Kinderdoop (1)
1974-05-24
Er zijn twee punten, waarover ik in de naaste toekomst veel discussie verwacht onder ons: de leer van het duizendjarig rijk en de leer van de kinderdoop. Deze punten zijn, ook als discussiepunten, niet nieuw. Dat ze vandaag opnieuw in gesprek worden gebracht en dat er onder de jongeren veel vragen over zijn komt doordat de geïsoleerdheid van tientallen van jaren, waarin de gereformeerde en baptistische kringen ten opzichte van elkaar geleefd hebben bezig is te verdwijnen.- Jaargang 18
- nummer 21
Er zijn niet alleen groeiende contacten, maar er is ook het besef, dat wij in de komende tijd elkaar nodig zullen hebben bij het dunner worden van de gelederen.
Neem nu als voorbeeld het verschijnsel van de E.O., die uit beide milieu's z'n sympathie betrekt.
Zelf ben ik aan een Parijse theologische faculteit verbonden, waarin baptisten en gereformeerden samenwerken. Het is niet zo vreemd, dat bij deze contacten opnieuw de vraag opkomt, of deze verschillen ook overbrugd kunnen worden. Of er ook een gemeenschappelijkheid op deze punten gevonden kan worden. Het zou mooi zijn, als dat kon.
Ik wil het nu niet over het duizenjarig rijk, maar over de kinderdoop hebben, verreweg het meest gevoelige punt. (Ik zeg niet: het belangrijkste punt.) Als ik het wel zie, dan is er in gereformeerde kring meer bereidheid om de argumenten van de baptisten voor de volwassendoop in overweging te nemen dan omgekeerd.
Ik schrijf dat toe aan de toch altijd ietwat intellectuele houding van de gereformeerden, het prijzenswaardige en tegelijk gevaarlijke vermogen om in de geloofsbezinning tot een grote mate van objectiviteit te komen. Ook als iemand nu de neiging voelt opkomen om hier voorbeelden van het tegendeel tegenover te stellen, moet hij bedenken, dat dat tegendeel aan baptistische kant veel meer regel is. Baptisten zijn overwegend zeer eenvoudige gelovigen, voor wie geloof en geloofsbezinning bijna hetzelfde zijn.
Vandaar dat discussies over deze punten door hen aanstonds met de laatste ernst worden opgeladen.
Wat nu de aanvechting van de kinderdoop door baptisten en anderen betreft, zonder nog te oordelen over het bijbelse gehalte van de kritiek, kan alvast gezegd worden, dat de bestrijding van de kinderdoop bij voorbaat al sterk staat vanwege de starheid, die kerken, welke de kinderdoop uitoefenen, vaak kenmerkt. De kinderdoop wordt gemakkelijk geassocieerd met de versteendheid van de rooms-katholieke, de grieks-orthodoxe, de anglicaanse, de lutherse, de nederlands hervormde kerk of ook ten dele de grote gereformeerde kerk. Allemaal kerken, waarin het vaak aan een goede opvoeding in de gezinnen en een grondige catechese vanwege de kerk ontbreekt,de goede uitzonderingen niet te na gesproken. Maar waar dan anderzijds een haast of helemaal bijgelovige waarde aan de kinderdoop wordt gehecht. Juist omdat 't bij de leden van zulke kerken vaak 't enige is, wat men nog aan godsdienst doet, de kinderen laten dopen, krijgt deze kinderdoop dan gemakkelijk een bijna magische betekenis. Hij is inderdaad, zoals het oude gereformeerde doopsformulier waarschuwt, tot gewoonte en bijgelovigheid geworden.
Afgezien van het geloof van de ouders die hun kind laten dapen, afgezien ook van het geloof, later, van het kind zelf dat gedoopt wordt, krijgt de doop heilswaarde toegekend. Hij is objectief geldig, zoals dat dan heet.
Met kracht zou ik in het midden willen brengen dat dit objectivisme niet noodzakelijk aan de kinderdoop verbonden is. Dit objectivisme is verwording. En ik geloof, dat we de baptisten en anderen, die de kinderdoop kritiseren, zonder meer moeten bijvallen, als zij hun kritiek richten op deze verwording.
Kinderdoop, waar geen christelijke opvoeding op volgt, is een ontaarding.
Ik zeg niet: die is waardeloos, want de waarde van de doop wordt niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats door mensen bepaald. Maar ik zeg wel, dat kinderdoop vraagt om christelijke opvoeding in de leer van het evangelie. En ik ben blij, tot een kerk te behoren, die de ouders op deze plicht wijst en zelfs bij de doop aan de ouders vraagt, of zij ook van zins zijn, deze taak te behartigen.
De christelijke doop komt dan ook pas tot z'n vervulling, wanneer het kind bij het opgroeien er in geloof ja tegen zegt. Zolang de kinderdoop niet door het geloof van de dopeling beaamd is, is hij niet af. Dat betekent dus ook, dat de opvoeding, waar ik het zopas over had, niet vrijblijvend mag zijn, maar moet aandringen op geloof. Ik bedoel niet, dat er in de opvoeding te pas en te onpas naar het persoonlijke geloof toe gedramd moet worden. Men moet, juist integendeel, in de opvoeding ook maat houden en van ophouden weten. Te veel aandrang schaadt. De opvoeding gaat langzaam in voorbede over als het goed is. Maar er moet toch in de opvoeding gezegd worden, dat de doop, die in de eerste plaats een daad van God is, op een antwoord wacht, een antwoord van geloof.
Daarom kennen wij in de gereformeerde traditie ook 'n plechtig moment, waarop dat antwoord gegeven wordt. Dat is het moment van de openbare geloofsbelijdenis.
Deze behoort in volledige vrijheid, dus strikt persoonlijk afgelegd te worden. De opvoeding moet er wel op aandringen, maar toch zo dat de vrijheid gerespecteerd wordt en de vrijwilligheid benadrukt. Maar zonder enige twijfel hoort dit ja bij de doop.
Het kan door de dopeling bij de kinderdoop niet gezegd worden.
Wel de ouders belijden dan hun geloof, maar dat kan dat eigen antwoord van het opgroeiende kind niet vervangen. Onvervangbaar moet dat door de dopeling zelf gegeven worden. Je zou kunnen zeggen, dat deze belijdenis van het geloof een stukje uitgestelde doop is. Het antwoordstukje namelijk.
Men zou kunnen vragen of ik me nu niet overdreven uitdruk. Behoort ons geloofs-antwoord wel tot de doop zelf, zodat het een stukje (uitgestelde) doop genoemd kan worden? Is de kinderdoop in zichzelf al niet af, ook voordat dit geloofsantwoord gegeven is?
Wij, gereformeerden, hebben het altijd wel zo gesteld en dan bedoelden we, dat er van Gods kant niets meer bij hoeft en daarin hadden we gelijk. Maar het N.T. spreekt toch ook op zodanige wijze over de doop, dat het menselijk antwoord daarbij inbegrepen is, daar een onderdeel van is.
Ik volsta met één plaats te noemen, waar dat heel duidelijk het geval is: 1 Petr. 3: 21. Petrus heeft 't daar over de zondvloed als reddingswater, (Eigenaardig, dat het zondvloedwater meer als reddingswater dan als vergeldingswater naar voren komt!). En daarna gaat hij zo verder: "Als tegenbeeld daarvan redt u thans de doop, die niet is het afleggen van lichamelijke onreinheid, maar een beeld van goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus ... " De doop is in dit woord in de eerste plaats een genademiddel in de handen van God. De Here redt erdoor, niet door het uiterlijke waterbad, maar door de geestelijke betekenis die de doop heeft. Maar dan wordt de doop hier toch ook genoemd een bede van een goed geweten tot God. Hier hebben we de doop als uitdrukkingsmiddel van ons geloof.
Men brengt tegen dit tekstgebruik wel in, dat volgens het grieks, dat Petrus hier schrijft, ook vertaald kan worden: 'een bede (niet van, maar) om een goed geweten tot God' en dat daarbij gedacht kan worden aan het kerkelijke gebed bij de (kinder)doop. Toch is deze tegenwerping niet steekhoudend.
In de voorafgaande uitdrukking 'niet het afleggen van lichamelijke onreinheid' gaat 't toch ook duidelijk om een activiteit van de dopeling zelf. Daaruit kan blijken dat bij het gebed, of het nu van of om een goed geweten is (dat kan inderdaad allebei), aan het gebed van de dopeling zelf gedacht is. Wie gedoopt wordt zo is de gedachtengang - staat in goede relatie tot God. Heeft derhalve een goed geweten zodat hij kan bidden. Wat voor een christen hèt kenmerk bij uitstek is. Een christen is een aanroeper van de Naam (Rom. 10: 1.2, 31) Maar het is niet uitgesloten dat hij biddend vanuit een goed geweten, tegelijk ook om een goed geweten vraagt, omdat een goed geweten, van ons uit gezien, een wankel bezit is. Zo behoeven we dus niet te kiezen tussen de twee genoemde vertalingen.
De doop dus als middel om het geloof er mee uit te drukken. Dat was trouwens de besnijdenis onder het oude Israël ook al. De 15esnijdenis was evenals de doop in de eerste plaats genademiddel van God. Het was zijn zichtbare woord van de doding van de oude mens en van de geestelijke vernieuwing.
Maar in de aanhef van het besnijdenis-hoofdstuk staat toch ook: wandel voor mijn aangezicht en wees onberispelijk (Gen. 17 : 1) en de aanduiding 'onbesneden' gaf onder Israël niet enkel een gemis van Gods bemoeienis aan, maar was ook kenmerkend voor een bepaald gedrag.
Deze betekenis nu van de doop als expressie-middel van het geloof komen we bij de Baptisten het meest tegen. Eigenlijk heeft de doop bij hen geen andere dan deze betekenis. Zij kennen die eerste en belangrijkste betekenis van de doop als genademiddel van God niet of niet voldoende is mijn indruk.
Men laat zich dopen en brengt daarmee tot uitdrukking, dat men een gelovige geworden is.
De doop beweegt zich niet in de eerste plaats op de lijn, die er van God uit naar ons toeloopt, maar op de lijn van ons uit naar God toe, niet op de Woord-lijn, maar op de antwoord-lijn. Dit nu lijkt mij een overdrijving te zijn in de richting van het subjectivisme.
We hebben in het begin gesproken over het heilloze objectivisme rondom de kinderdoop in de grote volkskerken, waarbij niet aangedrongen wordt op een persoonlijke geloofskeuze.
Maar het subjectivisme heeft geen oog voor de doop als sacrament, liever: als genademiddel, waardoorheen God aanons werkt. Dat is een stuk reactie, denk ik.
Het is evenwel volkomen duidelijk en begrijpelijk, dat als je de doop niet anders vermag te zien dan als geloofsexpressie, er geen plaats is voor kinderdoop. Dan moet er inderdaad gewacht worden, totdat er geloof is. "Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden" (Marc. 16 : 16).
Maar het wordt anders, wanneer je het verbond ziet en de verbondsbelofte, die God ons gegeven heeft, voor onszelf en voor onze kinderen. "Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen uw nageslacht na u, om u te zijn tot een God en uw zaad na u" (Gen. 17: 7). Een belofte, die in het N.T. herhaald wordt met een uitbreiding: "Want u komt de belofte toe en uw kinderen en allen die daar verre zijn, zovelen als de Here onze God er toe roepen zal"
(Hand. 2: 39). Het eerste woord wordt in verband met de besnijdenis gesproken, het tweede in verband met de doop. Vanwege deze belofte-woorden hebben zowel de besnijdenis als de doop in de eerste plaats een vulling van God uit: '... gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen' (Handelingen 2: 38). Zo beweegt de doop zich in de eerste plaats op de lijn van God uit naar ons toe en dat maakt kinderdoop mogelijk.
Als je nu in gesprek met 'n bestrijder van de kinderdoop deze opvatting naar voren brengt, kan hij je toch geducht in het nauw brengen met de vraag, wat dan precies het verschil is tussen de kinderen van de 'gelovigen en de kinderen, van de niet-gelovigen. Geldt dan de belofte, dat God onze Vader in Christus wil zijn, niet voor de ongelovigen en hun kinderen? Als een kind uit een gelovig gezin een kind uit een niet-gelovig gezin meeneemt naar de kerk of naar de catechisatie, maken we dan verschil en zeggen we dan of laten we dan op de een of andere manier merken: de belofte komt jou niet toe? We strooien dan toch het zaad van het Woord met gulleand? Wat is dan de uitzonderingspositie van de kinderen van het verbond? Staan ze, zolang ze niet geloven , niet vóór het verbond in plaats van in het verbond en omgekeerd, komt aan de kinderen der ongelovigen niet óók de belofte toe? Staan de kinderen eigenlijk niet op één lijn met 'degenen die verre zijn' en de toevoeging: zovelen als de Here onze God er toe roepen zal, geldt die niet gelijkelijk voor onze kinderen en voor degenen, die verre zijn?
Toch is er een verschil en bestaat er inderdaad een grote bevoorrechting van christen-kinderen.
Zij staan niet maar voor het verbond, maar leven in het verbond.
Zij zijn heilig, zoals de apostel zegt, (1 Cor. 7 : 14). Maar laten wij niet vergeten, dat in het verband waarin Paulus dit schrijft, dat woord heilig ook toegepast wordt op de ongelovige man, die geheiligd wordt door de gelovige vrouwen de ongelovige vrouw, die geheiligd wordt door de broeder.
Dat heilig of geheiligd zegt niets over de hartsgesteldheld van die man, vrouw of kinderen.
Het zegt iets over de sfeer, waarin zij leven, de beïnvloeding die ze ondergaan.
Vergelijk het met een huis in de zon, waarvan de luiken gesloten zijn. Wanneer de luiken geopend worden valt het licht binnen, maar ook met gesloten luiken is het een huis in de zon. De kinderen van de niet-gelovigen zijn heeft,hunner is het Koninkrijk de luiken openen, valt er geen licht binnen. De positie van kinderen in een christelijk gezin is die van een huis in de zon, of de luiken open gaan of niet.
Op dit punt kunnen we gemakkelijk langs elkaar heenpraten.
Staan onze kinderen nu vóór het verbond of staan ze erin? Hier staat ook een verschil van opvatting achter over wat nu een verbond is. Als je alleen maar dit een verbond kunt noemen, dat God en mens in een verhouding van wederzijdse liefde met elkaar leven, dan staan onze kinderen, wanneer ze niet geloven, niet in het verbond, maar ervoor. Maar verbond kan in de Schrift ook aanduiding zijn van de belofte, die van God komt. Zo is in Gen. 17 verbond een ander woord voor de belofte van God aan Abraham en van het bevel tot besnijdenis.
In die zin nu behoren kinderen der der gelovigen tot Gods verbond.
Of, zoals Christus gezegd huizen in het donker, ook als ze der hemelen. (Matth. 19: 14) Ook voordat er iets van hun geloof bekend is, kan dat gezegd worden.