De moeilijke vraag naar het bestaan
1974-04-19
Ook de vraag naar het eigen kerkelijk bestaan van de "buitenverbanders" - naar de hoedanigheid en naar de zin daarvan - kan ons soms veel moeite geven! Vooral omdat die vraag meestal niet in een afgemeten neutrale deftigheid maar in een duidelijk uitdagende vorm op ons afkomt. We worden uitgenodigd - om niet te zeggen: geprèst - ons als kerken "waar te maken"!- Jaargang 18
- nummer 16
En we zijn terneergeslagen als dat zo één-twee-drie niet lukt.
Nu is het altijd verstandig een vraag eens even rustig te bekijken.
In welke gestalte komt ze op ons af? In welk gedachten patroon hoort die vraag eigenlijk thuis?
Wat is haar achtergrond?
Als we de rust voor dat onderzoek missen, dan dreigen we in ons kerkelijk bestaan al gauw te gaan lijken op de golf der zee van Jacobus (1: 6).
• Weekblad en kerk
Kort geleden werd voor de televisie een nieuw weekblad aangekondigd. Natuurlijk behoorde een uitgebreid interview met de hoofdredakteur daarbij tot de onvermijdelijkheden.
U begrijpt wel welke "hamvraag" hem gesteld werd. "Er zijn al zo veel weekbladen!
Wat denkt u nog aan nieuws te kunnen brengen op de lezersmarkt? Hebt u werkelijk iets eigens te bieden?". Op die vraag antwoordde de hoofdredakteur uiteraard, dat alle andere bladen, hoe voortreffelijk ook, juist dat ene kleine en fijne puntje misten, dat de lezers tot een volheid van tevredenheid zou kunnen brengen. En dáárin zou zijn nieuwe blad voorzien!
De gedachtengang is eenvoudig: Een nieuw blad heeft bestaansrecht als het iets nieuws brengt, als het een léémte aanvult, als het een lege plaats - kerkelijk gezegd: een "vacature" - vervult.
Anders had het er maar beter niet kunnen zijn!
Vervang nu "weekblad" door "kerk" en "lezersmarkt"door "kerkelijke markt" en u hebt de vraag naar ons kerkelijk bestaan, zoals die meestal op ons afkomt.
Het is altijd ... eer de vraag naar onze "specialiteit". Welke leemte denken wij te kunnen aanvullen?
Welke "vacante plaats" nemen wij in in het geheel van de kerkelijke wereld?
Reken maar dat die vraag bij onze mensen blijft haken! Hoe vaak gaan ook wij leven bij de gedachte, dat we ons bestaansrecht hebben te ontlenen aan een "spécialité de la maison", aan iets dat èlders beslist niet gevonden wordt.
Ik ben ervan overtuigd, dat de sterke vernieuwingsdrang, die zich ook bij ons doet gelden, voor een déél (ik druk me met gepaste voorzichtigheid uit) aan deze gedachte is ontsproten.
"Men moet iets nieuws zijn Of ... men kan er maar beter niet zijn!"
Ik heb meer dan eens iemand horen zeggen, dat dit of dat nota bene nog net eender was als vóór de breuk in onze kerkelijke gemeenschap!
Dat was op zichzelf al méér dan bedenkelijk! Ook hier de grote angst voor de kerkelijke overbodigheid. En de gedachte dat die overbodigheid slechts door iets-nieuws-op-allefronten kan worden voorkómen of weggewerkt.
"Welke vacature vervult u?" Ja, dat is de gestalte, waarin de vraag naar het kerkelijk bestaan op ons afkomt. En waarin ze onder ons heel wat verontrusting te weeg brengt.
In welk gedachtenpatroon hoort deze vraag nu eigenlijk thuis?
• Een oud liedje in nieuwe toonzetting
Ik moet vaak denken aan een bepaalde uitloper van de bekende en beruchte pluriformiteitstheorie.
Ik heb dan speciaal op het oog de gedachte, dat de diverse kerkgemeenschappen te vergelijken zijn met verschillend gekleurde bloemen, die samen de ("grootkerkelijke") ruiker vormen.
In deze gedachte wordt de gebrokenheid tot veelkleurigheid.
Een kerkscheuring, die natuurlijk zijn nare kanten heeft, wordt uiteindelijk toch een positieve faktor in de kerkelijke ontplooiing en ontwikkeling. De kerkgemeenschappen zijn "collega's", die elkander met de eigen kleurrijkdom aanvullen.
Een liefelijk tafereel!
Je kunt echter bijna met je klompen aanvoelen, dat het niet ècht is!
Bij de breuk in het kerkelijk leven stond men voor de vraag hoe men de Goede Herder had te volgen.
Men stond voor de wáárheidsvraag.
En dat is en blijft iets anders dan de vraag naar een nieuwe kleur-variant! Men onderging de gebrokenheid van de Avondmaalsgemeenschap. En dat is en blijft iets anders dan "de verscheidenheid der tinten"!
Het bloem-ruiker-beeld maakt juist de roepstem van de Goede Herder tot een kleurloze en krachteloze zaak. En het vertekent liefelijk-brutaal de historische werkelijkheid. En daarmee geeft het een vals beeld van de verhouding tussen de verschillende kerkformatiesl We moeten oppassen, dat we niet - uit aversie tegen kerkistische hoogmoed - in dit onware straatje terechtkomen!
Maar ziet u wel, dat de vraag naar onze eigen kerkelijke "specialiteit", naar het nieuwe dat we te bieden hebben, precies past in die bloem-ruiker-gedachte?
Een kleurige ruiker kan misschien "rood-verzadigd" zijn, terwijl er nog vraag is naar blauw. Welnu, welke kleur hebt u te bieden in het bloemengeheel? Bent u een waardevolle collega-bloem, die iets kleur-eigens aan de ruiker toevoegt?
Een kerk is geen weekblad! Ook geen bloem in de ruiker! De vraag, zoals die ons gesteld wordt, berust op een volslagen vertekening van de verhouding tussen de kerkgemeenschappen!
Misschien hebt u de gedachte, dat zo'n argeloze vragensteller van vandaag toch moeilijk familie kan zijn van die deftige pluriformiteitstheoreticus van vroeger. Maar waarom niet? Tenslotte zijn de hagedis en de krokodil ook nog familie van elkaar! Die oude theorie-
man heeft voorbereidend denkwerk gedaan. Hij heeft ervoor gezorgd, dat de waarheidsvraag werd vervangen door de economische vraag: Wat hebt u te bieden? Wat voor nieuws brengt u aan de markt? En de man van tegenwoordig stelt de marktvraag in alle argeloosheid.
Zonder ook maar te beseffen, dat er wel eens iets overgeslagen kon zijn!
En wij? Wij dreigen er vaak even argeloos in te vliegen!
ril Geen paniek!
Onze hoogste Meester ging nooit argeloos in op de vragen, die men Hem stelde - Zie Luk. 12: 13-21, 13: 23-30 en vele andere plaatsen. Hij corrigeerde vraag en vrager. Zouden de leerlingen van vandaag ook hierin niet beter het beeld van de Meester moeten vertonen?
Een vorige maal hebben we al gezien, dat het ontzettend moeilijk is een "buitenstaander" echt te interesseren voor de waarheidsvraag en voor de historische werkelijkheid.
Hier kunnen we niets forceren!
Maar daarom behoeven we ons zèlf nog niet van ons "apropos" af te laten brengen!
Een rustige kritische beschouwing van de vragen die men ons stelt zou als vrucht opleveren, dat we wat minder nerveus en wat minder geforceerd gaan leven.
Natuurlijk zijn we hiermee nog niet van de bestaansvraag af. Een volgende keer hoop ik één en ander wat meer uit te werken in pósitieve richting.