Kinderdoop (2)

1974-05-31
  • Jaargang 18
  • nummer 22
Maar als we eenmaal zien, dat onze kinderen kinderen van het verbond zijn en kinderen van de belofte, zou dan het teken van het verbond en van de belofte hun niet toekomen? De doop is een heel speciaal teken van het verbond.
Evenals trouwens de besnijdenis.
Wat beiden gemeen hebben is, dat het een teken is, dat het binnenkomen uitbeeldt. Alle volken, die de besnijdenis kennen, kennen haar als 'n initiatie-ritus, een inwijdingsrite. Ook de doop is dat. De doop is als het ware het wasvat, dat bij de deur van het huis staat. Wie in het oude Oosten een voornaam huis binnenkwam, ontving een wassing, hem werden de voeten gewassen. Zo is ook de doop een wassing bij de deur. De deur waardoor kinderen van gelovige ouders het verbond binnengaan en onder de belofte komen is de geboorte. Is het dan niet het meest zinvol, wanneer de doop aan de kinderen der gelogen wordt bediend op een tijdstip dat zo dicht mogelijk bij) de geboorte ligt?
Wordt 't ook niet moeilijk, een ander moment te kiezen? Dat wordt dan altijd een tijdstip dat bepaald is door onze subjectiviteit, gekleurd door onze persoonlijke geloofsbeslissing. Maar heeft de keuze van dit dooptijdstip niet altijd iets willekeurigs, juist bij degene, die van jongsaf onder de beademing van het evangelie zijn geweest? Ik weet wel, die moeilijkheid doet zich ook voor bij het belijdenis-doen. Van de eigen belijdenis heb je achteraf ook wel eens de vraag: was ik er toen wel rijp voor? Maar dat belijdenis-doen is als officiële plechtigheid niet zó belangrijk. De doop is belangrijker. Maar wanneer moet je de doop dan plaatsen?
Kan die niet het meest zinvol bediend worden op een tijdstip, dat aan onze wisselvallige subjectiviteit vooraf gaat? Dus op de kinderleeftijd?
Waarbij ik overigens wel herinner aan die prachtige opmerking in art. 34 van de Ned. Geloofsbelijdenis, dat de doop niet alleen van nut is, zolang het water op ons is, maar ook al de tijd van ons leven. Sacramenteel wordt heel ons leven samengetrokken in het moment van onze doop, maar omgekeerd zet de doop heel ons leven in het teken van het sterven en opstaan met Christus: Is ook van hieruit bezien de vroege kinderleeftijd niet de meest geschikte?

Ik weet kinderdoop heeft iets tegen.
De' als kind gedoopte mist de ervaring van zijn eigen doop, de ervaring van het water op z'n lichaam. Die ervaring krijgt hij op indirecte wijze, doordat hij de doop bediend ziet worden aan andere kinderen: zó ben ik nu ook gedoopt. Dat is één van de redenen waarom de doop in de gereformeerde traditie in het midden der gemeente bediend wordt. Om de gemeente toch zoveel mogelijk doopservaring te geven. Maar Ik kan me voorstellen, dat een baptist, die zelf het water op z'n eigen lichaam gevoeld heeft, deze ervaring voor geen prijs zou willen missen.
Maar daar staat iets tegenover.
Voor een als kind gedoopte is het een zeer ontroerende gedachte, dat de Hemelse Vader het teken van zijn bemoeienis al zo vroeg in zijn leven heeft geplaatst. Voorafgaand aan elke mogelijkheid ook maar van geloofs-antwoord. Hoe staat bij de kinderdoop niet het hele leven van een mens in het teken van Gods liefde! De grote God die zich met een baby inlaat!
Als beeld van het oneindige verschil tussen de Schepper en zijn schepsel!

Er zijn verder nog meer dingen te noemen, die, als je de kinderdoop aanvaardt, als zegen ervaren kunnen worden. De gedachte, bijvoorbeeld dat de kerk een volk zou zijn zonder kinderen! Is dat mogelijk: een kerk zonder kinderen? Of geef ik daarmee nu een israëlietische, oudtestamentische kleur aan de kerk? Ik geloof dat de gemeente van het N.T. deze kleur gerust mag hebben en houden. In Israël werkte God in de lijn der geslachten. Dat is in het N.T. niet verdwenen. Daar IS een lijn bij gekomen. God zoekt niet enkel het einde der eeuwen (via de geslachten), maar ook de einden der aarde (via degenen die verre zijn). Maar de gemeente blijft een volk. En waar een volk is, daar zijn kinderen. "Laat de' kinderen tot Mij komen", zegt Jezus.
Wordt bij verwerping van de kinderdoop ook het kindergeloof, niet gediskwalificeerd omdat het niet toereikend geacht wordt voor de doop, het teken van erbij behoren? Wanneer we het doen van openbare geloofsbelijdenis kennen, wordt het kindergeloof ook ontoereikend geacht voor het bewust en persoonlijk en in verantwoordelijkheid de geloofskeuze doen maar de kinderen staan er toch met hun geloof niet buiten.
Het kindergeloof is legitiem.
Dan is het ook goed, eens aan de opvoeders te denken. Hoe worden ook zij door de kinderdoop gesterkt bij de opvoeding van hun kinderen. Het zijn zichtbaar Gods kinderen, niet door hun geloof of gedrag, maar vanwege de belofte, die in de kinderdoop zichtbaar is gemaakt, want de doop is het zichtbare belofte-woord.
Komt er door het ontbreken van de kinderdoop ook niet een scheiding in de gezinnen? Men kan zeggen, dat die scheiding er toch loopt, omdat de oude en het avondmaal vieren en de Jongeren niet. Dat is ook zo. Toch is de scheiding tussen wel en niet avondmaal vieren, niet discriminerend.
Dat is geen scheiding als tussen erbij horen en niet erbij horen maar tussen kinderen in het geloof en volwassenen in het geloof welke laatsten de mogelijkheid hebben, het lichaam des Heren te onderscheiden.
Bij het avondmaal horen dan ook woorden, die een appèl doen op de volwassenheid in het geloof en de activiteit die daarbij hoort: neemt, eet, gedenkt en gelooft.
Voor het avondmaal is vereist een werkzaam aandeel van de kant van degene, die het viert en gebruikt de taal rondom het avondmaal maakt dit al duidelijk.
De doop is veel meer een zaak, die je ondergaat. Dat IS geen absoluut verschil, maar e:n betrekkelijk. Je kunt dus met zeggen: kinderdoop, dan ook kinderavondmaal, want dat zijn twee verschillende dingen. Daar zit inderdaad de bewuste eigen en verantwoordelijke geloofskeuzes tussen.

Eigenaardig is, dat de baptisten een kinderopdracht kennen in de plaats van de kinderdoop: het kind wordt in de eredienst plechtig aan God opgedragen, waarbij gebeden wordt.
Blijkbaar heeft men toch ook daar behoefte aan, iets van de positie van het kind zichtbaar te maken; te laten zien, dat het er bij hoort. Toch zijn het bij een kinderopdracht de ouders die in geloof handelen, en de kerk die bidt. Het is dus niet een gebeuren, dat zich beweegt op de lijn van God naar ons toe. Dat is toch het arme ervan.
Want waar wij ten diepste behoefte aan hebben, als we een pas geboren kind in ons midden hebben, is niet, dat wij verklaringen of wensen van mensen horen, al zijn die nog zo vroom, ook niet, dat wij gebeden opzenden voor dat kind, maar waar we in de eerste plaats behoefte aan hebben, dat is, dat God iets zegt over zo'n kind en dat Hij dat doet met de grootst mogelijke duidelijkheid, door het zichtbare beloftewoord.
En dat gebeurt in de kinderdoop.
Daarna krijgen onze wensen, beloften en gebeden hun terechte plaats.

Het belangrijkste is nu, geloof ik, behandeld.
Als ik iets samenvattends mag zeggen, dan graag dit: kinderdoop, gevolgd door christelijke opvoeding met aansporing tot geloofsbelijdenis zie ik staan tussen het sacraments-objectivisme in de verstarde kerken en het geloefssubjectivisme van de vrije kerken.
Hier is werkelijk een weg, die deze beide heilloze uitersten vermijdt.
Daarom is het goed, juist vandaag, de kerkelijke instelling van de openbare geloofsbelijdenis serieus te nemen, er zuinig op te zijn en haar niet te vervagen door kinderen zonder meer tot het avondmaal toe te laten. Dit leidt tot een heilloos objectivisme of verbondsautomatisme, dat vroeg of laat gevolgd wordt door een subjectivistische reactie. De geloofsbelijdenis is een stukje van de doop, dat er noodzakelijk bij hoort maar alleen vanwege de onzelfstandigheid van het kind, dat gedoopt wordt, uitgesteld wordt tot de volwassen leeftijd.
De doop wordt in de Schrift toch ook getypeerd als een gebed. Van de kerk, van de ouders, ja, maar ook van de dopeling zelf. Dat moeten we serieus nemen, want het gebed is het meest kenmerkende van het persoonlijke geloof het voornaamste stuk van de dankbaarheid, zegt de Catechismus.

Ik wil tot slot een paar dingen vragenderwijs naar voren brengen.
In de eerste plaats: is onze term 'doopleden' wel zo gelukkig? We weten daaronder worden kerkleden' verstaan, die wel als kind gedoopt zijn, maar geen belijdenis van hun geloof hebben afgelegd.
Het nadeel van deze naam vind ik dat daarin de doop geassocieerd wordt met een onvolkomenheid een half kerklidmaatschap en dat dus deze benaming aanleiding geeft tot een onderwaardering van de doop. Als de geloofsbelijdenis nu echt bij de doop behoort, dan zijn alleen de belijdende leden doopleden in de volle zin des woords. Hier komt het spook van de niet-volle doop weer om de hoek kijken, hoor ik iemand mompelen. Toch kan ieder die wat ik hiervoor gezegd heb, gelezen heeft, weten dat dit niet het geval is. Ik heb in 't minst niet willen tornen aan de volheid van de kinderdoop van God uit gezien, ongeacht of het kind later een gelovige zal zijn, ja of nee.
Maar zoals wij onze roeping en verkiezing vast moeten maken, naar het woord van de apostel (2 Petr. 1 : 10) zo moeten wij ook onze kinderdoop vol maken door ons antwoord van geloof en bekering.
Ik begrijp overigens best, dat de naam 'doopleden', gereserveerd voor de belijdende leden, tot verwarring zal leiden, maar die onderwaardering van de doop, die erdoor veroorzaakt wordt, is toch een heel ernstig ding. Wat zou men ervan vinden als men gedoopte leden van de gemeente zou indelen in 'belijders' en 'jongeren'?

Een oude vraag is verder, op welke leeftijd de geloofsbelijdenis moet worden afgelegd. Ik bedoel nu niet de vraag of dat op 18-jarige of 20-jarige leeftijd. moet gebeuren. Maar de meer ingrijpende kwestie, dat een opgroeiend kind wel rijp genoeg kan zijn om z'n geloof in Jezus Christus met hartelijkheid en overtuiging uit te spreken en het avondmaal met gelovige onderscheiding te gebruiken en dat 't toch te jong is om zich met een belofte voor het leven aan het christelijke geloof te verbinden, om zich bewust onder opzicht en tucht van de geestelijke leiding der gemeente te stellen en om van het stemrecht gebruik te maken. Zeker, men zal zulke beloften gemakkelijk van een enthousiast kind los kunnen krijgen, maar de vraag is of dat ethisch verantwoord is. Hoe vaak heb ik het niet meegemaakt dat jongelui, die betrekkelijk vroeg belijdenis van hun geloof hadden afgelegd, en daarna van het geloof vervreemd waren geraakt, met heftige verwijten reageerden als ik ze aan de afgelegde belofte voor het leven herinnerde, "Deze belofte heb ik afgelegd onder de druk van mijn opvoeding, men had mij dat niet mogen vragen want ik overzag de consequenties onvoldoende" kreeg ik dan wel te horen. Ik had en heb tegen zo'n argument niet veel in te brengen. Goed, maar wat had er dan moeten gebeuren, toen deze jonge mensen met een blij gezicht kwamen zeggen, dat ze belijdenis wilden gaan doen? Had hun gezegd moeten worden, dat ze daar nog niet rijp voor waren? Geeft dat niet een geweldige afknapper?
Daarom heb ik wel eens gedacht: Zou het ook mogelijk zijn de openbare geloofsbelijdenis in fases te laten verlopen? Een eerste fase, uitsluitend voor de kerkeraad, waarbij in zeer eenvoudige formulering naar het geloof in Jezus Christus, Zijn sterven en opstanding voor ons, gevraagd wordt, waarna als het antwoord voldoet, zulke jongeren tot het avondmaal toegelaten worden.
Laten we zeggen, dat deze handeling plaats vindt rondom het zestiende levensjaar. Terwijl dan de sterk verplichtende vragen, waarvoor een volwassen rijpheid vereist is, uitgesteld worden tot een later tijdstip, waarop de aanvankelijke keuze publiek bevestigd wordt, na een periode van confrontatie van het eigen geloof met andere levensopvattingen, op de catechisatie en in de levenspraktijk.
Men belast dan de jeugd niet met beloften, die te vroeg afgelegd zijn en men belemmert ze ook niet in hun geloofsgroei door een te lange ontzegging van de maaltijd des Heren.

Tenslotte, wat moeten we doen met ouders, die weigeren hun kinderen te laten dopen, zonder te overwegen naar een baptisten of pinksterkerk over te gaan? Ik bedoel dus gelovigen die prijs stellen op het gereformeerd zijn, maar alleen op dit punt bedenkingen hebben. Moet hun het lidmaatschap ontnomen worden, of, als ze 't aanvragen, geweigerd?
Ik meen dat 't de kerkvader Cyprianus van Carthago was, die adviseerde om, wanneer een dwaling in de gemeente algemeen was, de tucht vooreerst op zij te zetten en ijverig te gaan onderwijzen.
Zo geloof ik ook, dat nu gehandeld moet worden. De kinderdoop is onder de christenen van vandaag geen vanzelfsprekendheid meer. En wat veel zegt: Ze wordt aangevochten door gelovigen en geloofsgemeenschappen die voor het overige ons respect verdienen en ook algemeen een goede christennaam hebben. Dat maakt 't mijns inziens onmogelijk, over deze afwijking consequente tucht te oefenen.
Men zal daarom moeten volstaan met van gelovigen, die in de gereformeeerde kerken de kinderdoop verwerpen, te vragen, dat zij het kerkelijke en schriftuurlijke onderwijs en vermaan op dit punt aan zich toe zullen laten en dat ze zich zullen onthouden van alle oneerlijke propaganda voor hun standpunt. Dit laatste met andere woorden gezegd: dat ze hun fatsoen zullen bewaren en bedenken dat ze in een gereformeerde kerk zijn, die God dankt voor de kinderdoop.
Deze voorwaardelijke tolerantie mogen we, geloof ik, opbrengen, omdat we in de Schrift geen uitgedrukt gebod tot kinderdoop vinden. Het blijft een conclusie uit de Schrift. Maar wel een juiste conclusie, zover durf ik wel te gaan. Tolerantie vinden we gelukkig.
ook bij sommige baptistische kerken (bij voorbeeld in Griekenland), die christenen die tot hen overkomen, niet noodzakelijk zich opnieuw te laten dopen, wanneer zij hun eigen doop als kind gelovig waarderen. Mij dunkt, dat schept een sfeer voor contact en gesprek.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief