De Club van Rome (3)

1974-05-17
  • Jaargang 18
  • nummer 20


Door een onvolkomenheid ter zetterij is het laatste artikel van de heer Vegter over De Club van Rome zodanig verminkt, dat er geen verband meer in zat.
Wij plaatsen het laatste artikel, met onze excuses aan de auteur en lezers, geheel opnieuw.


Een duidelijk aantoonbaar resultaat van het werk van de Club van Rome is ongetwijfeld de vele artikelen, brochures en boeken die de laatste twee jaren zijn verschenen en die dezelfde problematiek behandelen. Het is onjuist om al deze uitgaven uitsluitend als een reactie op het rapport van Meadows en zijn team te zien.
Sommige uitgaven zouden ook zonder het werk dat de Club van Rome doet wel zijn verschenen, maar het zouden er beslist minder zijn geweest.
Een van deze publicaties is de brochure "Werk voor de toekomst" 1) van de Stichting Maatschappij en Onderneming. Het boekje is geschreven door een veertiental vooraanstaande Nederlanders (waaronder dr. ir. W. J. Beek, prof. dr. C. J. F. Botteher, prof. dr. J. Pen, prof. dr. A. Quispel, prof. dr. R. Timman, prof. dr.J. Zijlstra), behandelt een aantal knelpunten in onze samenleving en noemt een aantal beleidssuggesties die in dezelfde richting wijzen als de voorstellen van de Club van Rome. Zo meent men dat zowel in de ontwikkelingslanden als in de geïndustrialiseerde landen - met inbegrip van Nederland - de bevolkingsaanwas krachtig moet worden afgeremd.
Er dienen gerichte maatregelen te worden genomen om de groei van het energieverbruik af te remmen.
Tegelijkertijd dient het zoeken naar nieuwe veilige alternatieven voor zowel de fossiele brandstoffen als de kernsplitsing gestimuleerd te worden. Men aanvaardt de kernenergie tijdelijk als "noodoplossing"
voor een of twee generaties, op beperkte schaal. Wat betreft het milieubeheer moet de overheid allereerst duidelijke grenzen aangeven voor de milieuvervuiling, d.w.z. daar waar aan het milieu onherstelbare schade wordt toegebracht, het zelfreinigend vermogen van het oppervlaktewater wordt aangetast en de luchtvervuiling leidt tot vaststelbare schade aan flora en fauna, met inbegrip van de mens.
Wat de openbare verkeerssituatie betreft is men van mening dat de menselijke verplaatsingsdrang zo klein mogelijk gemaakt moet worden.
De verkeersomvang moet teruggedrongen worden. Nieuwe niet-conventionele transportmiddelen, naast het gebruiken van rijwiel en rail worden aanbevolen etc. etc.

De gegeven suggesties gaan evenwel niet ver genoeg om tot een afdoende oplossing van de gesignaleerde problemen te komen, maar als eerste aanzet zijn ze de moeite van het overwegen - of liever: uitvoeren - zeker waard.
Het is mogelijk dat de opstellers van de brochure niet verder zijn gegaan dan deze principiële aan bevelingen, omdat zij daadwerkelijk overheidsingrijpen schuwen, met name bevreesd Zijn voor de gevolgen daarvan voor de industrie.
Een ander voorbeeld is de brochure "Milieuvoorstellen en wereldmodellen" 2) van de hand van B. van Steenbergen. Hij levert daarin ernstige kritiek op diegenen die aan de wieg van het werk van de Club van Rome hebben gestaan- Forrester en Peccei. Van Steenbergen vindt dat eerst de maatschappijstructuur grondig' moet worden veranderd, voordat het de moeite waard is om naar Meadows te luisteren. Hij is het niet eens met de strekking van het boekje "Werk voor de toekomst" en dat is zijn goed recht. Maar hij beschuldigt de auteurs van een apolitieke houding en om zijn pleidooi kracht bij te zetten citeert hij uit de brochure het volgende (halve) citaat: "De noodzakelijke maatregelen zullen genomen moeten worden zonder het verloop van de diskussie over de meest wenselijke maatschappijvorm af te wachten.. . Het gaat trouwens om dingen die gebeuren moeten, onder welke omstandigheden dan ook." In werkelijkheid laat van Steenbergen het volgende essentiële gedeelte weg: " ...... zij het zodanig dat de maatschappelijke tegenstellingen eerder verkleind dan vergroot worden." De vooringenomenheid van de schrijver speelt hem danig parten. Natuurlijk is het waar dat in de aanpak van Forrester, om de sociale problemen langs technologische weg te willen oplossen, een ernstig gevaar schuilt. Maar het gaat te ver om iemand, die probeert sociale variabelen in een wiskundig model op te nemen, te beschuldigen van het zoeken naar een louter technische oplossing met voorbijgaan aan de sociale implicaties.
Andere, meer concrete gevolgen van de publicaties van de Club van Rome en alles wat als reactie daarop is geschreven, zijn veranderingen in het denken over onze productie- en consumptiemaatschappij.
In het Porsche-concern zijn planners en ontwerpers bezig met het ontwerpen van een auto die veel langer meegaat dan de viif jaar die wij gewend zijn. 3) De Volvo-fabrieken laten ons via de dagbladen weten dat het er niet zozeer om gaat hoe hard een auto rijdt, als wel hoe lang hij rijdt.
Dergelijke uitlatingen wijzen erop dat men denkt aan duurzamer goederen en dit kan gunstige gevolgen hebben voor de toereikendheid van de beperkte hoeveelheid grondstoffen, en ook voor het afvalprobleem.
Ook worden pogingen ondernomen om te komen tot andere economische theorieën. Prof. dr. J. Tinbergen heeft in zijn afscheidscollege aan de Erasmus-universiteit van Rotterdam een nieuwe theorie van de economische ontwikkeling geschetst die rekening houdt met de mogelijke uitputting van de materiële hulpbronnen, waarbij het echter naar zijn zeggen volstrekt onmogelijk is te voorspellen of de verwachtingsbalans nu naar het optimisme of naar het pessimisme zal overhellen.
De economen Boulding en Daly 4) wijzen erop dat begrippen als Bruto Nationaal Produkt, economische groei, werkgelegenheid en Nationaal Inkomen spoedig iedere zin verloren zullen hebben.
Goederen moeten zo gemaakt worden dat ze lange tijd gebruikt kunnen worden.
Hoe minder productie daarvoor nodig is, hoe beter.
Het Bruto Nationaal Product moet worden vervangen door het begrip Bruto Nationale Kosten. Een dergelijk soort begrip - namelijk Bruto Nationale Nut - is in Nederland geïntroduceerd door dr.H. J. G. Meyer van Philips en D'66. De productie als doel op zichzelf bestaat in deze gedachtenwereld niet meer, ook niet om zogenaamd de economie op gang te houden. Echter wèl als middel om tot een hoge en duurzame kwaliteit te komen en deze kwaliteit vervolgens te onderhouden.
Nu is het zo, dat een groot aantal verkeersongelukken voordelig is voor het Bruto Nationaal Product, De econoom Herman Daly publiceerde "Toward a Steady-State Economy", Freeman, San Francisco 1973.
omdat ziekenhuizen en garages hierdoor veel werk verschaft wordt. Maar het spreekt vanzelf dat in genoemde visie ook de werkgelegenheidspolitiek niet meer uitsluitend de werkgelegenheid zelf tot doel kan hebben. 5) De eerste reacties in deze richting van de industrie en het denken over andere "doelstellingen" in de economie - zoals het Bruto Nationale Nut - zijn positief te waarderen.
Blijft tenslotte de vraag hoe men als christen zijn houding ten aanzien van de geschetste problematiek en de daaruitvoortkomende ontwikkeling dient te bepalen. Om hierover meer helderheid te krijgen zullen wij het denken over de toekomst breder moeten situeren dan het stramien dat enerzijds de Club van Rome, anderzijds de revolutionaire utopisten ons voorzetten.
Het denken over de toekomst ontwikkelt zich namelijk in twee hoofdrichtingen. De eerste is die van de technocraten, die uitgaan van de idee van continue beheersing, de tweede is die van de revolutionaire utopisten die daar de absolute vrijheid tegenover stellen.
De technocraten - waartoe ook de Club van Rome gerekend moet worden - stellen hun vertrouwen in computers en systeemdynamica. Zij construeren de toekomst als het ware vanuit het verleden en nemen op deze wijze het verrassingselement van de toekomst weg, terwijl zij voor elk probleem naar een technologische oplossing zoeken.
De revolutionaire utopisten verzetten zich tegen een dergelijke aanpak. Hun bezwaren zijn, dat veel van de hedendaagse ellende door een technocratie slechts zal worden versterkt en dat een dergelijke ontwikkeling zal uitmonden in een volstrekt overheerst worden door de techniek, gesteund door de wetenschap. Zij zoeken hun heil in de revolutie en wijzen op de discontinuïteit van de geschiedenis. Zij gaan van de veronderstelling uit dat een revolutie die de maatschappijstructuur ingrijpend verandert altijd een verbetering zal brengen, niet alleen voor de maatschappij zelf, maar ook voor de mens en zijn ambities.
Dr. ir. E. Schuurman stelt in zijn inaugurele rede 6), getiteld "De culturele spanning tussen technocratie en revolutie" dat deze beide denkrichtingen elkaar gelijktijdig veronderstellen, elkaar doordringen en uitsluiten.
De technocraten worden in het uitbannen van de menselijke vrijheid hier toch steeds weer mee geconfronteerd. De revolutionairen komen nooit los van het probleem van de continuïteit, de beheersing en de macht. Soms loopt men dan ook wel eens over naar het kamp van het establishment, ofwel - het andere uiterste - men radicaliseert de revolutionaire ideeën.
Zowel de technocratische als de revolutionaire denkrichting gaan uit van de gedachte dat de mens autonoom is.
De overheersing van onze cultuur door de menselijke rede, in plaats van het luisteren naar God heeft tot gevolg gehad dat de mens de weg naar de toekomst zoekt in wetenschappelijk inzicht, in de vooruitgang van wetenschap en techniek.
De laatste tijd wordt echter duidelijk dat deze "vooruitgang" vaak ten koste gaat van de mens zelf of van zijn omgeving, het natuurlijk milieu. Diezelfde autonome mens ziet zijn vrijheid in ernstige mate bedreigd door de technisch-wetenschappelijke ontwikkeling en komt daartegen in verzet.
Daar ligt de oorsprong van de revolutionaire utopie. Het is echter misleidend om de wetenschap en de techniek als de schuldigen van deze ontwikkeling te beschouwen.
Het is nameijk de zich autonoom wanende mens met zijn welhaast religieus vertrouwen in wetenschap en techniek, die daarvan de oorzaak is. De mens die zijn normen ontleent aan de menselijke rede in plaats van aan Gods openbaring. Deze erkenning brengt met zich het inzicht dat God de wereldgeschiedenis beheerst en langs de weg van die geschiedenis Zijn Koninkrijk wil doen komen.
Daarmee wordt de techniek zeker niet zinloos. Wij zijn door de techniek bijvoorbeeld bevrijd van zware lichamelijke arbeid en geestdodend routinewerk. Veel nieuwe mogelijkheden die de techniek ons aanreikt hebben ertoe bijgedragen de cultuur te ontplooien.
Helaas wordt de techniek echter veel misbruikt en heeft dit misbruik geleid tot overbodigheid en verspilling. Dit is weer het gevolg van het feit dat de techniek de cultuur is gaan beheersen, in plaats van dat de mens door goed gebruik te maken van de techniek zijn eigen verantwoordelijkheid op een hoger plan plaatste. Ten aanzien van de denkrichtingen die hierboven werden weergegeven dient dan ook te worden opgemerkt dat iedere toekomstprognose zonder een fundamentele openheid naar God toe volstrekt onaanvaardbaar is - hoewel voor bepaalde beleidssuggesties onmisbaar -, omdat hierin impliciet een autonome mensbeschouwing verwoord is.
Met deze vaststelling keren wij terug naar het rapport van de Club van Rome. Erkend moet worden dat onze samenleving dermate complex geworden is dat men onmogelijk besluiten met betrekking tot de toekomst kan nemen, zonder een daaraan voorafgaande wetenschappelijke analyse, die diepgaand en breed van opzet moet zijn. Meadows heeft in die richting willen werken en de Club van Rome vervolgt zijn eerste schreden. Dat gebeurt waarschijnlijk ook niet ten onrechte.
Het is goed om kennis te nemen van de resultaten die hun onderzoekingen zullen opleveren, zij het met de nodige reserve. Wij zullen ervoor moeten oppassen dat de resulterende wetenschappelijke kennis ons niet de wet gaat voorschrijven, waardoor de menselijke vrijheid ernstig in gevaar zou komen.
Laten we daarbij bedenken dat niet alleen de ongelovige mens soms ernstige vergissingen maakt. F. Schaeffer 7) wijst erop dat de ecologische crisis mede veroorzaakt wordt door het "christelijk" axioma dat dè nauur geen andere reden van bestaan heeft dan het dienen van de mens. De moderne wetenschap en techniek zijn dusdanig doortrokken van deze orthodoxe arrogantie ten aanzien van de schepping, dat vanuit die hoek geen wezenlijke oplossingen voor deze vraagstukken te verwachten valt. Alleen een fundamentele bezinning op onze relatie tot de natuur en onze bestemming kan een uitweg bieden voor de moeilijkheden die zich vandaag reeds aftekenen, maar zeker de toekomst voor een belangrijk deel zullen bepalen.


1) Werk: voor de toekomst. Uitgave Stichting Maatschappij en Onderneming, 's-Gravenhage 1973

2) Milieuvoorstellen en wereldmodellen, door B. van Steenbergen.
Uitgave Werkgroep 2000,Amersfoort.
Katernen 2000/1973/8.Redactiesecretariaat: Werkgroep 2000, Hooglandseweg 15,Amersfoort. tel. 03490-24254.

3) Zie NRC van 30.10,1973. Deze Porsche zou een levensduur moeten krijgen van 20 jaar, wat zeggen wil 300.000kilometer. Dit zou een halvering van zowel het grondstofverbruik alsook de hoeveelheid schroot betekenen. De constructie zal moeten geschieden met belhulp van materiaal dat tegen veroudering en slijtage bestand is. Tegenover een 30010 hogere kostprijs staat besparing van 15010aan onderhouds- en reparatiekosten.
De ingrijpende verandering zowel in industrie als garagebedrijf zal zijn dat men meer op reparatie en het moderniseren van onderdelen gericht zal moeten zijn - zoals nu reeds in de vliegtuig- en scheepsindustrie gebeurt - dan op het inzetten van nieuw materiaal. Het betekent dan ook een grotere inzet van menselijke arbeidskrachten.

4) Zie NRC van 2.2.1974.Dr. Kenneth Boulding publiceerde in 1973 zijn werk "The Economics of Love and Fear - a Preface to Grants Economics". Wadsworth Publ. Belmont, Cal. 1973.

5) Het volgende voorbeeld kan dit illustreren. Een speldenfabriek produceerde op basis van een 40-urige wenkweek voldoende spelden om aan de totale vraag te voldoen. Een slimme medewerker ontdekte dat door een eenvoudige ingreep in een der machines de productie per uur verdubbeld kon worden. De wijziging werd aangebracht. Het zou nu voor de hand liggen om de werknemers in de faortek 20 uur per week te laten werken, uiteraard met behoud van hun gehele salaris. Wat echter gebeurde was, dat er tweemaal zoveel spelden werden geproduceerd als voorheen en dat men door middel . van een dure reclamecampagne de huisvrouwen ertoe poogde te brengen om tweemaal zoveel spelden te gebruiken als zij gewend warendit alles om de werkgelegenheid te handhaven. Het voorbeeld zelf is wellicht wat overtrokken, maar volgens hetzelfde principe gebeuren er maar al te veel vergelijkbare zaken in onze maatschappij.

6) Gehouden op 12 oktober 1973 bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar in de reformatorische wijsbegeerte aan de T.H. te Eindhoven.

7) Dr. Francis A. Schaeffer in zijn boek "Milieuvervuiling en de dood van de mens - de christelijke visie op ecologie", Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1973, pag. 11. Vgl. ook de appendix van Lynn White, pag. 96.







Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief