Een irreguele dogmaticus?
1974-05-10
Mijn Amsterdamse leermeester, ds. S. G. de Graaf, hield ons steeds voor dat wanneer je iets van de geesten wilt opsteken, je beter één boek van de persoon in kwestie zelf kunt lezen, dan tien over hem.- Jaargang 18
- nummer 19
Dit geldt in het bijzonder voor oorspronkelijke geesten als Noordmans.
Eén van de prettige dingen in zijn boeken b.v. Het koninkrijk der hemelen, Herschepping, Zondaar en Bedelaar, Gestalte en Geest, is, dat je bij lezing er van niet wordt gehinderd door allerlei, geleerdheid uitstallende, noten en verwijzingen onder aan de pagina of aan het eind van het boek.
Toch word je al gauw gewaar dat de schrijver een belezen man is, die niet alleen thuis is in de werken van de grote theologen, maar ook de gedachtenwereld van de wijsgeren, en de literatuur van zijn dagen kent.
Je komt in de tekst wel eens een verwijzing of een citaat tegen, maar dit is niet storend voor een rustig verwerken van de gedachten van een schrijver, die ook zo één en ander uit zichzelf weet.
Zoals ik al schreef werd uit de publicaties van Noordmans al gauw duidelijk dat deze 'dorps-dominé' iets te zeggen had onder de theologen.
Dit was opvallend daar Noordmans plannen voor de doctorale studie heeft laten liggen.
G. Puchinger liet in Woord en Dienst van 17-7-'71 de dankrede afdrukken, die Noordmans bij zijn ere-promotie in Gronigen uitsprak; hij zei daarin o.a.:
"Mijn doctoraal examen sloeg ik over. Ik verzoek de jongeren hieraan geen voorbeeld te nemen.
Het is niet de kortste weg om naar het doctoraat te promoveren ..
Ik liet niet de studie, maar wel de handboek studie varen en wendde mij tot de grote wereldlijke en kerkelijke schrijvers."
Nu heeft de weg van zelfstudie in elke wetenschap zijn risico's, waaraan ook Noordmans niet helemaal ontkomen is, ondanks de opmerkelijke resultaten, die algemeen respect hebben gevonden.
Noordmans is niet de enige, die deze weg is gegaan en laat nu niemand minder dan Karl Barth in zijn dogmatiek onderscheid hebben gemaakt tussen wat hij noemt regulaire en irregulaire dogmatiek!
Het ligt dan ook voor de hand dat in twee dissertaties, die over het werk van Noordmans zijn geschreven, de in deze artikelen al genoemde van dr. G. J. Paul en in 'Geest en Kerk' van dr. F. Haarsma de omschrijving van Barth op de theologie van Noordmans wordt toegepast.
Zo schrijft Haarsma op pag 11, dat de kenmerken die Barth noemt op verrassende wijze van toepassing zijn op Noordmans' theologie: ,.geen streven naar volledigheid en directe bruikbaarheid voor het theologisch onderricht. niet steeds zich rekenschap gevend van haar methode en de toepassing daarvan, fragmenta
Belevenissen met Dr O. Noordmans
risch in haar thema's en selectief in de bijbelse en dogmahistorische fundering, het onderscheid tussen dogmatiek slechts ten dele in rekening brengend, in de keuze van de stof tenslotte sterk bepaald door de actuele gebeurtenissen". (Met excuss voor al de vreemde woorden v.d.K.) Zonder te ontkennen dat verschillende onderdelen in deze beschrijving op Noordmans van toepassing zijn, ben ik toch niet weg van deze indeling; onder verwijzing naar een vorig artikel zou je zeggen: Nu zit hij ook al in zijn theologisch hokje!
Hoewel de toepassing van de omschrijving van Barth zonder twijfel zijn bedoeld als een eerbewijs komt het bij mij over als een minzaam knikje van de 'koningin der wetenschappen', dat niet helemaal vrij is van zelfhandhaving.
Voor mij blijft Noordmans een man die niet in een hokje past.
Daarom ben ik mij er ook van bewust, dat wanneer ik in deze artikelen een poging waag iets van het eigene in zijn werk te laten zien, dit van fragmentarische aard en wellicht aanvechtbaar is.
Om zo voorzichtig mogelijk te werk te gaan lijkt het mij goed nu Noordmans zelf het woord te geven en daarom citeer ik het begin van de eerste meditatie in het boek Gods Poorten over Psalm 24: 4 (berijmd) "Bij deze psalm heb ik een oude schuld staan, die ik nu wil afdragen.
Soms slaat plots het uur, dat men zijn dank kan afbetalen.
- Het was op één der eerste dagen van April 1877, dat ik aan de hand een zes jaar oudere zuster, die nu reeds lang met Gods engelen Zijn aangegezicht aanschouwt, één mijner I eerste schoolgangen maakte.
Lezen kon ik nog niet en toch moest ik die morgen het vers van buiten kennen. Toen voegde de psalm, terwijl wij op de landweg voortgingen zich bij ons. Hij wandelde als een derde met ons mee, zoals Jezus met de Emmausgangers. Hij woei om ons heen, zoals de Heilige Geest om de discipelen op het Pinksterfeest. De woorden wisselden van mond tot mond, weg en weder, tot de psalm inwendig in mij woonde en mijn memorie en verstand het rhytme hadden overgenomen, waarin hij zelf, bij het drijven van de Geest geboren was. Daarna gingen wij zwijgend ter schole. De schrijver was zes jaar oud, toen hij met zijn zuster op de landweg naar school liep.
Het verwondert mij niet dat de man die deze woorden schreef, wat moeite had bij de theologische studie.
Moeiten, die niet voortvloeien uit een gebrek aan intelligentie, maar van eigen aard waren bij iemand die niet alleen met zijn hersens maar ook met zijn gevoel, beter misschien met heel zijn hart dacht en een fijne intuitie had voor het werk van de Geest van God in deze wereld.
Hiermee kom ik tot een volgend citaat uit Herschepping pag. 199: "De Heilige Geest in de gemeente is een onderpand, een voorlopigheid, met het oog op de hemelse erfenis. - Het leven op zichzelf is geen mogelijkheid.
Van alle kanten ziet ons geslacht het apocalyptisch grijnzen van de dood. Er is geen vlucht uit het Evangelie in het ras mogelijk. Leven is alleen mogelijk als een ascetische ontspanning van geloof in gemeenschap des Heiligen Geestes. Alleen in de kerk heeft het nog een toekomst op aarde tot de wederkomst van Christus. De heilige Geest is het geheim van het leven der gemeente. Haar leven houdt niet op geloof te zijn. - Maar deze levensmogelijkheid is een beperkte, relatieve en geen absolute. Zich uitleven op elk levensterrein, het z.g. 'volle' leven van een moderne, ook moder-calvinistische en cultuur-ethische wereld, is een goddeloosheid. Het Puritanisme is geen door de cultuur achterhaald standpunt, maar een diep inzicht in de natuur van het leven. 'Leven' is ook een critisch, bijbels, christelijk begrip".
De lezers zullen na deze citaten naar mij voorkomt graag bevestigen dat men beter iets van iemand dan over iemand kan lezen.
Typerend voor leven en werken van Noordmans lijkt mij dat bij hem alles stond onder de spanning van een leven in heiligmaking uit d Geest, als een vooruitgrijpen op de voleinding in heerlijkheid. Vooral in zijn meditaties tekent hij zo treffend de werkelijkheid van het koninkrijk der hemelen, waarin laatsten de eersten zijn en de verloren zoon een ring aan de vinger krijgt.
De verwachting in het christelijk leven is niet het najagen van droombeelden over een betere wereld, die in onze harten zijn opgekomen.
Neen, uit de ervaring van de werkelijkheid van het gekomen koninkrijk waarin men smaakt en proeft dat de Here God is, komt de verwachting op van de voleinding van het werk van de Geest in heerlijkheid.