TWEELUIKJE
1974-04-26
HET BIDPRENTJE- Jaargang 18
- nummer 17
Nu waren we zo ver, dat we het oorspronkelijk aan KS toegeschreven vers hebben teruggebracht tot een gedichtje van Guido Gezelle. En wel een vers op een bidprentje voor het echtpaar A.V. en D.V., in 1888 overleden. Het bestond niet uit een maar uit twee coupletten, zo meenden we. En het was een vriendelijke lezer, die me de juiste tekst toespeelde.
U hebt dat verhaal verwerkt en meent over te gaan tot de orde van de dag? Misgerekend.
Een andere vriendelijke lezer hielp ons nog veel verder. Die schreef me: de beide coupletten zijn ontleend aan een "zielgedichtje" van Guido GezelIe, gemaakt voor de "doodprenten" van twee zijner parochianen, die in November 1886 hun diamanten huwelijksfeest hadden mogen vieren. In Februari 1887 was de man overleden, in April 1888 de vrouw.
En nu blijkt pastoor Gezelle in 1887 een bidprentje te hebben gemaakt voor de man - het tweede was voor de vrouw. Laten we beide gedichten samen nog eens lezen, het ene voor het eerst, het andere bij vernieuwing:
1887
De jubelkroon
zoo frisch en schoon
ons om de kruin gewonden
heeft korts de dood
met felheid groot
gebroken en geschonden.
Doch neen, ze 'n kan
de kroone van
de onsterflijkheid niet schenden,
die ons te gaar
zal kronen, waar
geen blijdschap meer zal enden.
De jubelkroon, waar het eerste couplet van spreekt, slaat dus op het diamanten huwelijksfeest. Een tijdelijke en breekbare kroon. Gebroken en geschonden door de dood.
Maar de dood, zegt Gezelle, kan die andere jubelkroon: die van de onsterfelijkheid, niet aantasten. Deze is weggelegd voor wie God liefhebben.
In de eeuwige blijdschap. En die "eeuwige jubelkroon" heeft het echtpaar in 1888 gevonden, toen beiden door de dood herenigd werden:
1888
Gelukkig paar,
die met malkaar
in 't huwelijk verbonden,
de jubelkroon
die eeuwig schoon
zal blinken, hebt gevonden!
Op de aarde was
als ijdel glas
uw blijdschap licht om schenden;
maar nu en kan
de vreugde van
de bruiloft niet meer enden!
U ziet dat de twee paren coupletten bijeen behoren: hetzelfde ritme, dezelfde beelden; het ene paar grijpt op het andere terug. Fijn, wanneer lezende vrienden of vriendelijke lezers ons samen vooruithelpen.
En waar haalt zo iemand dat nu weer uit, denkt u? Uit de eerste jaargang van dit eigenste blad. Daar heeft prof. dr J. Bosch de historie van "Op aarde was" volledig uit de doeken gedaan; het facsimile van Schilders variant is er zelfs bij afgedrukt.
DE OUDE WIJZE UIL
Van een broeder ontving ik een brief met de volgende wijze inhoud:
"Hoevele en hoe groot mijn ellendigheden en gebreken ook zijn mogen, nog nimmer in mijn leven heb ik mij bezondigd aan het schrijven van ingezonden stukken. Hoewel mijn vingers daartoe wel eens gejeukt hebben. Ik hoop er mijn verdere levensdagen ook voor bewaard te blijven. Slechts wil ik mij in het onderhavige geval wagen aan een enkele kanttekening bij de ontboezeming van D.W.L.M. over “the old owl".
Het rijmpje over deze oude uil zag ik dezer dagen voorgesteld als het summum van wijsheid. Zo iets als een zaligspreking van Willem de Zwijger ... Maar Vader Willem, de zwijger zogezegd, heeft op bepaalde momenten en in bepaalde situaties toch ook wel eens gesprókenzo indrukwekkend, dat hij bepaalde lieden onder zijn gehoor bijkans een beroerte bezorgde ...
Er ligt tussen wijsheid en dwaasheid nog altijd een tussenstation. Dat station heet de domheid. Als in een vergadering, waarin de dwazen de wijzen aanblaffen, de domme zijn mond houdt, zou hij volgens het recept van de oude uil (c.q. DWLM) tot de wijzen gerekend moeten worden. '. Maar zie, de zwijgende man is en blijft alleen maar een domme, die slechts voor de uiterste dwaasheid van spreken bewaard blijft.
Hoe oud het rijmpje over the old owl ook zijn mag, en hoe belegen deze wijsheid ook zijn mag - er is in elk geval nog een wijsheid van ouder datum, nog meer belegen:
"Denkt aleer gij spreekt en doet-
en áls gij spreekt en doet, denkt dan nog!"
Tot zover mijn wijze broeder, die geen last beeft van de neiging tot het schrijven van ingezonden stukken (naar men zegt zou dat trouwens een psychische afwijking zijn) maar die wel eens jeukende vingers heeft.
Zijn jeukende vingers timmerden het voorgaande op bekwame wijze uit zijn goed gebruikte schrijfmachine. En met een variant op de Genestet hoor ik hem denken: het briefken heeft zijn plicht gedaanspore het u tot denken aan! Jawel. Want het Drieluikje van 5 april bevatte niet alleen het versje van "K.8.", maar tevens dat van de wijze oude uil. En mankeerde aan het ene een dosis wijsheid, ook het tweede is niet onopsprekelijk zouden de vaderen zeggen.
Wat zei het versje van de oude wijze uil? Hoe meer de uil zag, des te minder sprak hij. En hoe minder hij sprak, des te meer vernam hij.
Deswege werd de rethorische vraag gesteld: zouden we die uil maar niet tot voorbeeld nemen? Wat minder zeggen? Wat meer luisteren?
Daar zit natuurlijk het nodige in. Ook Jacobus zei iets als: ieder mens moet snel zijn om te horen, langzaam om te spreken. En wie alleen maar kan spreken, nooit kan luisteren, dreigt een vrij waardeloze rol te spelen in het intermenselijk verkeer. Tot zover kunnen we de uil wel volgen.
Maar wat deze oude wijze broeder in het eerste ingezonden schrijven van zijn leven mag komen op te merken is ook niet voor de poes. Hij wijst erop, dat er momenten kunnen zijn, waarop spreken gebóden is.
Zelfs Willem de Zwijger (dat was overigens een naam, die meen ik speciaal zijn vijanden hem gaven) heeft bij tijden indrukwekkend gesproken.
En het is dom, wanneer de kans om iets verstandigs te zeggen verzuimd wordt. Onder de leus van "spreken is zilver, zwijgen is goud" wordt natuurdijk ook wel eens domheid gecamoufleerd. Want zwijgen, onder het mom van wijsheid, is een gemene zaak. Die een mens medeplichtig kan maken aan de gesproken dwaasheid van anderen.
Maar onze ingezonden-schrijver kan gerust zijn. Wanneer de les van de oude wijze uil door iedereen opgevolgd werd, zou iedereen zwijgen.
Dan zou de wijze oude uil niets meer vernemen. Dan zou zijn zwijgen hem dus niet meer vooruithelpen. Dan zou hij gedwongen zijn, zelf het eeuwig zwijgen te verbreken. En zo keert elke wal elk schip.
De laatste wijsheid terzake moge van Salomo komen. "Zelfs een dwaas die zwijgt, zei deze, gaat door voor wijs; als hij zijn lippen gesloten houdt, voor verstandig". Gelukkig voor hem, dat onze ingezonden broeder zich tot "de uiterste dwaasheid van spreken" begeven heeft.
Hij is wijs. En hij wil het wel weten ook.