Gezag (1)
1973-06-22
1. Tweeheid en gemeenschap - Jaargang 17
- nummer 25
Het is zonder meer duidelijk dat "het gezag" in onze dagen in allerlei samenlevingsverbanden in een crisis verkeert. We zien het in de staat, in de bedrijven, op de universiteiten, in de kerk, in de gezinnen. Er is een tijd geweest dat gezagsverhoudingen min of meer als iets vanzelfsprekends aanvaard werden, ook al was het dan soms zo dat die aanvaarding enigszins morrend geschiedde.
Maar momenteel is dat niet meer het geval, of, wanneer het nog zo is, is het een uitzondering.
Nu hebben we bij "gezag" altijd met twee partijen te doen, die welke het gezag draagt en uitoefent, en die welke onder het gezag gesteld is. In de staat hebben we te doen met overheid en onderdanen, in het bedrijf met directie en employé's, op de universiteit met bestuur en personeel, met docenten en studenten, in de kerk met ambtsdragers en gewone leden, in het gezin met ouders en kinderen. "Gezag" houdt altijd in dat de een iets over de ander te zeggen heeft. Er is een fundamentele tweeheid. En nu is het van het grootste belang hoe de een de ander en de ander de een ziet.
Het grondleggende Bijbelse gebod inzake het gezag is: Eer uw vader en uw moeder, Terecht wordt in de Catechismus het gezichtsveld en het betekenisveld van dit gebod uitgebreid tot "allen die over mij gesteld zijn". Dat is niet een willekeurige verruiming die de opstellers van de Catechismus aan het gebod gegeven hebben, maar de schriftuurlijke uitwerking van wat in het gebod als in een notedop gegeven is. Een uitwerking die rechtstreeks op de Schrift berust, waar deze immers elders duidelijk spreekt van het gezag van overheden, patroons en ambtsdragers.
Nu moeten we bij het nadenken over de geboden en over hun betekenis in de breedte en in de diepte nooit vergeten dat de liefde de vervulling der wet is en dat er daarom twee hoofdgeboden zijn die de wortel van alle geboden zijn: Gij zult liefhebben de Here uw God met geheel uw hart .... , en: gij zult uw naaste liefhebben als u-zelf, Het eerste hiervan noemt Jezus "het eerste en grote gebod", maar van het tweede zegt Hij dat het "daaraan gelijk" is.
We zijn in de eerste plaats schepselen van God, gemaakt naar Zijn beeld, hetgeen onmiddellijk met zdch meebrengt dat God een relatie van wederkerige liefde met ons heeft gesticht. Maar in de tweede plaats:we zijn als schepselen van God niet alléén. Het mensdom is gemaakt als een eenheid.
Dat is al begonnen met de schepping van Eva uit Adam, en dat heeft zich voortgezet dáárin dat wij allen uit deze eerste voorouders voortgekomen zijn. Het op déze manier schepselen-van-Godzijn -dus: niet alléén maar sámenbrengt met zich mee dat we de ander als onze naaste moeten zien en behandelen. En daarom is.jhet tweede gebod" aan "het eerste" gelijk, al is dan ook het eerste het eerste.
Dit "tweede gebod" is dus ook de basis, het fundament, de wortel van het gebod inzake het gezag.
En daarom kunnen we in de grond van de zaak alleen maar een verstandig woord over "gezag"
spreken wanneer we "de ander" beschouwen als onze naaste en onszelf de naaste van "de ander" weten.
Het zal duidelijk zijn dat dit geldt naar twee kanten, zowel naar de kant van degene die tot gezagsuitoefening geroepen wordt als naar de kant van hem die zich aan over hem gesteld gezag moet onderwerpen. Beiden hebben de ander als hun naaste te beschouwen en te behandelen en hebben dát in het onderling verkeer als uitgangspunt te nemen, telkens weer bedenkend: Wat gij wilt dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo.
In het verhaal van de barmhartige Samaritaan heeft Jezus duidelijk gemaakt hoe onze houding tegenover de naaste behoort te wezen.
Hem werd gevraagd: Wie is mijn naaste?, waarop dit verhaal volgde. Het merkwaardige is dan, dat Jezus aan het slot Zijn interpellant niet vraagt: Wie was nu de naaste van priester, leviet en Samaritaan?, maar: Wie i:s nu de naaste geweest van degene die slachtoffer van de overvallers geworden was?, met andere woorden: Wie heeft zich de naaste van dat slachtoffer betoond? Het lag in de lijn van het rabbijnse denken te vragen: Wie is mijn naaste? en dan te gaan áfschrijven: een heiden? - neen, natuurlijk niet; een Samaritaan, iemand van gemengd bloed en van een menggodsdienst? - onmogelijk; een Jood die tollenaar is? - dat gaat ook niet; iemand die ik tegenkom maar die mij ritueel zou verontreinigen (zo zal de gedachtengang van priester en leviet wel geweest zijn)? - dat kan evenmin.
Maar Jezus drukt ons op het hart niet te vragen: Wie is mijn naaste?, doch: Betóón ik mij de naaste van degene die ik vind op mijn weg, met wie ik in aanraking kom, zonder te vragen: Wie is hij? wat is hij? in wat voor positie breng ik mij wanneer ik de helpende hand uitsteek?
In de gezagsverhoudingen in de verschillende samenlevingsverbanden hebben we allen, zowel gezagsdrager als ontzagbieder. te vragen: Betóón ik mij de naaste van de ander' die zich op mijn weg bevindt? En, iets meer geconcretiseerd: Hoe zou ik graag behandeld willen worden wanneer ik in de positie van de ánder stond?
Wanneer we ons uitgangspunt dáárin nemen dat de ánder onze potentiële tégenstander is, dan tasten we de wortel, het fundament van de gezagsverhouding aan. Gezag berust dáárop dat we sámen zijn in een bepaald samenlevingsverband en daar elk onze eigen plaats innemen. Dat behoort wezenlijk tot de gezagsstructuur.
Dat is het kader, het raam waarbinnen het gezag en de onderwerping daaraan functioneren. Tast ik nu die principiele structuur aan door het samen-zijn, het gemeenschapskader te ontkennen, door uit te gaan van een principiele, gegeven tégenstelling, dan verlies ik de basis waarop gezag en gehoorzaamheid béide hebben te staan en zich naar eigen aard hebben te ontplooien en ook alleen maar zinvol kunnen ontplooien.
En dat is het nu wat we in onze tijd menigmaal ontmoeten: dat de onderdaan al begint met de overheid als zijn tegenstander te beschouwen, dat de ondergeschikte in het bedrijf a priori zijn chef(s) ziet als vijand(en), en vice versa, hetgeen men kan uitbreiden tot andere verbanden. Ik heb dat concreet meegemaakt toen ik gedurende een jaar deel uitmaakte van het bestuur van de universiteit van Groningen, voordat daar de nu geldende "wet universitaire bestuurshervorming" van kracht werd. In deelvergaderingen die de voorbereiding van de algemene vergaderingen dienden, heb ik herhaaldelijk horen zeggen: we moeten tégenspel leveren tegen het Dagelijks Bestuur. Alsof niet dagelijks bestuur en algemeen universiteitsbestuur sámen zich eraan moesten zetten de belangen van de universiteit als geheel en binnen dat kader de belangen van de verschillende groeperingen in dat geheel te behartigen.
De wortel van het gezag wordt ook aangetast wanneer we de tweeheid - hetgeen dus principieel iets anders is dan de tegenstelling - ontkennen en afwijzen.
Het is aan allerlei verbanden inhaerent, het hoort er wezenlijk bij, dat er een tweeheid is van gezagsdrager en ontzagbieder.
Die tweeheid is b.v. gegeven met de structuur van het gezin. Daar hebhen we aan de ene kant de ouders en aan de andere kant de kinderen. Dat is een uit de schepping voortvloeiend gegeven dat we onmogelijk kunnen ontkennen.
De ouders hebben de kinderen te verzorgen en groot te brengen, zij hebben ze óók groot te brengen dáárin dat ze hen opvoeden, hun leiding geven. En daar hoort bij dat ze van de kinderen gehoorzaamheid hebben te vragen.
Deze eerste en 't meest voor de hand liggende gezag-gehoorzaamheidsverhouding wordt in het vijfde gebod genoemd, maar andere verhoudingen van verwante structuur vallen mede onder dat gebod. De tweeheid is ook duidelijk gegeven met het karakter van de staat. Het is eigen aan de staat dat er een overheid is en dat er onderdanen zijn, zó eigen dat wanneer men het gezag van de overheid verwerpt er vrijwel onmiddellijk - wellicht na een periode van anarchie - weer een, overheid opstaat. Daar ontkomt de meest verstokte anarchist niet aan.
We kunnen de tweeheid gaan ontkennen door te zeggen dat in de staat het volk regeert, de souvereiniteit heeft. Werkt men dat individualistisch uit, in deze trant dat het volk niet meer is dan de optelsom van een groot aantal aparte, vrije personen, die allemaal evenveel meebeslissingsrecht hebben, dan kan het niet anders of het beleid wordt bepaald door de meerderheid der stemmen, met het niet denkbeeldige gevolg dart de minderheid niet aan haar trekken komt. Dan is er al weer een tweeheid van regeerders en geregeerden. Het kan echter ook zó gaan dat uit dat zichzelf regerende volk een machthebber opkomt die beschouwd wordt - en zichzelf beschouwt - als de verpersoonlijking van de geest van het volk en dan een dictatuur gaat uitoefenen.
Hoe het echter ook gaat men zal aan de tweeheid nimmer kunnen ontkomen omdat die tweeheid nu eenmaal aan de staat eigen is, in de scheppingsorde besloten ligt.
2. Gezagsgestalten
Het gezag neemt in de verschillende verhoudingen waarin het optreedt verschillende gestalten aan. Om maar weer met het gezin te beginnen: daar wordt de aard van het gezag bepaald door de eigen aard van het gezin dat een liefdesgemeenschap is in onlosmakelijk verband met de levensgemeenschap der ouders en de onderlinge, bloedverwantschap. De aard van het ouder lijk gezag en de wijze van de uitoefening van dat gezag worden dáárdoor bepaald.
Het kan in deze gemeenschap voorkomen dat ouders een kind, dat een of ander vergrijp heeft gepleegd, niet straffen, maar er ernstig mee praten, het wijzen op z'n verkeerd gehandeld hebben, op z'n verantwoordelijkheid enz. Dat kan in bepaalde omstandigheden volkomen juist wezen.
Dit samenlevingsverband wordt niet getypeerd door het recht en door de daaruit voortvloeiende vergelding maar door de liefde. Dat betekent natuurlijk niet dat alles wat verkeerd is maar over het hoofd gezien moet worden. Dát is geen echte liefde.
Echte liefde zal de norm voorhouden, zal vermanen, afkeuren, straffen. Maar de straf die de vader zijn zoon toedient draagt een ander karakter dan de straf die de overheid de misdadiger oplegt.
In het laatste geval bedient de overheid als dienaresse Gods het recht, oefent zij vergelding, waarbij "de sterke arm" - politiemacht - een rol speelt, in het eerste geval blijft het gaan om de bediening van de ouderlijke liefde tot heil van het kind. Een vader die alleen maar nijdig is omdat z'n zoon dit of dat niet naar z'n zin gedaan heeft en dan in en vanuit die nijdigheid straft bedient zijn vaderambt niet op de rechte wijze. De liefde moet ook in het straffen het beheersende zijn en dat moet een vader op een of andere manier voelbaar maken.
Het is de taak van de overheid het recht te bestellen en te handhaven, en zij heeft daarvoor "het zwaard" in de hand gekregen.
De overheid heeft een "sterke arm". Voor de overheid is niet de liefdesgemeenschap het beheersende, maar de rechtsgemeenschap.
Zij zal niet de ene keer een misdadiger een bepaalde straf mogen opleggen en een andere keer, na hem vermanend te hebben toegesproken, mogen laten gaan. Hier moet direct aan toegevoegd worden dat in het rechtsleven de figuur der "billijkheid" erkend wordt, waarmee als het ware vooruitgegrepen wordt naar de idee van de ethische liefde.
Het rechtsleven is niet van het begin tot het eind vastgelegd in precies omschreven regels, en de straffen bij overtredingen zijn niet tot in het kleinste van te voren bepaald. De rechter heeft de zaak te beoordelen, en die zal, juist om tot een recht (rechts)oordeel te komen, met allerlei factoren rekening houden. Een oude spreuk zegt: Het hoogste recht is het hoogste onrecht, en daarin zit iets waars, in deze zin dat in bepaalde gevallen een precies uitgerekende bediening van de letter der wet tot grote onbillijkheid kan voeren. Met de figuur van de billijkheid wordt in het positieve recht, de concrete wetgeving, meer en meer rekening gehouden. De politie-agent heeft de vrijheid in bepaalde gevallen, bij verkeersovertredingen b.v., te volstaan met een waarschuwing.
Hij moet daartoe natuurlijk de gevallen onderkennen en onderscheiden, hetgeen zijn werk niet gemakkelijker maakt. 't Is veel eenvoudiger zonder onderscheiding van de gevallen en de omstandigheden domweg op de bon te zetten. Dat "bureaucratische" is echter als zodanig nog niet recht, en het doet ook onaangenaam aan. Het verhoogt de autoriteit, het morele gezag van de politie, wanneer zij er blijk van geeft rekening te houden met factoren die niet zo precies "in het boekje" staan. Dat is een zaak van billijkheid, die in het rechtsleven een plaats behoort te hebben.
Maar daarmee is nog niet het karakter van het gezag der overheid veranderd. Dat gezag blijft een rechtskarakter dragen en wordt niet tot een soort van vaderlijk gezag.
De Schrift zegt dat de overheid er is "ons ten goede". Inderdaad, dát is het fundament van de overheidsroeping.
Een overheid die ervan uitgaat dat de onderdanen in principe allemaal haar tegenstanders zijn begint niet goed en zal haar taak slechts kunnen volbrengen en zichzelf slechts kunnen handhaven in een sfeer van wantrouwen, met behulp van geheime politie, afluisterapparatuur, aftappen van telefoons, arrestaties zonder aanklacht etc. De overheid is er "ons ten goede". Zij moet op haar gebied het recht handhaven, leven, vrijheid en eigendom van de burger beschermen.
En dan heeft die overheid met vélen te doen, met het gevolg dat het óók tot haar taak behoort gelijkheid der burgers voor de wet te doen bestaan. Het zal de erkenning van het gezag der overheid - hetgeen nog iets anders is dan het bukken voor de overmacht - ten goede komen wanneer zij in haar beleid er blijk van geeft werkelijk het recht te zoeken, in het positieve recht dat is het concrete wettenstelsel - het Recht (dat schrijf ik dan nu even met een hoofdletter) te willen realiseren.
Aan de andere kant is het mogelijk dat. de onderdanen de overheid als hun natuurlijke vijand beschouwen. Het publiek kijkt vaak zó tegen de politie aan en kiest dikwijls, zonder te vragen wat er aan de hand is, de zijde van degene tegen wie de politie optreedt: de politie is een boze macht die de vrijheid bedreigt.
Dat komt ook dáárin uit dat, onmiddellijk nadat de politie ergens hardhandig heeft ingegrepen in de Tweede Kamer vragen gesteld worden en in allerlei kranten ingezonden stukken verschijnen waarin het optreden van de politie veroordeeld wordt. Terwijl toch de politie erop uit is juist datgene wat vrijheid en veiligheid van de burger bedreigt en aantast tegen te gaan. Er gaat overigens momenteel zulk een golf van misdaad: bankovervallen, overvallen van geldtransporten, berovingen, inbraken etc. over ons land, dat er wel enige kentering komt in de stemming.
Maar dat is nog niet een principiële verandering van inzicht.
Er is echter nog iets ergers dan dat de massa zich vaak tegen de politie keert, zonder erbij na te denken - al komt deze houding heus wel uit een bepaalde gedachte voort! -. Er is een stroming - en deze stroming wint meer en meer veld - die a priori de overheid beschouwt als vijand en daarom zich verzet tegen vrijwel alles wat de overheid doet.
De overheid als zodanig - zo is de gedachtengang - is een teken van het establishment, van de gevestigde orde, van de aanwezige, heersende structuren. En daarom moet die overheid weg.
De aanwezige structuren van staat en maatschappij deugen niet, die moeten omvergeworpen worden, en op de puinhopen van de huidige wereld moet dan een nieuwe wereld opgebouwd worden.
Men protesteert, demonstreert, bezet gebouwen, gaat soms over tot vernielingen. Daar zijn natuurlijk ook altijd mensen bij betrokken die zich laten meeslepen, die wel plezier hebben in een opstootje, een relletje, zonder de achtergrond ervan te beseffen.
Maar dit alles wordt gedragen door een levensbeschouwing: de overheid, symbool van de gevestigde orde, is onze vijand, die we moeten tegengaan en zo mogelijk moeten verdrijven. Men vergeet dan meestal, dat men onder het schild van deze overheid een vrijheid tot demonstreren heeft, die men in de nieuw te vestigen orde geenszins zou genieten en een ander ook niet zou gunnen. Daar denkt men niet aan. Het gaat om de macht.
Het gezag in de kerk heeft ook weer een eigen gestalte, in overeenstemming met de aard van de kerk als gemeenschap des geloofs op basis van een gemeenschappelijke belijdenis. Het gezag in de kerk, waarvan de ambtsdragers de bedienaars zijn, mag alleen maar zijn gezag van het Woord van God. En de meest getrouwe ambtsdrager is hij die met zijn persoon helemaal terugtreedt en alleen maar dat Woord bedient.
Waarmee ik natuurlijk niet zeggen wil dat hij niet met zijn gehele wezen daarin en daarbij moet zijn. Maar het mag niet worden: Ik ben ambtsdrager en dáárom moet u aannemen wat ik zeg en doen wat ik zeg. Het moet zijn: Zó zegt de Here het in Zijn Woord. In de uitoefening van het gezag van het Woord van God kent de kerk ook de strafoefening in de bediening van de kerkelijke tucht. Dat mag niet een soort van staatkundig strafrecht worden.
Het moet helemaal kerkelijk blijven, dat wil zeggen: de tucht moet bediend worden met en vanuit het Woord des Heren ter bewaring van de gemeenschap des geloofs.
(wordt vervolgd)