In het spoor van Groen van Prinsterer?

1973-06-29
  • Jaargang 17
  • nummer 26
Het is een algemeen bekend feit dat het G.P.V. graag de naam van Groen van Prinsterer in zijn vaandel voert.
Groen van Prinsterer, één van de grootste geesten en één der trouwste belijders van het Evangelie uit de vorige eeuw! Hij is de man, die in de volle zin van het woord de geestelijke vader was van de anti-revolutionaire of christelijk-historische "richting".
Jongeling ontleende aan Groens meesterwerk "Ongeloof en Revolutie"
de titel van zijn jongste geschrift. En wat veel meer zegt: het wetenschappelijk instituut van het G.P.V. draagt de naam "Groen van Prinsterer-stichting". Zoals de antirevolutionaire partij haar "Kuypersüchténg"
heeft, zo heeft het G.P.V. zijn "Groen van Prinsterer-stichting".
De laatste ontwikkelingen in het G.P.V. doen opnieuw en met meer klem dan voorheen de vraag opkomen of deze partij dit terecht doet.
Is de stand van zaken zo, dat het G.V.P.-ers zich naar waarheid de geestelijke erfgenamen van Groen van Prinsterer en zijn naaste geestverwanten kunnen noemen of ... verloochenen zij deze "grote in Israël"
metterdaad in het meest wezenlijke van diens levensworsteling?
Op deze vragen willen we in dit artikel een antwoord zoeken.

eenzelfde waardering van de belijdenis?

We willen eerst iets zeggen over Groen's visie op de belijdenis der kerk.
In het begin van de vorige eeuw werd in de Ned. Herv. Kerk door een listige verandering van het ondertekeningsformulier voor predikanten de band van de kerk aan de belijdenis in feite losgemaakt. Daartegen ontketende zich een storm van protest. Van de éne dubbelzinnigheid naar een andere, nog ergere, overgaande sprak de Ned. Herv. Synode daarna uit dat de predikanten door het nieuwe ondertekeningsformulier instemming betuigden met en "in het algemeen" (!!) gebonden waren aan "de leer, die in dezelve (de belijdenis namelijk - C.V.) voorkomt, gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Hervormde Kerk."
Tegen deze nieuwe formidabele dubbelzinnigheid richt dan Groen van Prinsterer zich in 1842 met zes geestverwanten, _(de "zvren Haagse Heren") publiek met een magistraat "Adres".I) In dat adres greep Groen de zo juist geciteerde synodale uitspraak aan en vroeg daaromtrent een nadere explicatie.
Enkele jaren te voren had hij geschreven: "De Formulieren zijn menselijk werk; zij moeten altijd aan de Bijbel getoetst, zij kunnen, indien men het nodig acht, overeenkomstig de Bijbel worden herzien.
Maar dan geve men op welke wijzigingen men bepaaldelijk wenst, welke verbeteringen men meent uitgevonden te hebben." 2) Aan een vriend, Mr Koenen, verklaarde hij: "Het komt mij meer en meer voor dat men hier te lande in de laatste jaren zich niet genoeg bij de prediking der hoofdwaarheden, 's mensen bederf en verdoemelijkheid voor God, Christus onze gerechtigheid, de rechtvaardiging enkel uit genade, de noodzakelijkheid der goede werken, Gods kracht in onze zwakheid volbracht, heeft bepaald. Dat schermen met de praedestinatie en daarmede verwante leerstukken bij mensen die nog geen gelovigen zijn, heeft, gelijk mij weder uit verscheidene voorbeelden gebleken is, een treurige strekking, hoe belangrijk de verdediging dier waarheden in de kring der Godgeleerdheid ook moge zijn.:") Tegenover "de Gereformeerden die streng orthodox en tevens zo onverdraagzaam zijn, dat zij de broederhand aan niemand zouden reiken, dan die tot in de kleinste bijzonderheden de leer der Gereformeerde Kerk onderschrijft" koos Groen de zijde van "de Gereformeerden, die even orthodox zijn, maar evenwel begrijpen dat men in enige bijzonderheden verschillen en toch Christen kan zijn." 4) Geleid door deze vdsie op de belijdenis verlangde Groen nu van de synode, "een duidelijke en stellige verklaring waarbij door aanneming der Formulieren op een onbekrompen, doch tevens ondubbelzinnige wijs, datgene als leiddraad van prediking en onderwijs worde erkend wat de Nederlandse Hervormde Kerk ten allen tijde als wezen en hoofdzaak der Hervormde en Christelijke leer aangemerkt heeft." Aan het slot van het Adres vatte hij zijn verlangen als volgt samen: handhaving der hoofdwaarheden van het Evangelie en, als middel hiertoe, handhaving der formulieren van enigheid. In al wat het wezen en de hoofdzaak der Hervormde leer, naar de geest van de opstellers en van de Nederlandse Hervormde Kerk betreft."
Toen de synode deze eis afwees richtten Groen en zijn vrienden zich met een omvangrijke brochure "Aan de Hervormde Gemeente in Nederland."
5) Daarin accentueerden zij, evenals zij dat in hun Adres aan de Alg. Synode hadden gedaan, de hoge waarde van de Belijdenisschriften der Nederlandse geref. kerken. "Bij de levende overtuiging dezer voortreffenlijkheid" achtten zij zich "dubbel geroepen en ten duurste verplicht telkens op de voorgrond te stellen dat deze rechtens bestaan, dat ze zijn en blijven - niet een geloofsregel, dat zij verre! - maar de regel van prediking en onderwijs voor de Nederlandse Hervormde Kerk; niet slechts wat sommige, maar wat alle geloofswaarheden betreft." Maar terwijl zij zich zo nadrukkelijk keerden tegen confessionele bandeloosheid, waarschuwden zij niet minder ernstig tegen een confessionalisme dat zweert bij de letter van de belijdenis.
Zij verlangden daarom dat de "standvastigheid van beginsel", de "onwrikbare vasthouding aan het recht der Kerk" in "overeenstemming" zal zijn met "Christelijke wijsheid en met Christelijke liefde". "Hoe meer wij ons goed recht, waar het pas geeft, in herinnering brengen, hoe meer wij onbekrompen en toegefelijk kunnen zijn in onze verdere eis." En "die toegefelijkheid is nodig. Anders toch zouden de Forrnulieren het wapen kunnen zijn waardoor niet enkel de arglistige vijand, ja waardoor wellicht enkel of vooral de zwakgelovige en kleinmoedige broeder geweerd worden zou." Indien deze "toegefelijkheid" niet betracht wordt "zou men ook rechtstreeks naar de ergste letterschifterij, naar de triumf ener rechtzinnigheid, die klanken als waarborgen beschouwt, en, in de tegenwoordige toestand van de Kerk, naar het verbreken van het gekrookte riet en het uitblussen van de rokende vlaswiek worden geleid." 6) Dit is de kern van Groen's opvatting omtrent de belijdenis.
Zou men die in het G.P.V. accepteren?
Eén ding is zeker: als Groen van Prinsterer naar de synode van Hattem afgevaardigd zou zijn zou hij op grond van deze kijk en op de belijdenis zonder twijfel daarvan zijn wegegezonden!

• eenzelfde kijk op de christelijke scholen?

Misschien is wel het meest centrale in Groen van Prinsterer's strijd voor de doorwerking van het Evangelie in ons volk zijn rusteloos vechten voor "scholen met de Bijbel".
Het was een hoogtepunt in zijn leven toen in 1860 de "Vereniging voor Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs" werd opgericht. Uit zijn correspondentie blijkt hoe ontzaglijk veel moeite hij gedaan heeft om het zover te krijgen dat de voorstanders van het christelijk onderwijs zich in deze organisatie verenigden. En het ere-voorzitterschap van "Christelijk-Nationaal" beschouwde hij als de hoogste onderscheiding die hem kon worden verleend.
Bij de oprichting ervan kreeg Groen met twee "afwijkende gevoelens" te doen, Enerzijds met de mensen die hem veel te "orthodox" en anderzijds met lieden die hem niet "orthodox" genoeg vonden en die de nieuwe Vereniging aan de letter van de belijdenis wilden binden.
Groen heeft met beide groepen veel moeite gehad, terwijl hij tegelijk zijn uiterste best deed beide vast te houden en tot medewerking over te halen. Wat hem bij heel velen gelukte.
De grondslag van de Vereniging werd door Groen geformuleerd. Hij was deze: "De Vereniging, gegrond op de onveranderlijke waarheden, wier levenskracht ziel- in het tijdperk der Reformatie, ook hier te Lande, voor Kerk en School, met zegenrijke luister geopenbaard heeft, is gewijd aan de bevordering van het Christelijk onderwijs."
Reeds in het eerste nummer van de ."Berigten" die de jonge Vereniging uitgaf omschreef Groen het karakter ervan op een kernachtige en duidelijke wijze.
De Vereniging, zo leest men daarin, is "het gevolg van de onchristelijkheid van de openbare school. Van daar ook de naam die zij zich geeft of, liever, die zij uit haar strekking ontvangt. Er was eigenlijk geen keus. De naam geeft reden van haar bestaan. Christelijk of nationaal onderwijs mag er op de openbare school niet zijn; niets wat tot de eigenaardigheid ener protestantse, ener christelijke Natie behoort.
Juist hierom is de Vereniging gevormd. Zij verlangt in deze kerken volksnood, enigermate althans, door te geven wat de openbare niet geeft, dat is, door christelijk-nationaal schoolonderwijs, te voorzien."
De Vereniging is voorts een organisatie die "aan de onafscheidelijkheid van kerk en school gedachtig, zo ver haar kracht reikt, de taak overneemt waarvan de kerk, in haar tegenwoordige toestand, onwillig of onvermogend is zich te kwijten." Ze is voorts een kerkelijke vereniging, "die wel in de kerkverscheidenheid der Protestanten geen beletsel ter samenwerking voor het lager onderwijs ziet, maar tevens aan hun gezamenlijke belijdenis van het Evangelie, in belijdenisschriften en geschiedenis openbaar, vasthoudt." Zij streeft naar de oprichting van scholen "waar de Bijbel en de volkshistorie aan christelijke opvoeding dienstbaar kunnen worden gemaakt." De vereniging begeert "geen andere grondslag dan het Apostolisch Christendom, gelijk het uit de middeleeuwse duisternis der Kerk van Rome weder aan het licht kwam."
De grondslag van de vereniging is daarom "de belijdenis van het Evangelie, gelijk ze de Protestantse Kerken, niet verdeelt, maar verbindt, en het eenstemmig getuigenis der Kerkhervorming tegen het ongeloof ook van onze dagen voortzet. Zij vermeent dat ze aldus niets van hetgeen op de volksschool behouden moet worden prijs geeft; zij verlangt dáár eerbiediging van het geloof ook der Gereformeerde Kerk, niet gelijk het zich in de godgeleerdheid met dogmatische scherpzinnigheid ontwikkelt, maar gelijk het zich in de harten der geloovigen, in de negentiende als in de zestiende eeuw, levendig betoont. De Verenigdng wál dat vele kinderen, naar het eigen bevel van de Zaligmaker, tot Hem, dat is, niet tot elke Christus der menschelijke wijsheid, maar tot de Christus der Heilige Schrift worden gebracht. Zij wil christelijke scholen, waar de opvoeding overeenkomt met de belijdenis, met de waarheden wier levenskracht zich, in het tijdperk der Reformatie, ook hier te lande, voor Kerk en school, met zegenrijke luister geopenbaard heeft." Vooral de verwijzing naar de Reformatie is voor Groen van grote betekenis. "Geen betere waarborg, dacht ons kan de Vereniging geven - zo verklaarde hij - dat het om hoofdzaak en wezen van de zaligmakende waarheid, om het leven zowel als om de leer te doen is; dat zij een waarborg èn tegen de verloochening of vervalsing van het Evangelie èn tegen een oppervlakkig en onvruchtbaar orthodoxisme begeert."
Groen wijst er voort op dat de Verendging "rust op de onderstelling der mogelijkheid, wenselijkheid en plichtmatigheid van samenwerking ook, waar men, op Christelijk-Protestantse grondslag, in kerkelijke richting verschilt." In de Vereniging "geven leden van het Hervormd Kerkgenootschap en Afgescheidenen, vrienden der Confessionele en der Ethisch-irenische rigting elkander de hand. De natuur zelf van dergelijke vereniging veronderstelt, dat iedereen, boven de openbare school, zeer van een christelijke, ook van een kerkelijke richting, waartoe hij zelf niet behoort, wenselijk rekent; dat iedereen, op onderlinge billijkheid, niet op wederzijdse naijver, vooral op overheersing van de algemene klem door het meesterschap van eigen schakering, bedacht zij."
Groen ging bij de oprichting van "Christelijk-Nationaal" uit van de realiteit van een "christendom boven geloofsverdeeldheid". Niet in de zin waarin Thorbecke daarover sprak! Diens "christendom boven geloofsverdeeldheid" was in feite "niets anders, dan idee en omschrijving van maatschappelijke beschaving en zedelijkheid." Als Groen erover spreekt bedoelt hij daarmee een christendom "dat het kruis tot middelpunt heeft". "Een christendom boven kerkverschil van Protestanten komt met kinderlijke behoeften en bevatting naar de eis van Lager Onderwijs overeen. Zodanig een grondslag der opvoeding is door de christelijk-historische richting voorgestaan, reeds vóór 1840 tot op de huidige dag." 7) Dit is een summiere weergave van Groen's ideaal voor een christelijke volksschool. Voor de verwerkelijking daarvan heeft hij zijn leven lang gevochten. Overeenkomstig deze beschouwingen werden in de loop van meer dan een eeuw honderden "scholen met de bijbel" opgericht, Beweegt het G.P.V. zich nu, wat zijn opvatting omtrent de christelijke school betreft, in de richting van Groen van Prinsterer?
Komt het met wat deze met zoveel hartstocht najoeg overeen dat vrijgemaakte schoolverenigingen uitsluitend en alleen leden van de énige ware kerk toelaten en zelfs "buitenverbanders" zonder vorm van proces als zodanig royeerden?

• eenzelfde geloof omtrent de kerk?

Groen van Prinsterer heeft dodelijke ernst gemaakt met de fundamentele reformatorische belijdenis omtrent de kerk van Christus.
Deze is door de Nederlandse gereformeerde kerken in art. 27 van de Ned. Gel. Bel. geformuleerd met de woorden: "Wij geloven en belijden één enige katholieke of algemene Kerk, dewelke is een heilige vergadering van ALLE ware Christ-gelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door zijn bloed, geheiligt en verzegeld door de Heilige Geest."
Vanuit deze fundamentele notie omtrent de kerk heeft hij de gelovigen in Nederland ononderbroken opgeroepen om nu ook metterdaad kerk te zijn zoals dat met name in art. 28 en 29 van diezelfde belijdenis wordt omschreven.
Hij heeft om het kort en duidelijk te zeggen de gelovigen in Nederland toegeroepen: Gij ZIJT kerk - WEEST nu ook kerk!
"Als Christenen - zo schreef hij 5 sept. 1860 aan een vriend - wensen wij levende leden te zijn ener kerkgemeenschap, wier geloof haar met de algemene Christelijke Kerk van alle tijden en plaatsen verbindt.
Wat de reglementaire kerk verzuimt, moet de geloovige kerk, de vereniging der gelovige gemeenteleden, ter tijdelijke tegemoetkoming aan die klagelijke toestand, niet separatistisch, ook niet naast de Kerk, maar in de Kerk, als haar kern, waarin de levenskracht is samengetrokken verrichten." 8) Tot deze kerkgemeenschap behoren ook de Afgescheidenen. Zij zijn, zo schreef Groen reeds in zijn beroemde pleidooi toen de vervolging der Afgescheidenen, "een, ook naar mijn inzien, afgedwaald gedeelte, een, indien ik het dus uitdrukken mag, voorbarig en op verkeerd terrein handgemeen geraakte voorhoede der Gereformeerde gezindheid: in hoofdzaak geheel eens met hen die in het Kerkgenootschap blijven aandringen op behoud of herstel van het wezen der Kerk." "Is het niet - zo vroeg Groen - bekend en overbekend dat zij Gereformeerden zijn; Gereformeerden bij uitstèle en dat hierin juist de grond der afscheiding ligt? Afvalligen wellicht van het Kerkgenootschap, maar voorzeker getrouwe leden der Kerk." "Het Kerkgenootschap is, wat de geloofseenheid betreft facto (in feite - C.V.) opgelost geworden; ten aanzien van inwendig beheer heeft het de beginselen der Gereformeerde Kerk geheel ter zijde gelegd; zij daarentegen die men Afgescheidenen noemt, hebben, dewijl zij deze feiten (mijns inziens zeer ten onrechte) onherroepelijk achten, zich buiten het Genootschap begeven om te kunnen blijven in de Kerk." 9) Ik heb, zo schreef hij in .1848, voor zover ik weet geen enkele gelegenheid l-aten voorbijgaan "om te verklaren dat ik het recht der Afgescheidenen erken; dat ilk verontwaardigd ben over het onrecht door hen verduurd; dat velen onder hen, naar mij voorkomt standvastigheid en veerkracht hebben betoond; dat zij, evenzeer als wij, leden zijn der bestaande Nederlandse Hervormde Kerk, dat de herstelbaarheid van het Hervormde Kerkgenootschap twijfelachtig; en daarentegen eenheid der kerkgemeenschap, waar vasthouding aan de leer met vruchtbaarheid van het geloofsleven gepaard gaat, ontwijfelbaar." 10) Geleid, gestuwd door dit geloof omtrent de kerk heeft Groen rusteloos geworsteld voor de herleving der aloude Gereformeerde "Martelaarskerk", waarbij zijn uitgangspunt was dat die gevonden werd deels in het ter onzaliger ure door Koning Willem I in 1816 opgerichte Ned.
Herv. Kerkgenootschap, deels in de Afgescheiden Gereformeerde Kerken.
Geloven de mannen van het G.P.V. ook dat de éne heilige, algemene christelijke kerk de vergadering is van ALLE gelovigen?

• eenzelfde politieke partij -opstelling?

In Groen's grootste politieke worsteling - hij is met Thorbecke de meest briljante parlementariër uit de vorige eeuw - bezielde hem vooral één begeerte. Dat was de vereniging van ALLE gelovigen in de alle politieke verhoudingen beheersende kamp van het Evangelie tegen de Revolutie. Met eindeloos geduld heeft hij gezwoegd om de gelovige christenen - "de partij van de levende God" - te verenigen in de strijd tegen het liberalisme en conservatisme die destijds in Nederland oppermachtig waren.
Ja, Groen ging nog verder: hij walde de hand reiken aan ieder die bereid was deel te nemen aan de strijd waarin het "heilig erfgoed" der mensheid bedreigd werd.
Ik zou een geheel nummer van Opbouw kunnen vullen met uitspraken waarin Groen het verlangen naar deze samenwerking vertolkte. Ik zal er één citeren. Uit een minder bekend werk van hem. Groen schreef in 1849: "Ik ben exclusief voorzeker; maar in geheel andere zin dan mij doorgaans ten laste wordt gelegd. Uit overtuiging een Christen, beweer ik dat verloochening van het Evangelie de oorzaak is en blijft der onheilen waardoor Europa wordt geteisterd; ik acht dat het Protestantisme, omdat het op de onwrikbare grondslag van Gods Woord het protest opgebouwd heeft, een onwaardeerbare zegen, inzonderheid voor ons Vaderland, geweest is. Ik meen met eenvoudigheid in herinnering te brengen dat de Hervormde leer (Groen bedoelt de leer die in de drie formulieren van enigheid geformuleerd is - C.V.) een verkregen recht heeft; ik tracht, ook daar (im die kerk - C.V.), de ongerijmdheid te doen uitkomen eener voorstelling die de grondslagen in Kerk en Staat van het goedvinden der wisselende meerderheid afhankelijk maakt. Met deze, zo men wij. bekrompenheid van denkwijs of vastheid van overtuiging, kan, naar mij voorkomt, een ruim overzicht en een liefdevolle verdraagzaamheid worden gepaard. Zonder het
standpunt, waarop ik gewetenshalve blijf, te verlaten: zonder de waarheid, waarover ik geen beschikking heb, tot een onderwerp van transactie te maken; zonder het onderscheid voorbij te zien dat tusschen mij en anderen bestaat, kan ik evenwel op de overeenstemming evenzeer letten; kan ik waarderen al wat, in bedoeling en karakter, goed en edel mag worden genoemd; reik ik, in oprechtheid, de hand aan de Roomse en aan de Israëliet, aan degene die conservatief, liberaal of zelfs radicaal is of meent te zijn; te weten wanneer ik reden heb om te vertrouwen, wanneer ik althans geen grond heb om in twijfel te trekken, dat zij aan hetgeen, naar het getuigenis der consciëntie, goed en waar is, zich wensen dienstbaar te stellen; dat het hun om het welzijn van het Vaderland te doen is; dat zij, een iegelijk in zijn geloof en naar zijn inzicht, bereid zijn om deel te nemen aan een krijg waarin het heilig erfgoed der mensheid, door de leugenprofeten van de huidige dag, met leerstellingen niet aan bovenaardse wijsheid ontleend, in arren moede bedreigd wordt. Welgezind noem ik, als bondgenoot beschouw ik, zonder onderscheid van Godsdienstige of politieke geloofsbelijdenis, iedereen die (in een tijd waarop, naar de volledigheid der eisen ener valse wijsbegeerte, algemene verwoesting en omkering begeerd wordt) ter bescherming van de grondslagen der samenleving gezind is." 11) Zo schreef Groen, de man die tot zinspreuk had: "In ons isolement dat is: in onze beginselvastheid, ligt onze kracht."
Dat kon Groen ook zeggen juist omdat in dit isolement zijn kracht lag In deze houding, vamuit deze overtuiging heeft Groen zijn politieke strijd gestreden!
En de lezers moeten nu maar zelf oordelen of het G.P.V. zich ook, wat de politieke opstelling betreft, beweegt "in de lijn van Groen van Prinsterer", Leiden 1842.

1) Adres aan de Alg. Synode der Ned. Herv. Kerk, over de formulieren, de academische opleiding der predikanten, het onderwijs en het kerkbestuur.
2) Beschouwingen over Staats; en Volkenregt I, Leiden 1834, 192.
3) Groen aan Koenen, 14 nov. 1834.
4) Groen aan Koenen, 6 april 1834.
5) Leiden 1843.
6) Blz. 890.
7) Vereeniging voor Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs, Berigten en Bijdragen, 's-Gravenhage, 1861, I v.
8) Briefwisseling enz. IU, 427.
0) De Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het Staatsregt getoetst, Leiden, 1837, 44, 60, 61.
10) Verspreide Geschriften, U, 135.
11) Grondwetsherziening en Eensgezindheid, Amsterdam, 1849, 62/4

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief