegs mee met kritiek van Beyerhaus, vergelijk blz. 34 en vooral blz. 58.
Het streven polarisatie tegen te gaan is loffelijk.
Bij alle waardering die we hebben hebben we wel opmerkingen en vragen.
Enkele daarvan laten we hier volgen.
Ten eerste. De schrijver wekt de indruk met zijn uitspraak dat onze zending in Gods zending van zijn Zoon is opgenomen, en ookdoor de uitwerking van deze uitspraak, te willen stelten, dat de zending van God in zijn Zoon, onze Here Jezus Christus, èn de zendingsarbeid van ons, christenen en kerken op één en hetzelfde niveau zouden liggen.
Voor deze gedachte is wel een enkele tekst te vinden. Zo de uitspraak van Christus: Gelijkerwijs de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook ulieden. Toch blijft er een wezenlijk onderscheid tussen de vleeswording des Woords èn pinksterenen de prediking der apostelen en de arbeid van onze zending. Voor dit wezenlijke onderscheid zijn vele schriftplaatsen te noemen. Wij verwijzen hier nu alleen maar naar Hebr. 1: 1-4.
Ten tweede. Het voorbijzien van dit wezenlijke verschil leidt misschien mede tot de mening dat de realisering van het heil in Christus binnen de horizon van deze wereld mogelijk is. Het wil mij voorkomen dat het maken van een onderscheiding tussen de realisering van het heil binnen de horizon van deze wereld èn daarbuiten, uit een niet schriftmatig denken stamt. Stellig komt het koninkrijk hier en nu. Het kwam in Christus Zelf op aarde en de krachten van Zijn koninkrijk werken hier en nu door de prediking en de ·werkingen van de heilige Geest. Zij worden gerealiseerd in werkelijk geloven; in wedergeboorte en bekering; in de vruchten van de heilige Geest. Gal. 5. Dit is echter allemaal voorlopig en onvolkomen. Het doel is de toekomende eeuw. Het zijn de krachten der toekomende eeuw die werken in déze eeuw. Het zijn de hemelse gaven die we op deze aarde kunnen genieten. Er is geen realisering van het koninkrijk binnen de 'horizon van deze wereld als iets dat min of meer bereikbaar zou zijn los van de toekomende.
De vraag komt ook direct op ons af wat we bedoelen met deze wereld, als we over deze dingen spreken. Bedoelen we het maatschappelijk, sociaal en politiek bestel van onze samenleving of bedoelen we wat in 'het nieuwe testament met aioon wordt bedoeld? Dat is wel heel wat anders.
Ten derde. Het realiseren van het 'heil binnen de horizon van deze wereld is en blijft zéér betrekkelijk. Ik verwijs om deze uitspraak enigszins te adstrueren naar Rom. 7, Rom. 8 : 1-17 en 18-23; voorts naar woorden als de volgende 1 Cor. 13; 2 Cor. 10: 3-11 en 12-18; 2 Cor. 11: 16-29 enz. Ik zou naar de lange geschiedenis van het oude volk Gods van het oude testament kunnen verwijzen.
Ik herinner aan de woorden van de catechismus van Heidelberg dat ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven zijn, maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid hebben. Bedoeld is de gehoorzaamheid aan de Here God. Het is de vraag of het kritiek hebben op alle mogelijke andere mensen, overal op aarde en op alle mogelijke toestanden bij anderen dan onszelf nog wel iets met het werkelijke christelijke geloven te maken heeft. Mij dunkt voor deze vraag heeft Peter Beyerhaus o.m. oog. Wie het anders stelt, die komt of hij wil of niet bij een soort humanisme terecht. Ds Honig ontkomt daar niet helemaal aan.
Ten vierde. Ik vraag: onderschat de schrijver de realiteit van satan en zijn invloed binnen de horizon van deze wereld niet?
Hij verwijst ergens naar Openbaring 12 in verband met de heerschappij van Christus. Waarom ook niet naar Openb. 12: 13-18? Waarom ook niet naar Openb. 11? Waarom niet meer aandacht voor het onderricht van de Here Jezus Zelf inzake de realisering van het heil binnen de horizon van deze wereld, zoals de Heiland dat gegeven heeft bij voorbeeld in de gelijkenis van het onkruid in de akker, Matth. 13: 24-30 en de verklaring van de gelijkenis die in dit geval van de Heiland zelf is in 13 : 36-43? Op de wereld akker groeit ook het onkruid. De kinderen van de Boze. En dat tot de dag van de oogst!
Ten vijfde, Ik vraag bij alle waardering voor de kritiek van dr Honig op de nieuwere (en oude) opvattingen omtrent de kosmische betekenis van Christus als of Hij aanwezig zou zijn in de heidense godsdiensten met zijn Geest zonder het evangelie - ik vraag: houdt hij voldoende rekening met wat de apostel Paulus heeft geschreven in Rom. 1: 18 v over de schuld der heidenen, en met wat in onze geref. belijdenis wordt gezegd over het "licht" der natuur of het licht der heidenen (lumen gentium) D. Leerr. III/IV, paragraaf 4, dat de mens ook in natuurlijke en burgerlijke zaken dit licht niet recht gebruikt, ja het geheel bezoedelt en in ongerechtigheid ten onderhoudt?
Tenslotte. Deze vragen en opmerkingen bedoelen niets af te doen van de grote waardering die we voor dit geschrift hebben.