Laat de doden hun doden begraven
2013-02-23
Nu de gedenkdagen van Goede Vrijdag en Pasen weer ophanden zijn, is het goed elkaar te waarschuwen dat wij niet als doden de dode Jezus gaan begraven.- Jaargang 57
- nummer 4
U weet waar deze uitdrukking vandaan komt. Jezus gebruikte hem tegenover een aspirant-leerling die zich voornam Hem te volgen. Maar alvorens daartoe over te gaan, vroeg hij de Heiland verlof zijn vader die gestorven was te begraven (Matteüs 8:21–22). ‘Ja maar natuur lijk, beste man’, zeggen wij spontaan, nog vóór Jezus kan reageren. Jezus geeft daarop echter het ontstellende antwoord: ‘Volg Mij en laat de doden hun doden begraven.’ Jezus bedoelt: ‘Als je beseft wie Ik ben, heeft het volgen van Mij de hoogste prioriteit. Dan valt er geen urgentie te bedenken die daar tegenop weegt of bovenuit stijgt. Maar geloof je niet in Mij, dan behoor je zelf tot het rijk van de doden, voor wie het begraven van een geliefde voorrang op alles heeft.’
Impliciet zegt Jezus hier dus wie Hij is: Gods Zoon. Want als Hij dat niet is, dan heeft dit antwoord van Hem iets waar je zeer kwaad om kunt worden en moeten wij ophouden ons erover te verbazen dat Hij aan een verachtelijk kruis gestorven is. Z’n verdiende loon, zouden we dan moeten zeggen. Als wij het God-zijn van Jezus af trekken, houden we niet een aardige man over, maar de grootste misleider die ooit op aarde heeft rondgewandeld. Inderdaad de dood verdienend. Wie is Jezus, die wij zeggen te willen volgen? Wie is Jezus, wiens dood wij zeggen te willen gedenken?
Gekromde tenen
Voor Joden was het begraven van doden één van de voornaamste plichten. Niet enkel als het een familie lid betrof, nee, in het algemeen. Men mocht er zelfs de Thorastudie voor onderbreken, en dat wilde wat zeggen bij de rabbijnen! Trouwens, we hebben deze oudheidkundige bijzonderheid niet eens nodig om ons het heikele van dit gesprek tussen Jezus en zijn aspirant discipel in te denken, want ook voor ons is de begrafenis van een geliefde iets zeer bijzonders waar alles voor moet wijken. Om dan te horen te krijgen dat het een af faire van de doden is... Bij de gedachte alleen huiver je al. Ik denk dat de discipelen die Jezus al had, Petrus en de anderen, er met gekromde tenen bij gestaan hebben, zich verbijsterd afvragend wat dit nu weer te betekenen had. Want het was niet de enige keer dat de Meester menselijk onmogelijke dingen zei. Wat bijvoorbeeld te denken van dit woord van Hem: ‘Een ieder die tot Mij komt en niet haat zijn vader, zijn moeder, zijn vrouw, zijn zoon, zijn dochter die kan mijn discipel niet zijn?!’ Dat doet voor de onderhavige enormiteit niet onder. Toch gaat het hierbij om het wezenlijke van ons geloof, om het essentiële – iets wat ons steeds meer begint te ontvallen, is mijn indruk. Het gaat alles heel snel van daag. Voor veel christenen is onze Here Jezus niet langer de Zoon van de Gezegende, op z’n hoogst een profeet à la Isa van de islam. Het eigenlijke geheim wordt uit ons Jezusbeeld gesloopt. Jezus Gods Zoon? Kom nou, dát geloof je toch zeker niet meer? Goede Vrijdag komt zo op z’n best naast de dodenherdenking van de vierde mei te staan. Om over Pasen maar te zwijgen, waar men helemaal geen raad meer mee weet. Wat betekent nu nog het overdenken van de dood van onze Heer? Daar hebben wij het Evangelie en het geloof
bij nodig. Dat wist ook het oude avondmaalsfomulier, dat zei: ‘Maar aldus zullen we Zijner daarbij gedenken’, wel wetend dat dit niet vanzelf goed gaat. Je kunt het als doden, als geestelijk doden doen. Dat wil zeggen: zonder een levende geloofsband met de Heiland. Daarbij denk ik niet aan degenen die zich destijds werkelijk met de lijkbezorging van Jezus hebben belast: Jozef van Arimathea, Nicodemus, Maria van Magdala en de andere Maria. Die waren niet dood, die geloofden, al was hun geloof zonder Pasen nog niet af.
Lege preken
Als ik het goed zie, worden wij vandaag niet zozeer door het brute en zelfverzekerde ongeloof van de buitenwacht bedreigd. De geseculariseerden van onze tijd gaan aan Goede Vrijdag en Pasen voorbij. Nee, onder christenen en in de gemeente gaat het niet goed; een uitholling van het geloof van binnenuit. Daarbij blijft nog wel een godsdienstigheid overeind staan, maar geloof is dat niet meer. De dood in de pot, je kunt het aan de vaak lege preken en praat op de christelijke feestdagen merken.
Dat is wat Jezus bedoelt als Hij waarschuwt dat we als doden onze dode kerken maar beter kunnen slopen. Dan zijn er nog wel de liederen van Goede Vrijdag en Pasen, maar is de kracht eruit. We luisteren nog wel aandachtig naar de aria van Bach, ‘Ich will Jesum selbst begraben’, maar het besef om wie het eigenlijk gaat is weg. Denk erom, ik zeg niet dat dit overal het geval is, in de allochtone kerken bijvoorbeeld helemaal niet, maar de waarschuwing van Jezus moet vooral de westerse christenheid zich aantrekken. Zoals de Heiland deze beginnende discipel gewaarschuwd heeft met dat woord over doden die hun doden begraven, zo moet de oude kerk van Europa oppassen dat zij haar geloof in Gods Zoon niet inruilt voor plichtmatige godsdienstigheid.
Als de beginnende discipel Jezus na diens waarschuwing inderdaad achter zou stellen bij de begrafenis van zijn vader, dan was hij een dode, een geestelijk dode. Ook al kwam hij zijn godsdienstige plicht van het begraven van zijn vader na, dan zou hij niet zien wie Jezus is. Zou hij dat wel, dan zou hij met die vraag, ‘sta mij eerst toe…’, niet gekomen zijn. Dat ‘eerst’, die prioriteit van zijn piëteit, die zou hem dan verraden. Maar we nemen aan dat hij naar Jezus geluisterd heeft. Misschien wel naar die begrafenis gegaan is, maar met meer eerbied voor Christus dan voor de dood.
Drs. Henk de Jong is emeritus predikant van de NGK Zeist.