EEN CHRISTELIJK GEBED (6)
1974-06-14
• En Ik ben niet meer in de wereld - Jaargang 18
- nummer 24
'De wereld' staat voor 'de mensen'. En de mensen zijn in de weer voor Jezus. Soldaten trekken hun uitrusting aan. Schriftgeleerden worden voor een spoedvergadering uit bed gebeld. Een stadhouder en zijn vrouw hebben een slapeloze nacht. Scharen drommen door de straten van de stad.
Maar Jezus is al niet meer onder de mensen. Jezus is al niet meer in de wereld. Zijn uur heeft geslagen. Het uur van lijden en sterven. En het uur van opstaan en naar de Vader gaan.
• Maar zij zijn in de wereld
'De wereld' staat voor 'de mensen'. En de mensen zijn in de weer voor Jezus' discipelen. Inkwartierders houden zich gereed. Kerkelijke en were1dlijke rechtbanken worden opgericht. Onder het volk wordt stemming gekweekt.
En de discipelen zijn midden onder de mensen. De discipelen zijn midden in de wereld. Zij worden platgedrukt, onder de voet gelopen op deze verwarde vrijdag. Zij blijven alleen achter.
• En Ik kom tot U
Zij blijven, maar Ik ga - zegt Jezus tot zijn Vader. Ik kan Petrus nog eens van verre aankijken, en dan weent hij bitter. Ik kan Johannes nog eens van verre een opdracht geven, en dan neemt hij moeder Maria bij zich in huis. Maar Ik ben al weg, Ik ben al op weg naar U toe. En waar Ik heen ga, kunnen zij Mij nu niet volgen.
Ook daarom bidt Jezus voor zijn discipelen. Jezus bidt voor zijn discipelen ter ere van God en om Jezus' wil. Maar Hij bidt ook voor zijn discipelen ter wille van henzelf. Dáárom bidt Jezus voor zijn discipelen: tot eer van God en tot redding van de mens. En de redding van de mens (Luther) is de eer van God (Calvijn).
• Heilige Vader, bewaar hen in uw naam, die Gij Mij gegeven hebt
De enige echte God heeft aan de tweede echte mens zijn naam gegeven.
Jezus is: de Zoon des Vaders. En de Zoon heeft een aard naar zijn Vader.
De Zoon is sprekend de Vader. Jezus is het beeld. de transparant, de afdruk van God.
Die afdruk van God in de mensenwereld mag niet verloren gaan.
Jezus gaat weg uit de wereld. Maar de afdruk van God mag niet weggaan uit de wereld. Die afdruk moet gecopiëerd, vermenigvuldigd worden onder de mensen.
Wie Jezus hoorde, hoorde God. Wie de discipelen hoort, moet Jezus en dus God horen. De Zoon was de transparant van de Vader. De discipelen moeten de transparant van de Zoon en dus van de Vader zijn.
Vader - bidt Jezus - geheiligd worde uw naam. Geef, dat elk als kind op U gelijkt, dat in zijn doen en laten uw beeltenis blijkt!
• Dat zij één zijn zoals Wij
Jezus bidt niet om de logge eenheid van de katholieke kerk. Jezus bidt ook niet om de valse eenheid van de oecumenische beweging. Jezus bidt zelfs niet om de een:heid van de gelovigen met elkáár.
Maar Jezus bidt om de eenheid van de discipelen met de Váder en de Zóón! "Dat zij één zijn zoals Wij één zijn."
De Vader en de Zoon zijn één. Wie de Vader is, kun je zien aan de Zoon. Jezus? - Sprekend God!
Precies zo moeten de-Vader-en-de-Zoon en de discipelen één zijn. Wie de Vader en de Zoon zijn, moet je kunnen zien aan de discipelen. De discipelen? - Sprekend Jezus! En dus: sprekend God!
Jezus bidt om de vervulling en de onthulling van Psalm 8: "Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet? Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond!"
• Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in uw naam, die Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt
De leermeester is de samenbindende kracht. Als de leermeester wegvalt, valt de leerlingenkring uiteen. Wij - die dit schrijven en lezen - hebben dit aan den lijve ondervonden.
Jezus heeft zijn leerlingen gestempeld. En nu Hij uit de wereld weg gaat, mogen zijn, leerlingen dat stempel niet kwijt raken. Daarom vraagt Hij aan de Vader, zijn werk over te nemen. Vergader, bescherm en onderhoud mijn leerlingen. En mijn leerlingen zijn uw beelddragers.
• En niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs
Calvijn zegt: Judas behoorde niet tot "de echte kudde Gods, toch gaf de waardigheid van zijn ambt de schijn alsof 't was."
Maar Jezus zegt: Twaalf mensen heeft de Vader Mij gegeven, over twaalf mensen heb Ik gewaakt. Maar één heeft niet gewild. Die ontdekte Gód niet in Jezus. Die was niet verrukt over deze ontdekking.
Dat was niet de schuld van de Vader. Ook Judas heeft de Vader aan de Zoon gegeven. Dat was niet de schuld van de Zoon. Ook Judas heeft Jezus bewaakt. Maar dat was de schuld van Judas zelf. Judas heeft niet gewild.
Elf hebben wel gewild, en dat is een groot wonder. Eén heeft niet gewild, en dat is een diep raadsel. En het is maar goed voor ons, als dat raadsel een raadsel blijft.
• Opdat de Schrift vervuld werd
De Schrift zei niet, dat Judas móést afvallen. De Schrift zei, dat Judas zóû afvallen (Psalm 55). De Schrift zegde niet vóór, de Schrift voorzegde.
Zeg daarom niet: "Zo schuldig is de Schrift en dus de Geest die door de Schrift spreekt." Maar zeg: "Zo nuchter is de Schrift en dus de Geest die door de Schrift spreekt." Wat David overkwam, is Davids grote zoon overkomen en zal de kerk van alle tijden overkomen. De zoon des verderfs kun je niet vasthouden. Dat kan geen mens. Dat kan zelfs de tweede mens niet. Dat kunnen zeker de derde, de vierde en de miljoenste mens niet. En dit is en blijft een diep raadsel.
• Maar nu kom Ik tot U en Ik spreek dit in de wereld, opdat zij ten volle mijn blijdschap in zichzelf mogen hebben
'De wereld' staat voor 'de mensen', staat zelfs voor de elf mensen die Jezus' vrienden zijn. Hun heeft Hij Gods woord gegeven, opdat :zij Gods woord zouden doorgeven.
Gods woord geven is blijdschap, blijdschap voor Jezus. Gods woord doorgeven is blijdschap, blijdschap voor Jezus' discipelen. Het is blijdschap, enkel blijdschap, om een danklied te geven en door te geven (Jesaja 12):
Looft de HERE, roept Hem aan,
meldt de volkeren zijn daân,
geeft alom getuigenis
dat zijn naam verheven is.
Grootse dingen deed de HERE;
dit moet heel de aard betuigd.
Jubelt, Sionieten, juicht,
groot is onder u de HERE.