Wie is als God?
1973-06-22
Wie is als de Here, onze God, die zeer hoog woont, die zeer laag neerziet?- Jaargang 17
- nummer 25
Ps. 113: 5, 6
Voor Michaël
Hoe meer we ons achteruit gezet voelen, onderbedeeld vergeleken bij anderen die zoveel meer hebben, des te meer proberen we toch iets te vinden wat ons een voorsprong geeft op anderen. Want om die voorsprong gaat het in de niets-ontziende concurrentie-strijd die we te voeren hebben. Een voorsprong die we alleen maar houden, wanneer het ons lukt de anderen een beetje achteruit te duwen, zodat wij wat naar voren kunnen dringen. Daarom zijn we zo sterk in het ontdekken van min-punten bij de mensen om ons heen. Daarom zijn we er zo verbazend knap in, te ontdekken hoe verkeerd het wel in andere kerken gaat: dan brengen wij het er een stuk beter af. Daarom zei die farizeeër - in de gelijkenis die Jezus vertelde - zo in-tevreden: ik dank u, God, dat ik niet ben zoals de andere mensen of zoals die tollenaar, die daar ginds staat.
Er zijn mannen die opscheppen over hun auto. Er zijn moeders die opscheppen over hun baby. Er zijn mensen die opscheppen over hun kerk. Scheppen wij zo op over onze God? Omdat bij die God van ons dan toch maar iedere andere god in het niet zinkt. Moet God ons helpen in onze concurrentie-strijd?
Dat God onvergelijkelijk groot is, dat wil de man die in psalm 113 aan het woord is best weten. Jahwe is verheven boven alle volken en boven de hemelen is zijn heerlijkheid.
Bij Hem zinkt alles in het niet.
Maar met concurrentie heeft dat niets te maken. Juist die God die zo hoog woont, - juist Hij ziet zo onvoorstelbaar laag neer. En wat dat inhoudt, dat blijkt wel uit het vervolg: die de geringe opheft uit het stof, de arme omhoog heft uit het slijk, om hem te doen zitten bij de edelen, bij, de edelen van zijn volle.
Zo spreekt het oude testament over God. Hij is het die wat klein is tot iets groots maakt, die Abraham en Jakob en David, roept, vanuit het heidendom, vanaf de tweede plaats, van achter de schapen, en ze helemaal vooraan zet.
Die zich het lot van de verdrukten aantrekt, die de arme redt en die om hulp roept en die geen helper heeft. Die nederigen verhoogt en trotsen vernedert. Die hongerigen met goederen verzadigt, maar rijken leeg wegzendt.
Daarvan heeft Jezus de mensen willen doordringen, toen hij aan armen van geest het koninkrijk der hemelen beloofde, en toen hij een kind naar zich toe riep en zei: wie zichzelf gering zal achten als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk der hemelen.
En zo heeft Jezus het zelf ook gedaan.
Hij heeft - zegt Paulus - zijn goddelijkheid, zijn heerlijkheid, niet opgevat als iets wat hij ten koste van allen moest vasthouden, wat hij tegenover anderen verdedigen moest. Hij heeft zijn heerlijkheid juist terwille van de anderen afgelegd. Hij is zo laag mogelijk afgedaald. Hij is naast de aller-geringsten gaan staan. Hij heeft zich gebogen onder onze schuld. Opdat Hij ons onder die schuld. uit zou halen Opdat wij - net als hij - kinderen van God zouden zijn.
Bij God valt alles in het niet? Ja, maar wie nederzinkt wordt door Hem opgericht. Onze God is niet een god, die alleen maar groot kan zijn doordat Hij anderen naar beneden drukt. Hij is onze concurrent niet. Juist daarin is Hij zo geweldig, dat Hij zo laag ziet. Zó laag dat Hij zelf mij in het oog heeft.
En die daar helemaal beneden aan staan, in het donker, - trekt Hij naar boven, die haalt Hij in het licht.
Daarom is het waar: vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.
Vele eersten. Dat zijn zij die zichzelf wel helpen. Die zich als concurrenten van God en van de mensen gedragen. Die laat God in hun concurrentie-strijd. En in die strijd zijn ze de grote verliezers.
Want juist vele laatsten zullen de eersten zijn. Hen die zichzelf niet helpen, - die helpt God. En die zichzelf niet verhogen, - die verhoogt God. En die op de laatste plaats staan, - die staan bij God helemaal vooraan.
Is het niet belachelijk dat wij er beter van denken te worden als we anderen passeren. En als we dat doen, hebben we dan nog wel het recht ons druk te maken over het gemak waarmee vandaaz wordt afgerekend met weerlozen, met mensen die niet waardevol meer zijn, met defecte mensen en ongewenste kinderen?
Laten we niet denken dat onze verontrusting daarover onzelf niet raakt, al maken wij het niet bonter dan alleen maar dit: dat we eenvoudig geen rekening houden met hen die geen stem hebben, en geen kracht om terug te slaan, en geen helper die voor ze opkomt.
We zijn gewaarschuwd. Wie is als de Here, onze God, die zeer hoog waant, die zeer laag neerziet?
Waarom passeert God die eersten, die mensen die menen: maar wij zijn in elk geval de minsten niet?
Omdat zij God eigenlijk helemaal niet nodig hebben. Zoals de
farizeeër uit de gelijkenis God niet nodig had. Wie God nodig heeft, kan maar één ding zeggen: o God, wees me genadig. Die weet zich werkelijk de minste.
En wie zo als de minste staat voor God, die staat zó ook temidden van de mensen: als de minste ...
Die weet het dus: ik hoef niet te concurreren. Ik hoef mezelf niet op een grove of geraffineerde, of schijn-vrome manier naar voren te dringen. Als ik het rijk van God binnenga, dan is dat alleen omdat God, die zo hoog woont, zo laag neerziet.
En dáárvan mag ik zingen. Niet om met mijn God al mijn concurrenten te verslaan, maar om mijn hand uit te strekken naar alle nooddruftigen, alle weerlozen, alle achtergeblevenen, om ze naar me toe te trekken en met me mee te trekken. Om hen te zegenen, daar zelfs ik door God geroepen werd om zegening te beërven.