‘Je broer laten vallen, dat doe je niet. Nooit’
2013-02-09
Als jongste zoon in een groot Joods gezin in Den Haag leert Maurits Sanders op 18-jarige leeftijd Jezus kennen als zijn Messias. Op Goede Vrijdag 1888 wordt hij gedoopt. Ik ben zijn achterkleinzoon, maar heb deze zoon van Israël – ‘opa Sanders’ – nooit gekend. Hij stierf in 1944, tachtig jaar oud, twee jaar voordat ik werd geboren. Anno 2013 blik ik terug: wat is er in die 66 jaar met mijn kijk op Israël gebeurd? - Jaargang 57
- nummer 3
Mijn eerste herinneringen aan Israël zijn vaag en fragmentarisch. Als jongen van een jaar of tien logeer ik vaak bij mijn opa en oma Van Gurp in Scheveningen. Behalve de Sjors en Sjimmie’s lees ik er een oud boekje van Ida Keller over de opa van mijn moeder, ‘opa Sanders’, die als Joodse jongen rond 1882 christen wordt, ondanks fel verzet vanuit zijn familie.
Dat laatste vind ik erg, maar veel meer blijft er niet van hangen.
Thuis lezen we het Gereformeerd Gezinsblad, dat later Nederlands Dagblad gaat heten. Mijn vader stimuleert me al vroeg – ik ben dan een jaar of elf – de commentaren en buitenlandbeschouwingen van Jongeling te lezen.
Die zet de steeds weer oplaaiende strijd in het Midden-Oosten in het perspectief van de jodenvervolging door de eeuwen heen, de culminatie daarvan in de Holocaust en de noodzaak van een veilige plek voor de Joden in het land van hun vaderen. Die kijkrichting laat me nooit meer los.
Rond 1960 zit ik elke week aan de radio gekluisterd voor de NCRVhoorspelserie over Exodus, de roman van Leon Uris. ‘Laat mijn volk gaan’, heet één van de afleveringen. Via hoofdpersonen als Barak Ben Canaan en David Ben Ami hoor ik over de massale trek van de Joden vanuit het naoorlogse Europa naar Palestina en over de bizarre barrières die ze daarvoor moeten overwinnen, alsof ze niet net de Holocaust hadden overleefd. Ik leef mee met de bloedstollend spannende stemming in de Verenigde Naties in 1947 over het verdelingsplan dat moet leiden tot de staat Israël, wind me op over de laffe aanval van de Arabische landen (Goliath!) op het kleine Israël (David!) en juich mee over de wonderbaarlijke overleving van de Joodse staat. We hebben thuis nog geen tv als tussen 1960 en 1965 De Bezetting wordt uitgezonden, waarin dr. L. de Jong de kijkers meeneemt door de bezettingsjaren heen. Ik mag bij onze buren kijken en na de eerste afl evering wil ik er niet één meer missen. De systematische achteruitzetting, isolering en later uitroeiing van de Nederlandse Joden komt beklemmend dichtbij.
Als we daar thuis over napraten, vertelt mijn moeder – kleindochter van opa Sanders – hoe ze als 17-jarige kleuterjuf op school in Den Haag als enige van het personeel weigerde de Ariërverklaring te tekenen. Want ‘we hadden elkaar beloofd dat we dat niet zouden doen’. Daarop vroeg de gereformeerde voorzitter van het schoolbestuur haar ontslag te nemen.
Mijn stille, bescheiden moeder wordt in mijn ogen een heldin.
Kippenvel
Een sprong in de tijd. Juni 1967: Israël wordt aangevallen door de Arabische landen in wat de Zesdaagse Oorlog zal gaan heten. Maar in plaats van volledig van de kaart geveegd te worden, slaat Israël zijn vijanden ver terug. Ik doe die maand vakantiewerk bij een bank tegenover het stadhuis in Rotterdam.
Elke middagpauze loop ik over de Coolsingel naar het gebouw van het Rotterdams Nieuwsblad, waar steeds weer nieuwe vellen wit papier voor de ramen worden gehangen waarop in grote, zwarte viltstift letters het verloop van de strijd wordt gemeld. Nog steeds voel ik de emotie als ik terugdenk aan de momenten waarop er nieuwe papieren werden opgehangen. ‘Jericho bevrijd.’ En: ‘Bethlehem bevrijd.’ Kippenvel!
Het is oktober 1973. Ik word eindredacteur/ verslaggever bij de EO-radio.
Aan het eind van mijn eerste werkweek maak ik op de CGK-Jeugddag in de Barneveldse Veluwehal een reportage voor de actualiteitenuitzending op de late zaterdagavond. Als ik rond 18.00 uur thuis kom, belt buitenlandcommentator Aad Kamsteeg: ‘Wat doen we aan de oorlog in het Midden-
Oosten?’ Oorlog? Welke oorlog? Ik had de hele dag geen nieuws gehoord en de aanval van de Arabische staten op Israël, uitgerekend op Yom Kippoer, Grote Verzoendag, dus compleet gemist. Met kunst- en vliegwerk sleutelen we een uitzending in elkaar, die de maandag daarop (zoals toen gebruikelijk) wordt geëvalueerd door een EO-bestuurscommissie. ‘Gezien je onervarenheid was het geen slechte uitzending’, zegt ds. Glashouwer.
‘Maar ik heb wel de visie op Israël gemist.’ Wat is dat dan, die visie op Israël, vraag ik in mijn onnozelheid. Die visie (er was er bij de EO maar één) wordt mij vervolgens ten volle geopenbaard.
Voor het eerst in mijn leven hoor ik hoe er directe lijnen worden getrokken vanuit de oudtestamentische profetieën naar de vervulling ervan hier en nu in en rond Israël. En ook voor het eerst hoor ik dat Johannes de Heer al decennia vóór 1948 de stichting van de staat Israël vanuit de Bijbel voorspelde.
Dat maakt indruk!
Kort daarna wordt Nederland vanwege zijn steun aan Israël getroff en door een Arabische olieboycot. Benzine gaat op de bon, de zondag wordt autoloos, maar aan de stickers op veel auto’s kun je zien: ‘Wij staan achter Israël.’
Scenario
In mijn eerste EO-jaren ga ik een paar keer naar Israël. De plaatsnaamborden met ‘bijbelse’ namen geven me een gevoel van thuiskomen. Het meest onder de indruk ben ik van een bezoek aan de Graft uin. Meer dan op andere plaatsen denk ik daar: ‘Dit is echt, hier kan Jezus gelopen hebben.’ Jan Willem van der Hoeven preekt er over ‘ik ben de opstanding en het leven’ en wijst op het bordje met ‘He is risen’. Hier vind je Hem niet meer.
In diezelfde tijd verschijnt De planeet die aarde heette, waarin Hal Lindsey gedetailleerd schetst hoe profetieën uit Ezechiël, Daniël en Zacharia voor onze ogen vervuld worden, in het zich verenigende Europa en het Midden-Oosten. Op kaartjes laat hij gedetailleerd zien hoe de beslissende aanval op Israël volgens een in de Bijbel geschetst scenario in zijn werk zal gaan. Net als veel EO-collega’s word ik daardoor gepakt en in tal van radioen tv-programma’s leggen we ‘de Bijbel naast de krant en de krant naast de Bijbel’. Hal Lindsey en de zijnen zijn halverwege de jaren zeventig bij de EO niet weg te branden.
Ook buiten de EO ga ik ermee aan de slag. Collega Pee Koelewijn en ik ontdekken dat onze Nederlands-gereformeerde ds. L.W.G. Blokhuis deze visie deelt en we organiseren in mijn eigen NGK Voorthuizen een avond waarop hij spreekt. Blokhuis laat zien dat de Joden nog steeds ‘beminden om der vaderen wil’ zijn, dat Gods beloften voor hen ‘onberouwelijk’ zijn en dat bijbelse profetieën over Israël in de actualiteit van dat moment realiteit worden. Geweldig dat ik dat mag meemaken!
Egyptisch potje
In de jaren daarna raakt mijn nieuw gevormde Israël-visie aan het wankelen.
Veel van de voorspellingen van Hal Lindsey komen niet uit. Heeft de Bijbel dan geen gelijk? Of was het speculatie in plaats van profetie?
In 1977 gaat de Egyptische president Sadat op bezoek bij de Israëlische premier Begin en een jaar later sluiten ze vrede. Dat leidt tot een schisma in het kamp van de Israël-fans in en rond de EO. Sommigen benadrukken dat Israël volgens de Bijbel door alle volken zal worden gehaat en waarschuwen dat het akkoord tussen Begin en Sadat dus niet anders dan een valse vrede kan zijn. Anderen zijn er juist blij mee en diepen plotsklaps uit de Bijbel allerlei teksten op die voor Egypte een hoopvolle toekomst profeteren.
Toen Egypte in de jaren daarvoor nog een vijand van Israël was, heb ik die teksten nooit horen citeren en ik vind het een rare en selectieve manier van omgaan met de Bijbel dat op dit Egyptische potje opeens een profetisch dekseltje blijkt te passen.
Rond 1980 organiseren Meindert Leerling, Aad Kamsteeg en ik een conferentie met sprekers die heel verschillende verbindingen leggen tussen de Bijbel en Israël: De Jong, Douma, Ouweneel, Graafland. Onze inzet is om uit de sfeer van wederzijdse verkettering te komen en bij een open Bijbel het gesprek te voeren. Dat blijkt razend moeilijk, omdat sprekers en deelnemers allemaal met hun eigen bril op de Bijbel blijken te lezen.
Het wordt 1982. In de Libanese vluchtelingenkampen Sabra en Shatila worden honderden Palestijnse mannen, vrouwen en kinderen afgeslacht door Libanese ‘christenstrijders’. Het Israëlische leger onder leiding van Ariël Sharon kijkt met opzet de andere kant uit. Met Jan van der Graaf, Willem Ouweneel en Wim Velema maak ik er een uitzending van Deze Week over. Hun kritiek op de rol van Israël is vlijmscherp. De Bijbel gaat dit keer open bij die plaatsen in het Oude Testament waar wreedheid in de strijd wordt veroordeeld en onrecht onder profetische kritiek wordt gesteld.
De uitzending valt slecht bij de EOleiding: we hebben Israël in de steek gelaten en voedsel gegeven aan Israëls vijanden. Daar snap ik niks van: we hebben de feiten laten spreken en in de Bijbel gelezen wat God daarvan vindt. Moeten we ze dan allebei – de feiten en de Bijbel – verdraaien en ze in een ideologische mal persen?
Twee kanten
In de jaren daarna ga ik steeds meer naar twee kanten kijken. In radioprogramma’s stel ik de ideologie van Arafats Palestijnse bevrijdingsorganisatie aan de kaak, die Israëls recht van bestaan blijft ontkennen en de Joden de zee in wil drijven. En ik signaleer hoe dat besef wereldwijd én in Nederland gevaarlijk vervaagt. Tegelijk maak ik me kwaad over de manier waarop Israël keer op keer kansen op ‘vrede in ruil voor land’ voorbij laat gaan en onnodig hard reageert op Palestijnse protesten. Vaak citeer ik een uitspraak van historicus Jaap Schaeffer: ‘Je blust een vuur niet door erop te schieten.’ De ‘Groot-Israël-gedachte’, die Judea en Samaria beschouwt als door God beloofd gebied en de ‘bezette’ gebieden dus als ‘bevrijde’ gebieden ziet, beleef ik steeds meer als een ideologie die de Bijbel selectief gebruikt, en als een sta-in-de-weg voor vrede.
Ook in latere jaren blijf ik over Israël met twee woorden spreken. Aan de ene kant word ik boos over de pesterijen van Israëlische autoriteiten tegen Palestijnse inwoners en over onrecht dat hun wordt aangedaan. Aan de andere kant maak ik me bezorgd nu de ring van Israëls vijanden (Gaza, Morsi’s Egypte, Iran) zich steeds nauwer om de Joodse staat heen sluit. En ik zie de machtiger wordende extreme islam in het Midden-Oosten als een geduchte bedreiging voor Israël. Wakker worden, wereld!
Bloedverwanten
Staat, politiek en volk vallen voor mij echter niet samen. Terwijl ik toenemende moeite krijg met de politiek van Israël, wordt de band met het Joodse volk sterker. Het zijn mijn jongere broers Ruud en Erik die me in de jaren tachtig en negentig bewust maken van die band. Ze doen elk op eigen wijze onderzoek naar hun en mijn Joodse wortels.
Ruud schrijft er een theologische scriptie en een boek over: Israël niet te vergeten. Erik schetst in De schoenmaker en zijn leest de bekeringsgeschiedenis van Maurits Sanders en zijn jarenlange inzet vanuit de Gereformeerde Jodenzending in Den Haag om zijn ‘broeders naar het vlees’ met het Evangelie van Jezus Christus te bereiken. Eriks boek sluit af met een verbijsterend lange gedenklijst met namen en transport- en sterfdata. Het zijn de 150 namen van familieleden van opa Sanders – neven en nichten met hun partners, kinderen en kleinkinderen – die zijn gedood in de vernietigingskampen van Auschwitz en Sobibor: Sanders, Van Rijs, Kosman, Vreeland, Velleman, Rofessa, De la Fuente, Van Spier, Goldsmit, Musaph, Englander, Van Gelderen, Witteboon, Friedmann.
Die lijst laat me niet meer los. Dat het verre bloedverwanten zijn die werden vergast, brengt de Holocaust dichter bij me dan daarvoor. En het maakt me er scherper van bewust: ook in mijn bloed ben ik met dit volk verbonden.
Of ik wil of niet, van die bloedband kom ik niet los. Maar daarnaast is er de geestelijke band waarover de Bijbel spreekt. Bepalend voor mijn kijk op Israël worden steeds minder de oudtestamentische profetieën en steeds meer Paulus’ woorden in Romeinen 9-11. Van daaruit gaat het beeld van Israël als mijn oudste broer steeds sterker spreken. Israël en de gemeente van Christus: broers van elkaar, oorspronkelijke en geënte takken op de olijfboom.
Als hij dingen doet die niet deugen, zeg je je broer klip en klaar de waarheid.
Liefde maakt niet blind, maar ziet juist scherp, ook als het om Israël gaat. Het Joodse volk is en blijft mijn oudste broer, wat hij ook doet. En als je broer wordt aangevallen, spring je voor hem in de bres. Want je broer laten vallen, dat doe je niet. Nooit.
Ad de Boer is lid van de NGK Voorthuizen/ Barneveld en redacteur van Opbouw.