Een open zenuw in de christelijke theologie

2013-02-09
  • Jaargang 57
  • nummer 3
Israël is een ‘open zenuw in de christelijke theologie’ en een ‘heikel thema in de brede verhouding tussen christendom, jodendom en islam’. Dat concluderen dr. G. van den Brink en dr. C van der Kooi in hun Christelijke dogmatiek. Een bespreking van hun behoedzame hoofdstuk over Israël.

Van den Brink en Van der Kooi zijn kundige gidsen, sterk betrokken op hun onderwerp én hun publiek, en daarom stellen ze bij hun rondleiding door een fascinerend en lastig landschap de simpele maar belangrijke voorvraag: wat bedoelen we met Israël? De staat, het land, het jodendom, de vertegenwoordigers van het Joodse geloof, de synagoge, het Joodse volk? En dan alleen in de bijbelse tijd of ook in het hedendaagse?
Zij zien Israël allereerst als ‘aanwijsbare volksgemeenschap waaraan God zich heeft geopenbaard en zijn beloften heeft geschonken’, bij en vanaf de verbondssluiting met Abraham.
‘Daarmee is Israël zowel een etnische als een godsdienstige grootheid.’ B&K gaan uit van artikel 1 van de Kerkorde van de PKN: ‘De kerk deelt in de aan Israël geschonken verwachting en strekt zich uit naar het Koninkrijk van God.’ Dat betekent dat de kerk niet in de plaats van Israël gekomen is en er ook geen sprake kan zijn van zending onder de Joden, maar, veel bescheidener, van het zoeken van het gesprek, waarbij de kerk zich niet mag fi xeren op een negatief beeld van Israël als afvallige. Integendeel, na Auschwitz is een diepe herbezinning op Israël van levensbelang voor de christelijke theologie. Zij kan geen stellige antwoorden meer geven en zal zich steeds moeten afvragen of haar theologiseren niet bedreigend is voor Israël.
Ook bij verschillen tussen kerk en Israël blijven B&K behoedzaam nuanceren en scherpe kanten in het bijbelse spreken worden afgezwakt of vermeden. Ik wil dat hieronder verduidelijken.

Olijfboomtheologie
B&K noteren wel dat het verbond in het Oude Testament in crisis komt door de ontrouw van Gods volk – er zal een herschepping van Gods kant nodig zijn, wil het er echt van komen – maar vervolgens zwakken ze die crisis toch weer af en houden ze de correlatiegedachte, waarbij de menselijke inbreng voor het bestaan van het verbond onmisbaar blijft , overeind.
B&K wijzen erop dat in Psalm 80 de teloorgang van de wijngaard Israël opvallend genoeg niet nadrukkelijk gekoppeld wordt aan Israëls falen, maar dat Israël de desolate situatie aan God voorlegt en uitziet naar verlichting.
Jezus heeft in zijn leven deze verwachting van Israël belichaamt; Hij staat niet tegenover Israël.
Bij mij roept dat de vraag op: en Johannes 15 dan? Die tekst wordt door B&K niet genoemd. In het hart van Israël, op het tempelplein, plaatst Jezus zich op niet mis te verstane wijze tegenover Israël: ‘Ik ben de ware wijnstok’ (Johannes 15:1). Ik haast me hierbij te zeggen dat Jezus bij de bron van Jakob tegenover de Samaritaanse vrouw staat en elk misverstand uitsluit: het heil is uit de Joden.
Johannes 4:22 (door B&K wel genoemd) blijft voor heidenchristenen essentieel. Elke vorm van verheffi ng boven de Joden is uit den boze.
Paulus sluit daarbij aan in Romeinen 11:18: ‘U moet goed bedenken dat niet u de wortel (van de olijfb oom) draagt, maar de wortel u.’ Het is diep beschamend dat de kerk uit de heidenen zijn roeping om Israël jaloers te maken zo ontstellend verzaakt heeft in de geschiedenis.
Als er einde gekomen zou zijn aan Gods trouw aan Israël, dan zou het toch zeker ook afgelopen zijn met de christelijke kerk uit de heidenen!
Vanuit Romeinen 11 opteren B&K voor een ‘olijfb oomtheologie’ of ‘inlijvingstheologie’. Jezus Christus representeert Israël en Hij verbindt de heidenvolkeren aan Gods verbondsvolk.
Maar voor alle duidelijkheid: het zal er dan toch om gaan dat we in Christus geworteld raken. Dat we met Hem begraven en met Hem opgestaan (Romeinen 6:4) en niet als proselieten opgenomen worden in het verbond.

Vervluchtiging
De terugkeer van het volk naar het land in 1948 kan je zien als hoopvol, concreet teken van Gods blijvende verbondstrouw aan Israël. En daarbij wordt ‘de landbeloft e vervluchtigd noch verhard’, zo concluderen B&K.
Dat laatste is het geval wanneer Israël een religieuze claim op het land legt, met veronachtzaming van de gerechtigheid en barmhartigheid die de Th ora vraagt. Geen verharding, dat betekent dat het met de Palestijnen aankomt op geven en nemen in het kader van geldend volkenrecht. Heldere taal.
Wat B&K echter met vervluchtiging van de landbeloft e bedoelen, is mij niet helder. ‘We moeten waken voor vergeestelijking, verbreding en vervluchtiging van wat God in alle concreetheid heeft toegezegd aan Abraham en zijn nageslacht’ (Genesis 17:8). Ook de landbeloft e ligt toch vast in Christus en vindt zijn diepste vervulling in Hem? En het is toch verheugend dat Paulus de heidenchristenen in Efeze bij het vijfde gebod mag wijzen op de bijbehorende beloft e: ‘Dan zal het u goed gaan en zult u lang leven op aarde’ (Efeze 6:3)?
Komt de vrees voor verbreding en vervluchtiging bij B&K niet voort uit het terzijde stellen van het verbond van Noach? In de paragraaf over het verbond hebben ze terloops een erg ongelukkige wissel genomen met de uitspraak: ‘Anders dan het noachitische verbond raakt het verbond met Abrham niet snel uit beeld’. Ook het verbond met Noach is blijvend en concreet en ligt vast in Christus!
B&K lijken in zekere mate verwachtingen te wekken over een toekomst van het nu levende Israël in het wereldgebeuren. Maar in het laatste hoofdstuk, over de laatste dingen, komen B&K niet op Israël terug in een of ander eindtijdscenario. Ze merken midden in het boek al nuchter en bescheiden op dat ‘wij niet over de schouder van God kunnen meekijken, hoe Hij mensen en volken beweegt en leidt’.

Jaloers
In het voorwoord geven B&K hun dogmatiek weer als vorm van contextuele theologie: vanuit de eigen huidige Europese context en voor de kerk en mensen in die context.
Daarom schenken ze in dit hoofdstuk geen aandacht aan de Palestijnse christen en christenen in de Arabische wereld. Heel kort wijzen ze wel op de Messias-belijdende Joden, die zo snel tussen de wal van Joodse orthodoxie en het schip van de kerk uit de heidenen vallen. Juist naar hen zullen we goed en met hoogachting moeten luisteren.
Het zwaartepunt van het christelijk geloof is verschoven naar volken in het zuiden en oosten van de wereld.
Dat maakt ons bescheiden. Hopelijk kunnen volkeren met een minder belastend verleden ten opzichte van Israël de Joden eerder jaloers maken en met meer vrucht! Dat is aan God.
Laat dat ons gebed en verlangen zijn.
In alle nederigheid.
Mogen wij ons met velen uit Israël en de volkeren uitstrekken naar de vervulling van al Gods beloft en, naar het Koninkrijk van God. Of om het dieper en concreter te zeggen: dat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer’. Tot eer van God, de Vader.

Ds. Henk Zuidhof is predikant van de NGK Urk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief