De moeilijke vraag naar het ontstaan

1974-04-12
  • Jaargang 18
  • nummer 15
• Hoe komen wij óver?

Misschien zie ik het wat somber, maar ik krijg vaak de indruk, dat wij - kerkelijk gesproken - wat verlegen zijn met onszelf.
Na de spanningen, de verdrietelijkheden en de vreugden van het begin komen we nu aan de tijd toe, waarin we onszelf vragen gaan stellen.
Wat zijn we kerkelijk eigenlijk?
Wat voor zin heeft ons kerkelijk bestaan?
Daar hebt u een paar van die vragen.
Vaak komt zo'n vraag op naar aanleiding van een simpel gebeuren.
Iemand vraagt ons bijvoorbeeld naar ons kerklidmaatschap.
Wij vinden "gereformeerd-vrijgemaakt"
voor die welwillende vrager al moeilijk genoeg. Maar dan meent hij te mogen vaststellen, dat we dus ,(!) van dezelfde kerk zijn als ... (en dan volgt de naam van een "binnenverbandse" broeder).
Ja, dan moeten we gaan uitleggen, dat er ook binnen de vrijgemaakte kerken weer een scheuring is gekomen. En vervolgens waarom die scheuring er kwam.
Misschien zeggen we dan iets over tuchtmaatregelen tegen ambtsdragers, die zich afvroegen, of het fundament van de Nederlandse Gereformeerde Kerken ook samenvalt met het fundament van de heilige algemene christelijke kerk, en die niet konden aanvaarden, dat de bedding van Christus' kerkvergaderende aktiviteit via de vrijgemaakte kerken loopt. En dat wij noch die tuchtmaatregelen noch de manier waarop ze van "hogerhand" werden doorgezet konden en mochten aanvaarden. En dat wij vanwege die "onwil" tenslotte ook "buiten verband" zijn gezet of geraakt.
Maar hoe we het ook vertellen, we merken in de meeste gevallen, dat ons verhaal niet "óverkomt".
Men begrijpt niets van de binnenverbandse ijver. Maar ook weinig of niets van die merkwaardige buiten verbanders, die het om zulke vreemd-splinterige kwesties toch maar op een breuk lieten aankomen!
Waren zij niet te hoog en te koppig om in dit konflikt "de minste" te zijn?
Telkens moeten we konstateren, dat onze kerkelijke visitekaart voor ànderen - ook al zijn ze welwillend! - maar moeilijk leesbaar is! En dan slaat het soms zomaar op onszèlf over! Ja, wat zijn we nu eigenlijk? Wat zijn we in en voor onze omgeving?
Daar komt nog iets anders bij.

• De negatieve indruk

De geschiedenis van de breuk laat zo gemakkelijk een negatieve indruk over de "buitenverbanders"
achter. We hebben "Neen" gezegd tegen bepaalde tuchtmaatregelen. Jawel, maar hadden wij zelf dan soms een uitgewerkte theorie over de plaats van de vrijmaking in Christus' kerkvergaderend werk? En hadden wij zelf dan soms een uitgesproken opvatting over de preciese relatie tussen Gods Woord en de belijdenisgeschriften? Neen, die hadden we niet! Natuurlijk voelen we best, dat je geen speciale theorie nodig hebt om ergens om Christus' wil "Neen" tegen te kunnen zeggen. Maar daarmee is de moeilijkheid de wereld niet uit.
Men kan met recht zeggen, dat ons "Neen" op zichzelf niets zegt over ons standpunt. Hoe werken we dat "Neen" uit in het positieve?
Het lijkt wel, of de duidelijke kleuren aan de binnenverbandse kant te vinden zijn, terwijl wij de pasteltinten overhouden. En weer slaat deze vraag soms zomaar op onszèlf over. Ja, wat zijn we nu pósitief?

• Geen goedkope oplossing!

Soms voelen we de neiging onze ontstaansgeschiedenis met geweld tot een duidelijke zaak te máken.
Daartoe kiezen we dan een "motto" dat aanspreekt. Bijvoorbeeld "Vrijheid"! Vrijheid... van de binding aan een vrijmakingsleer, van (onkerkelijke heerschappijvoering!
Maar dat lost in werkelijkheid niets op. "Welke vrijheid bedoelt u?", zo kan men vragen. Die van Luther of die van het Humanisme?
Is het de vrijheid om uniet gehinderd door menselijke "tusseninstanties" - voor Gods aangezicht te stellen en u nederig voor Hem te buigen? Of is het de vrijheid van een mens, die zichzelf een veel te edel raspaard waant om wèlk zadel of juk ook te dragen? Vrijheid vór God of - ten diepste - vrij heid vàn God en zijn Woord?
Kijk, dan moeten we weer aan de slag om ons "duidelijke" motto te verklaren! De eenvoud en de duidelijkheid zijn maar schijn!

• De man bij het schilderij

Iemand zei eens: "Jullie kerkelijke geboortegeschiedenis is net als Daar komt nog iets anders bij. een modern schilderij. Je moet er een mannetje bij zetten om voortdurend uit te leggen wat het eigenlijk voorstelt".
Daar kun je even om lachten, maar niet van harte!
Natuurlijk, als we de kans krijgen - maar dat gebeurt niet al te vaak! - dan kunnen we het werk van de uitlegger verrichten. Daarbij komen we wellicht tot een voortreffelijke beschrijving. Maar het is ontzettend moeilijk om de dingen kort en bondig een naam te geven. De feiten missen een duidelijke “sprake"; het is ons bijkans onmogelijk ze bondig te benoemen; de luisteraar voelt zich maar weinig aangesproken. De man bij het schilderij! En daarom zijn we vaak met onszelf verlegen.

• Geboorteakte en reisbiljet

Voordat we nu medelijden met onszelf gaan krijgen zou ik de vraag willen stellen, of we vanwege een gebrek aan nederigheid niet meer moeite te dragen hebben dan God ons te dragen geeft.
Sedert de vrijmaking zijn we eraan gewend geraakt onze vrijgemaakt-
kerkelijke geboorteakte tegelijk als een reisbiljet te zien. Ik bedoel dit: De rechtmatigheid van' onze kerkelijke keus werd tot de ene en grote bron van onze bestaansvrijmoedigheid, tot een spoorkaartje waarvan het geldigzijn zonder meer en stééds in de trein van de geschiedenis moest worden erkend. We raakten vreselijk van streek als de één of andere kondukteur van mening was, dat we op dit kaartje niet konden reizen. Er ontstond ten laatste een grote verbittering tegen al wat in eigen kring ook maar op een "devaluatie" van geboorteakte en reisbiljet schéén te lijken. De kerkelijke "zaaksgerechtigheid" stond als een wachter aan de ingang van èlk gesprek. Alles werd gezet op deze ene (spoor)kaart. En daarom liep het gesprek in feite ook dood.
Moeten we niet eenvoudig de HERE danken, als onze geboorteakte voor onszèlf duidelijk is?
Zonder dat we die duidelijkheid aan anderen opdringen? Zonder dat we elke kondukteur bij voorbaat dwingen déze kaart te knippen?
Het is de goede orde, dat de discipelen ook nu allereerst "christenen" worden genoemd (Hand. 11 : 26). Aan hun geloof in Christus, hun vertrouwen op Hem, hun liefde tot Hem en zijn gemeente, kortom: aan de volheid van het christelijke leven, zijn ze te kennen en moeten ze ook te kennen zijn. Wanneer dàt de "buitenstaander" pakt, dan wordt ook de sfeer geboren waarin een gesprek over de bizonderheden van onze kerkelijke geschiedenis vruchtbaar is. Van het centrale naar het bizondere!
Waarom verplichten we de mensen naar ons toe te stromen vanaf de "tuit-kant van de trechter"?
We hebben bij ons ontstaan als "aparte" kerkengroep geen positieve "image" meegekregen. Dat is de betrekkelijke armoede van onze ontstaansgeschiedenis. Maar dat behoeft helemaal niet te leiden tot een geestelijk-arme bestaansgeschiedenis!
Zelfmedelijden zou niet op nederigheid maar op teleurgestelde hoogmoed berusten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief