Maar zo kort?
1973-06-22
Op "Stille Zaterdag" stond in het Friesch Dagblad een artikeltje met het bovenstaande opschrift.- Jaargang 17
- nummer 25
Het trof mij bizonder. Ik knipte.
het uit. Dezer dagen kreeg ik het het weer onder ogen. En ik wil het aan onze lezers doorgeven.
Door zijn boek Oostloorn is Ds. S. Ulfers het meest bekend geworden onder ons en dat boek is weer herdrukt en in de handel.
Het boek van de oecumene van Wiegen de Dromer.
Maar Ulfers heeft veel meer geschreven. En het meest aangrijpend zijn vaak wel de pastorale schetsen, waarin hij vertelt van zijn belevenissen onder de mensen.
Op een zolderkamertje ligt een meisje en zij is ongeneeslijk ziek. Zij wéét het. Ze hebben het haar gezegd, dat het nu gauw zal gebeuren. En dan wordt zij begraven. Juist tegen dat begraven is er een wild verzet: Ik wil niet, ik wil niet!
Haar kranke verbeelding, zegt Ulfers, is op een onverantwoordelijke manier op gang gebracht en haar angst wordt een obsessie.
Het graf is zo verschrikkelijk.
Zo donker, zo eindeloos zwart en gruwelijk. Ik wil niet!
Hoe kan ik, zo denkt Ulfers, hier genezing brengen? Alleen maar, door verder te spinnen aan die wilde verbeelding, die volgeperst zit met angst.
Luister eens, meisje, zein hij, het is waar, dat graf is stil en donker. Maar het is maar voor héél kort. Want ik zal je er nog wat bij vertellen. Als je begraven wordt, dan is het nog middag. Maar dan komt de avond en het wordt donker.
En een witte wolk, het lijkt wel zilver, schuift voor de maan.
En dan opeens is Hij er, en geeft je de hand, en het is niet donker meer en Hij neemt je mee, je weet wel, Jezus.
En dan zien die grote ogen de dominee aan en de trillende stem vraagt: duurt het maar zó kort, zó kort?
Ja, zegt de dominee, zó kort.
Dan zegt ze: is het echt waar dominee? Geef me de hand er op, dat het wáár is, maar zó kort, want dan ben ik niet bang meer.
En ik gaf haar de hand, zei Ds. Ulfers en hield die hand vast, tot ze niet meer hijgde en de ogen gesloten had.
Maar zó kort.
Vandaag denken we aan hen, die wij zo lief hadden, dat wij dachten, dat wij er niet van zouden kunnen scheiden.
Wij denken aan hen op deze stille zaterdag, de dag, dat de Here Jezus in het graf lag. Ze telden drie dagen, want Hij zou na drie dagen weer opstaan.
Maar Hij werd begraven op vrijdagavond, toen de zon onderling en Hij stond op de zondagmorgen, die daarop volgde, héél vroeg. Twee nachten en één dag, dat werd voor drie dagen geteld. Zij liggen in het graf, die ons lief waren.
Sommigen al iaren. En het stof van vele eeuwen is verzameld.
Jaren, eeuwen gaan voorbij.
Maar Ds. Ulfers gaf er zijn hand op, het duurt maar zó kort. Zo héél kort. Het is maar een korte pauze.
"Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwake".
Had Ulfers misschien aan die woorden gedacht?
Rood is de avond,
als het zonlicht daalt:
ook in de dood
hebt Gij hun lot bepaald;
God, die de moede strijders
binnenhaalt.
Halleluja!
Morgen is het Pasen.
Des morgens héél vroeg, héél vroeg, al in de morgenschemering, ging de steen van het graf.
Duurt het maar zó kort?
Ja, het duurt maar heel kort!
Wie door Jezus Christus gegrepen is, wiens hand Hij heeft gevat Laat Hij nooit meer los!
Al gaan wij dan ten slotte door "het dal van de schaduwen des doods" - Hij blijft bij ons en wij bij Hem. Hij laat ons niet los.
Wie door Gods ondoorgrondelijke genade het eigendom van Christus werd blijft dat ononderbroken en voor eeuwig.
Christus zegt tegen Martha: "Ik ben de opstanding en het leven: wie In Mij gelooft zal (blijven) leven ook al is hij gestorven, en ieder die leeft en in Mij. gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven."
Wie in Christus gelooft heeft het eeuwige leven.
Daarom zegt Paulus ook dat de dood hem niet kan scheiden van de liefde Gods in Christus!
Er is, dikwijls zeer oneerbiedig geredeneerd, gefilosofeerd, gefantaseerd en gespeculeerd over de vraag water met ons, die in Jezus Christus als onze enige Zabigmaker geloven, gebeuren zal als we sterven gaan!
Niemand kan zich voorstellen of indenken hoe het na onze dood met ons zijn zal. Dat is ook niet nodig. We hebben wat dat betreft maar één ding nodig te weten.
En dat éne is genoeg.
Wij die van Christus zijn, blijven van Hem.
De band met Hem is onverbrekelijk.
En we zullen het "goed" hebben in de volle, edele zin van het woord.
Zo goed als geen oog het heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in geen hart is opgekomen!
En dat aanstonds, "van stonde aan".
Wat willen we nog meer?
• Protestanten in Spanje
De Protestanten in Spanje hebben het weer moeilijker gekregen.
"In de Rechte Straat" schreef daarover het volgende: In Spanje zijn plotseling alle protestantse radio-uitzendingen verboden. In "Calvinist Contact" schreef ds. Juan S. Boonstra hierover een artikel onder bovenstaande titel. Wij citeren daaruit: Na 31 januari moesten plotseling alle protestantse uitzendingen in Spanje gestaakt worden.
Verwarring heerst overal onder de evangelische christenen.
De spanningen zijn toegenomen.
Opnieuw heeft Spanje de weg gekozen van de middeleeuwen.
Ik wil hier enkele brieven laten volgen van vooraanstaande protestantse leiders van Spanje: "Wij weten dat dit verbod van protestantse radio-uitzendingen niet de wil is van onze regering maar de pressie die de r.k.-kerk heeft uitgeoefend, was zo sterk dat de regering ervoor bezwijken moest. En dan praten ze over "oecumene" en over "afgescheiden broeders en zusters"; en dan beweert men dat de Spaanse regering het tijdperk van de middeleeuwen voor goed achter zich heeft gelaten en onafhankelijk is geworden van de r.k.-kerk!"
"Wij hebben bewijzen voor dat ingrijpen van de r.k.-kerk, want de bisschoppen hebben zich eerst gewend tot de radiostations zelf en ze op allerlei wijze bedreigd, als ze door zouden gaan met de protestantse uitzendingen. Over het algemeen hebben de eigenaars van de radiostations - vanuit hun commerciële belangen ter verdediging aangevoerd dat deze programma's op geen enkele wijze een belediging van het r.k. geloof inhielden. En een bewijs daarvan was - zo redeneerden zij - dat de luisteraars ze beschouwden als r .k.-uitzendingen", "De bisschoppen echter hielden staande dat juist daarin het gevaar van die uitzendingen bestond: de mensen zouden van die uitzendingen kunnen gaan houden en als ze dan tot de ontdekking zouden komen, dat ze door protestanten verzorgd worden, dan zou de hoge muur die de r.k.-kerk in Spanje steeds in stand had gehouden tegenover de protestantse ketterijen,in elkaar storten".
Sommige r.k. gezagsdragers beweren dat de protestantse uitzendingen slechts tot doel hebben de r.k. tradities in Spanje te ondermijnen. Een andere predikant van een grote stad in Spanje antwoordde daarop: "Wij vragen: áls dat zo zou zijn, waarom moeten de onschuldigen dan boeten met de schuldigen? Ze kunnen toch de uitzendingen die volgens hen polemisch zijn, verbieden.
Maar laat ze ons het recht gunnen om door de moderne kommunikatiemiddelen het Evangelie te verbreiden. Waar blijft aldus de rechtvaardigheid, die ieder het zijne geeft?
Of willen ze nog paapser zijn dan de paus?"
"Wij hopen dat vanuit allerlei hoeken van de beschaafde wereld een krachtig protest opstijgt tegen deze schending van de rechten van de mens.
Nog maar pas is de minister van Buitenlandse Zaken, Lopez Bravo, teruggekeerd van een bezoek aan Paulus VI. Helaas moet dit wel een van de wrange vruchten van dat bezoek zijn geweest".
Denken we welaan onze Spaanse broeders?
Weten we wel onder welke uiterst moeilijke omstandigheden zij leven en met welk een trouw zij het Evangelie van "de rechtvaardiging door het geloof alléén" verkondigen?
Bidden wij "zonder ophouden" voor hen?
• Een kanselboodschap over een kanselboodschap
In verband met de nu gehouden gemeenschappelijke synode van de Ned. Herv. Kerk en de Geref. Kerken heeft de Hervormde synode een kanselboodschap opgesteld en aan de kerken rondgezonden.
In aansluiting daarop sprak de voorzitter van de Geref.
Bond in de Ned. Herv. Kerk, ds Tukker, het volgende tot zijn gemeente: 'Gemeente, U weet dat wij hartelijk begeren eenheid van allen die in oprechtheid de Heere belijden en dat wij gaarne de eenheid zoeken van allen, die het Woord Gods en de belijdenis der kerk ten volle honoreren.
Als de synode van de Hervormde Kerk in dit opzicht in gebreke bleef, dan smart ons dat zeer. Als de synode van de Gereformeerde Kerken de laatste tijd de leer van de vrijzinnigheid, zoals die duidelijk werd uitgesproken, gelijke rechten gaf met het rechtzinnig belijden en aan het rechtzinnig belijden niet de plaats gaf, die dat behoort te hebben, dan kunnen wij ons in een samengaan van de beide synodes niet verblijden.
Als de verontrusten in de Gereformeerde Kerken tegen een samengaan zijn, omdat in de Hervormde Kerk de vrijzinnigheid rechtens een plaats ontvangt, dan kunnen wij ons aan de kant van de verontrusten geheel stellen, omdat wij er evenzeer en nog veel meer over verontrust zijn in onze kerk.
Als wij samen zouden kunnen gaan, dan zouden wij samen willen gaan met die verontruste broeders in de Gereformeerde Kerken. Als wij samen zouden kunnen gaan, dan zouden wij gaarne samen willen gaan met allen, die eenzelfde dierbaar geloof met ons deelachtig zijn, en dan denk ik aan die kerken, waar geen gemeenschap mee gezocht is, en waarmee geen band gesloten wordt, met name de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Gemeenten en wat verder te noemen is.
Gemeente, wij willen in de Hervormde Kerk met de Gereformeerde Kerken en met de kerken die ik noemde van heler harte eenzelfde geloof oefenen en belijden en wij bidden uit de grond van ons hart, dat de Heere de Geest, die de Geest der gemeente is, die gemeente samen moge brengen.
Dan zal Hij in rechte wegen samenvoegen alles wat van de kerk is en haar geloof van harte belijdt, niet wat van de kerk is en haar geloof wederspreekt.
U begrijpt, dat de zaak van de kerk en van alle rechtgelovigen van welke kerk ook ons meer dan iets ter harte gaat.
Maar als de kerk dingen doet die het gezag van Gods Woord o.a. in Genesis 1, 2 en 3 en wat nog meer zegt, die het gezag van Christus in Zijn lijden en sterven ondermijnen, als ware Hij Zaligmaker, die niet vergeving der zonden brengt, maar sociale gerechtigheid, dan kunnen wij daar geenszins mee akkoord gaan. Als een andere kerk zulke dingen niet duidelijk weerspreekt, maar zelfs aan de orde stelt, dan kunnen wij een samengaan met haar niet verlangen.
De Heere zegene onze kerk, ook andere kerken, ook de Gereformeerde Kerken met dit geloof, dat ons van de vaderen is overgeleverd, dat ons ook overgeleverd is van de heiligen uit de gescheiden kerken als zij daarvoor ook in de vorige eeuw geleden hebben. Hij zegene diegenen in andere kerken die op onze liefde aanspraak mogen maken om wat in de dagen der scheiding beleden is en om wat zij nog belijden.
God zegene deze mensen en brenge samen allen die Zijn Naam in oprechtheid liefhebben.' Wij hopen vurig dat zich met bidden" om het samen brengen der gemeente van Christus ook het gelovige "werken" moge paren.
• "Om de ware fanfare"
In het Centraal Weekblad las ik een leuk artikeltje van (ds) .J. C. J(onkers).
Oordeelt u zelf maar.
Er zit een artikeltje in m'n pen over 'de ware Jacob'. Dit is maar een aanloopje. Het houdt verband met onze kerkelijke moeilijkheden. Waarom zou ik - in alle bescheidenheid ook niet m'n zegje zeggen. Ik hoor er toch ook bij ...
Daar loop je dan dagen mee rond, daar liIg je nachten mee in je bed. En hoe gaat het dan?
Allicht dat je er ook nog van droomt en - 't kan raar toegaan in een mens z’n geest daar werden we op een ochtend wakker met - we herinneren het ons nog haarfijn zowaar precies dezelfde uitroep waarmee we, pak weg, zo'n 20 jaar geleden ook een keer wakker geworden waren.
Deze keer hadden we de avond tevoren het artikel gelezen van ons redactioneel opperhoofd over de belijdenis als het gezang, het lied van de kerk.
Mee daardoor zal het wel gekomen zijn.
Maar laat me alles maar eens ordentelijk op een rijtje vertellen.
Zoals gezegd, 't is jaren geleden en we sleten dus nog hart, ziel en zolen in Delft. M'n ziel?
Ja, helaas, die ook want de kerkelijke moeilijkheden hielden ook toen niet op aan je te knagen en te vreten. Paulus' waarschuwing: kijk uit als je elkaar bijt dat je niet ook door elkaar verslonden wordt was weer heel actueel. Je wou zo graag weer bij elkaar zien wat bij elkaar hoort; en dat wou al jaren niet ...
Toen, 't was op een avond, een uur of zeven: de telefoon gaat.
M'n vrouw neemt op. Iemand laat weten dat een afspraak voor die avond onverwacht niet kan doorgaan. En daar zat je dus ineens zo maar met een hele vrije avond voor je. Nu kwam dat buiten de vakantie niet meer dan een keer of drie in het jaar voor. Verjaardag van Sinterklaas, van mezelf en dan met Kerstmis; die ene avond werd je algemeen geacht het verschrikkelijk druk te hebben en zo ongeveer de gave van de alomvertegenwoordigheid te bezitten. Kon je rustig thuis zijn!
En nu daarin eens dat telefoontje en je zit al met dat zakboekje; voor het volgend adres.
Maar m'n vrouw - ik zie het nog - blijft nog even staan en zegt: 'En nou leg ik eens beslag op die avond'.
Tableau! En open mond! ...
'Jij??? Wat wou je dan?' Zij: 'uit!' Mond verder open: 'uit?' 'waarheen?' Zij: 'nou, eens naar Den Haag ... cineacje kijken, kopje koffie drinken .. .' Stilte.
Schaamte. Dus doe je stoer: 'Jij je zin!' En zo geviel het dan dat het tweetal op weg naar de Cineac de Passage passeerde. Tegen de gevel een grote reclame: 'Fanfare', van Bert Haanstra.
Zij: 'Probeer eens, misschien hebben ze nog wel plaatsen'.
Hadden ze! We hebben genoten als kinderen. Kent u die film? Natuurlijk! Mogen ze voor mij nog eens draaien!
Maar enfin, ik hoef het niet allemaal te vertellen; u weet het: een dorp ergens in de kop van Overijssel. Zo te zien een mengseltje van Giethoorn, Staphorst en nog wat. En in dat dorp natuurlijk een fanfare.
En natuurlijk krijgen ze daar een keer bonje. En natuurlijk ga je dan uit elkaar.
En natuurlijk dan de kwestie: wie zal het vaandel hebben. En natuurlijk de toeters: wie zal de toeters hebben. U weet hoe het ging: elke partij bemachtigt een deel van de toeters en dus kan niemand een complete compositie blazen. Totdat - om het nu maar kort te maken - een keer beide partijen, ieder z'n eigen helft van de partituur blazend, bij de dirigent in het repetitielokaal binnendringen en daar die twee partijen dientengevolge, onder die ene dirigeerstok, samen de complete compositie staan te spelen. En zo, als musicerend, komt daar tot ieders verrassing tot stand wat ze al vechtend waren kwijtgeraakt: de oude, ene, ware fanfare!
En ja, ga dan met dat alles voor ogen maar eens onder de dekens. Dat wordt natuurlijk dromen; met het symbool voor 't grijpen.
En zo lig je dan wakker te worden met, op de grens van slapen en waken nog, dat visioen van je wensdroom: die partijen waarvan de ene de andere niet missen kan en met wie Je je, zo verbonden voelde toen ze zo, al musicerend, elkaar terugvonden en een geheel werden. En nog niet helemaal wakker kijk je in een paar verbaasde ogen want nog onder de drempel van je bewustzijn had je geroepen: 'de ware fanfare!' Een kinderlijke idylle? Of toch net nog iets meer? Ik herinner me dat, jaren geleden alweer, Miskotte eens schreef dat de praktijk van het kerkelijk leven in ons vaderland vaak veel heeft van een voorbarige en ietwat compromitterende vervulling van de voorzegging dat ‘Jeruzalem dorpsgewijs zal bewoond worden'. (Statenvert.
Zachar. 2 : 4).
'En zij zongen een nieuw lid', (Openb. 14 : 3). 't Zal waar zijn!
En tot zolang zou het er niet toe doen of we hier intussen .
vals zingen, of zakken; of helemaal niet zingen maar weeklagen en kijven? Leggen we de apostolische opwekking naast ons neer - nota bene in de brief aan Efeze, de brief aan en over de kerk! - de opwekking tot lied en lofprijzing, in één adem met de vermaning 'elkander onderdanig te zijn in Christus'? (Ei. 5 : 19, 20).
Die twee, het gezamenlijk lied èn de wederkerige onderdanigheid aan elkaar in Christus moeten het kennelijk over en weer van elkaar hebben.
De daarop volgende zondag hebben we gepreekt over Psalm 87. De drie punten lagen deze keer voor 't grijpen: Sion: Godstad, Wereldstad, Vreugdestad.
De mannen van de oude berijming waren er blijkbaar zo vol van dat ze bij al die reidansen en fonteinen nog speelliederen, harpen en cymbels op de koop toe gaven.
Nou, dat mag! Het is niet zo gauw te veel!
Dit soort "theologie" is zeer aansprekend.
Ik wil één ding uit het verhaal dik onderstrepen.
Het kwam met die "bonje" in de fanfare weer dik voor elkaar vanwege drie dingen:
1. De ruziënde partijen hadden ten slotte precies hetzelfde muziekstuk voor zich op hun lessenaar liggen.
2. Ze speelden ten slotte zeer precies wat in de voor hen liggende compositie gedrukt stond.
3. Ze luisterden en keken ten slotte precies naar wat die éne dirigent zei en deed.
Wie het vatten kan vatte het.