De brief aan de Efeziërs
1974-06-14
Twee delen van de mensheid 2:11,12 - Jaargang 18
- nummer 24
Om de grote genade te begrijpen, die de lezers thans gekregen hebben, moeten zij vooral hun verleden niet vergeten. Dat zal hen te meer tot de rechte dankbaarheid brengen.
In het geheel van Gods plan, (het geheim) om te komen tot de volheid der tijden, tot de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarop alle verhoudingen hersteld zijn neemt de vergadering van de gemeente een centrale plaats in. Om dat goed te begrijpen is het noodzakelijk terug te gaan tot het "in de beginne".
Toen God klaar. was met scheppen, ook van de mens, was alles zeer goed. De mens ontving heerschappij over het geschapene. Gen. 1 : 28. Om dat goed te doen ontving de mens ook alle gaven, die hij nodig had. Hij werd als Gods goedgelijkend beeld geschapen.
Daarbij ontving hij het bevel zich te vermenigvuldigen. Gen. 1 : 28.
God wilde een schone kosmos, met aan het hoofd een mensheid.
De zonde, die alles zuur maakt, heeft ook dit verstoord. Overal ontstond disharmonie en vijandschap.
Nu heeft de mensheid a.h.w. alles gedaan om de verwerkelijking van Gods plan om alles te herstellen tegen te gaan. Van Adam tot Noach zoekt God de mensheid.
Maar steeds verder keerde men zich van de HERE af. Zo ver dat de zondvloed kwam. Er werden maar acht behouden.
Acht van zo veel.
En na de zondvloed gaat het niet veel beter. In de periode tot Abraham ontstaat het heidendom. Te beginnen met Abraham is er de begrenzing van het heil tot één volk. Het volk Israël. En de rest van de mensheid laat God gaan op de eigen gekozen wegen. Rom. 1 : 18-32. Daarom is sedert het apart stellen van het volk Israël, de mensheid opgedeeld in twee groepen: Joden en heidenen. Het heil wordt beperkt. Zeker, tijdelijk, maar toch beperkt tot een niet eens zo groot volk. Gen. 12: 3.
De heidenen worden vreemd aan het verbond. Dan zijn ze zonder Christus, uitgesloten van het burgerrecht van Israël, vreemd aan het verbond. Zonder hoop en zonder God in de wereld.
Hopeloosheid
Hopeloosheid is het woord, waarmee oud en nieuw heidendom wel te typeren is. Er staat van de heiden hier geschreven dat ze atheïsten waren. Zonder God.
Dan moeten we het moderne woord atheïst maar even vergeten.
Ze hadden vele goden.
Maar ze kenden niet de God van Abraham, Izak en Jacob, de God en Vader van onze Here Jezus Christus. Maar het dienen van afgoden is toch atheïsme. Als je God de deur uit doet komen de afgoden met drommen naar binnen.
Maar het zijn echt afgoden.
Ze kunnen niet helpen.
En vandaar de hopeloosheid. Zowel van oude als van nieuwe heidenen.
De terugkeer tot de echte hoop kan alleen maar plaats vinden door de terugkeer naar Jezus Christus. Tot de erkenning dat het heil uit de Joden is.
Geen discriminatie
Paulus wil niet zeggen dat er onderscheid is tussen Jood en heiden wat betreft de weg van het heil.
De heidenen werden wel onbesnedenen genoemd. Dat is vooral in het O.T. veel te lezen. Maar als een Jood het nu nog doet dan is dat vanuit de zogenaamde besnijdenis.
Dat is vanuit de Farizese en judaîstische gedachtengang.
Zo denkt Paulus niet meer. De heidenen moeten behouden worden door Jezus Christus. Maar dat geldt evenzeer van de Jood, die zich op vleselijke wijze laat voorstaan op de besnijdenis.
Er is maar één weg. De weg naar en van Jezus Christus.
Vrede 2 : 13-22
De heidenen waren ver weg. Het is goed te bedenken dat de uitdrukking "zij die verre zijn" in de Bijbel meestal doelt op de heidenen.
Petrus gebruikt het zo op de Pinksterdag. Hand. 2: 39.
Paulus spreekt over de scheiding tussen Jood en heidenen als over vijandschap.
In de letterlijke zin van het woord te lezen. De vijandschap was van weerskanten groot.
De Jodenhaat is de eeuwen door groot geweest. Denkt u maar aan Israël in Egypte. Er is ook te denken aan wat ons verteld wordt in het boek Esther. Verder aan Handelingen 18: 1. En Hitler en de Arabische wens Israël nu uit het beloofde land te verdrijven moeten we evenmin vergeten.
Daarachter zit ten diepste wel de vijandschap tegen Gods souvereine verkiezing van land en volk.
Elke andere verklaring van het anti-semitisme laat vele vragen open.
Omgekeerd hebben de Joden vaak de heidenen veracht op een verkeerde manier. Vanuit het vlees.
Ze spraken over de heidenen als honden. Ze hebben zich vaak verheven gewaand boven de heidenen.
Toch was het Gods wil: de afzondering van Israël. God Zelf had een tussenmuur gemaakt, die scheiding maakt. Dat was de wet.
der geboden in inzettingen bestaande.
Die wet leerde ook dat er geen vrede kon zijn tussen Israël en afgodische volken. Die vrede zou alleen komen door de Messias. De echte vrede eerst met God en dan tussen de twee delen der mensheid kan er alleen maar zijn door het werk van de Vredevorst.
Jes. 9 : 5.
Daarom is Jezus Christus onze vrede. Want Hij heeft in Zijn vlees, de wet, die scheiding maakte buiten werking gesteld.
Wat is vrede eigenlijk?
Nu het tegenovergestelde van vijandschap. Niet aangevallen worden door vijanden, Lev. 26 : 6.
Die vrede is een gave van het verbond. Richt. 6: 24; Jes. 54: 10; Ez. 34 : 25. Vrede is de Almachtige tot Bondgenoot hebben.
Met hem verbonden zijn in levensreddende genade.
Het is het herstel van het oorspronkelijke.
Want als Jezus Christus komt dan is er weer vrede op aarde voor de mensen van het welbehagen. De heerschappij van de satan komt tot een einde. Rom. 16: 20.
Vrede omvat al het heil voor gans de mens en daarin het herstel voor heel de schepping.