Gerretson / Geerten Gossaert

1974-05-24
  • Jaargang 18
  • nummer 21
Enkele weken geleden werden in de rubriek Persschouw drie artikelen van de heer H. Algra uit het Friesch Dagblad overgenomen. Deze artikelen bevatten persoonlijke herinneringen van de heer Algra aan prof.
Gerretson, die ook bekend is onder zijn dichtersnaam Geerten Gossaert.
De vernieuwde belangstelling voor Gerretson - ook in andere bladen - is veroorzaakt door het verschijnen van het eerste deel van zijn Verzamelde Werken. De uitgeverij Bosch en Keuning te Baarn stuurde ons een recensie-exemplaar van dit eerste deel. Graag voldoen wij aan het verzoek aandacht aan het belangrijke werk van deze veelzijdige literator te besteden.

Veelzijdig

Dit is een typering,. die eigenlijk nog tekort doet aan Gerretson. Hij was nl. niet alleen veelzijdig wat zijn interesses betreft, hij was op veel terreinen ook uitermate deskundig.
Gerretson werd op 9 februari 1884 in Kralingen geboren. Na zijn studies in Utrecht en in Brussel, promoveerde hij in Heidelberg tot doctor in de filosofie. Van 1925-'54 was hij hoogleraar in de geschiedenis van Nederlands-Indië aan de universiteit van Utrecht en vanaf 1938 aan deze universiteit ook nog buitengewoon hoogleraar in de constitutionele geschiedenis van het koninkrijk.
Als historikus heeft hij een gevestigde naam.
Van 1952)56 was Gerretson lid van de Eerste Kamer voor de CHU. Niet zelden werden zijn kamertoespraken als hoogtepunten van de diskussies beschouwd. Gerretsons studie over de sociologie (1911) is niet alleen erg goed, het was in die tijd een stuk pionierswerk. Verder kunnen wij wijzen op zijn grondige kennis van de oudheid, zijn essayistisch en letterkundig werk en op zijn studies op het gebied van staats- en volkenrecht.
Het is zonder meer een grote rijkdom te noemen, dat van deze briljante figuur de Verzamelde Werken verschijnen. Wij zijn aan de samensteller van dit werk dr. G. Puchinger en aan de uitgeverij Bosch en Keuning zeer veel dank verschuldigd!

Literatuur

Het eerste deel van het gedurende dit jaar en het volgende jaar te verschijnen zesdelig verzameld werk van Gerretson, bevat 71 literaire onderwerpen, die samen 659 blz. beslaan. Literaire artikelen en redevoeringen over Aristofanes, Epictetus, Homerus, Plato, Beets, Bilderdijk, Multatuli, Vondel, Kloos, Boutens, Henriette Roland Holst, Verweij, Marsman, A. Roland Holst, de friese taal, het spellingsvraagstuk en nog veel meer!
Zo'n boek is moeilijk te bespreken.
Het is onmogelijk. Gerretson is een.
rotsgebergte, waarvan je de toppen zou willen bereiken om ook de panorama's beter te kunnen overzien.
Toch is er in dit eerste, het literaire deel van zijn verzamelde werk een sleutel te ontdekken om Gerretson te gaan begrijpen. Hiertoe kunnen met name dienen de opstellen "Dichterschap en geloofservaring" (335-348), "De vrijheid van de dichter" (563-569) en "Christelijk dichterschap" (643-652, een in het jaar van zijn sterven, 1958, gehouden causerie voor het congres van vrijgemaakt-gereformeerde studenten).
In dit laatste opstel spreekt hij over de dichter: "Jonge meisjes plegen nog al eens een lichte verering te hebben voor jonge dichters. Maar als er onder U soms zijn die daaraan laboreren, wil ik ze toch waarschuwen er liever geen te trouwen, tenzij zij het ideaal hebben levenslang een moeilijk kind te bemoederen.
Ik heb zowat alle dichters van mijn generatie van nabij gekend, maar bijna allemaal waren zij een streepje, en sommigen ettelijke streepjes beneden het normale. Hun waarde ligt, als bij een harp, in de gevoeligheid van de snaar, de latitude van het vibreren van de hartzenuw, die dan veel langer en dieper is, die veel langer en dieper trilt dan bij de normale mens. En daarbij komt de fysieke noodzaak om zijn gevoel te verklanken en uit te spreken; dat is die vreemde contradictie van elke dichter: zijn leven gevoel en hartsgeheim te moeten verraden, of hij wil of niet." (644) En elders (564): "Die snaren vibreren tussen twee uitersten: de indolentie der meditatie en de orgie der creatie. Dat bepaalt de karakteristiek onmaatschappelijke aanleg van de dichter. De maatschappij eist regel.
Ook de dichter zal zijn leven regelen; maar zijn leefregel zal bepaald worden door de eis van zijn instrument." Dit noodzaakt de dichter in veel gevallen tot zijn onmaatschappelijkheid.
En voor de christendichter trillen de snaren van de harp van het hart het zuiverst, wanneer de snaar van de relatie God en het dichtershart zuiver trilt en wanneer deze trilling niet door anderen wordt verstoord of hoe dan ook beinvloed.
"Slechts die mag christendichter genoemd worden, bij wie het christelijk levensgevoel, speciaal op de beide door mij genoemde essentiële punten van het christendom naar de calvinistische, gereformeerde opvatting, zozeer in bloed en hart is overgegaan, dat het in zijn gedicht onbewust uitvloeit ( .. ) Zodra er in een vers van een christelijk dichter derden aanwezig zijn behalve God en de ziel, dan verwerp ik dat gedicht als christelijke poëzie" ( ).
Het pure Christelijke gedicht "is tenslotte niet meer dan een verzuchting van de ziel tot God, dus eigenlijk niets anders dan gebed."
(647, 648, 650) Het is tegen deze achtergrond goed te begrijpen, waarom Gerretson zich zo aangetrokken voelde tot Bilderdijk en waarom hij zich zeer intensief met Bilderdijk heeft bezig gehouden.
Het zuiver vibreren van de snaren van .het dichtershart is bijvoorbeeld aanwezig in de volgende aanhef van Bilderdijk:

O Gij, die met doordringende ogen
De plooien van mijn hart doorziet,
Gij ziet mij voor U neergebogen
En hoort mijn fluistrend avondlied,

Over het wezen van het christendom zegt Gerretson (644), dat het zich afspeelt tussen twee polen: zonde en genade, decadentisme en verheven religiositeit.
Bij Bilderdijk herkennen wij deze polen heel opvallend. Gerretson beschrijft Bilderdijk met zijn zwakheden, als een kind van zijn tijd, en verdedigt met allure: "Bilderdijk is groot vooral in en door zijn gebreken".
Hij bewondert juist hem!
Tegen de achtergrond van de bovenstaande opmerkingen van Gerretson, kan het duidelijk worden waarom hij bijv. Boutens, Van Eeden en anderen bekritiseert en Guido GezelIe de grootste christelijke dichter van onze moderne literatuur noemt. Zijn werk noemt hij "christelijke poëzie" zónder vraagteken."
Het eerste deel van Gerretsons verzamelde werken eindigt met het volgende gedicht van Guido Gezelle, dat tevens typerend is voor de intentie van Geerten Gossaerts werk zelf.

Ik ben een blomme
en bloeie vóór uwe oogen,
Geweldig Zonnelicht,
Dat, eeuwig onontaard,
Mij, nietig schepselken,
In 't leven wilt gedoegen
En, na dit leven, mij
het eeuwig leven spaart.

Mijn leven is
uw licht: mijn doen,
mijn derven,
mijn hope, mijn geluk,
mijn eenigste en mijn al,
wat kan ik, zonder u,
als eeuwig, eeuwig sterven;
wat heb ik, zonder u,
dat ik beminnen zal?

Haalt op, haalt af! ....
ontbindt mijn aardse boeien;
ontwórtelt mij, ontdelft
mij! .... Henen laat mij, laat
daar 't altijd zomer is
en zonnelicht mij spoeien
en daar gij, eeuwige, ééne,
alschoone blomme, staat.

Laat alles zijn
voorbij, gedaan, verleden,
dat afscheid tusschen ons
en diepe kloven spant;
laat morgen, avond, al
dat heenmoet, henen treden,
laat uw oneindig Licht
mij zien, in 't Vaderland!

Dan zal ik vóór
o neen, niet vóór uwe ogen,
maar naast u, nevens u,
maar in u bloeien zaan;
zoo gij mij, schepselken,
in 't leven wilt gedoogen,
zoo in uw eeuwig licht
me gij laat binnengaan'.

C. Gerretson, Verzamelde Werken.
Deel I, Literatuur 1904-1958.
Bijeengebracht door dr. G. Puchinger.
Uitg, Bosch en Keunig, Baarn, 1973.
659 blz. f 45,-.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief