Toenadering?
1973-07-20
"dat zij allen één zijn"- Jaargang 17
- nummer 27
Zoals de trouwe lezers van Opbouw weten heeft ons blad er met grote klem en ononderbroken op gewezen, dat het nu méér dan ooit noodzakelijk is dat alle reformatorische christenen elkaar zoeken, als zodanig erkennen en herkennen en de handen ineenslaan in de strijd tegen de verwereldlijking van het "profane" èn, niet minder, van het tegenwoordige "kerkelijke" leven.
Natuurlijk, dat staat volstrekt voorop: Jezus Christus vraagt met de laatste ernst dat allen die waarachtig in Hem geloven als hun Zaligmaker één zullen zijn.
Maar deze hartstochtelijke oproep krijgt een loodzwaar accent in de dagen waarin wij leven. In iedere sector van ons volksleven is te constateren dat fundamentele realiteiten die God ons openbaart zoals de schepping, de afval van de mensen van de levende God, hun radicale verdorvenheid, de verzoening door het bloed van Christus, de koningsheerschappij van de verheerlijkte Heiland over heel het geschapene, het komen van Hem ten gerichte op de jongste dag en de komst van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde betwijfeld, tot onherkenbaar worden toe "geïnterpreteerd" of ook radikaal geloochend worden. En - wat een fundamentele oorzaak van deze ellende is - de Heilige Schrift wordt door heel velen in alle kerken niet meer geloofd als het in mensentaal tot ons komende Woord van God! Men beschouwt haar geheel of grotendeels als de vertolking van de geloofsbeleving van Israël en, voor wat het Nieuwe Testament aangaat, als het getuigenis omtrent de visie op Jezus-Messias van de oudste christelijke kerk. Het gevolg daarvan is dat men nu de bijbel moet "vertalen".
Dat wil zeggen: totaal anders lezen en verstaan dan zoals hij in feite spreekt. Men komt met zijn eigen vragen, met de vragen van de (kryptische) moderne mens tot de Heilige Schrift om daarop uit de Schrift een antwoord te vinden.
Maar men verstaat niet dat de eerste, en laatste vraag waar het in ieder mensenleven om gaat de vraag naar zonde en genade, de vraag: hoe krijg ik een genadig God? nooit in een "natuurlijk mens" opkomt maar door Gods sprekende Geest moet worden gewerkt!
Inderdaad, de toenadering van alle ware gelovigen wordt geëist door Jezus Christus en "der tijden nood."
En daarom begroeten we met vreugde ieder symptoom dat daarop wijst, daarnaar tendeert.
Een dergelijk symptoom meen ik te mogen opmerken in een artikel van prof. Douma dat hij onlangs in De Reformatie schreef.
Hij deed dat naar aanleiding van een aantal interviews met "verontrusten" in de (synodaal) Geref. Kerken die 'in het Nederlands Dagblad zijn verschenen.
Ik wilde een overzicht van de reakties van prof. Douma op deze interviews geven, maar dat werd op goede wijze reeds gedaan door het Reformatorisch Dagblad en daarom geef ik wat daarin gepubliceerd werd hier door. Daarna wil ik een paar opmerkingen maken over wat prof. Douma schreef.
vijf interviews
In een korte spanne tijds heeft het "Nederlands Dagblad" interviews gepubliceerd met vijf predikanten die behoren tot de verontrusten in de Gereformeerde Kerken (synodaal). De vijf predikanten die paginagroot hun zegje konden doen, waren resp. ds A. D. van den Heuvel (Ens, N.O.P.), ds J. Schelhaas (Delft), ds M. Vreugdenhil (Nijkerkerveen), ds J. B. v. Mechelen (Urk) en ds M. P. van Dijk (Nunspeet).
Het waren vijf gesprekken, maar het hadden er meer kunnen zijn.
Binnen de Geref. Kerken (syn.) is men behoorlijk verontrust over zaken als de verzoeningsleer van dr H. Wiersinga, de opvattingen van de getolereerde prof. dr H. M. Kuitert, het "samen-op-weg" gaan van de Gereformeerden met de Hervormden, het doordringen van een horizontalistische visie die de vanouds Gereformeerde prediking langzamerhand dreigt te overwoekeren, en zo meer.
Op een gegeven moment kan men zo verontrust zijn, dat men de eigen kerk verlaat en naar een andere kerk overgaat. Voor de verontruste Gereformeerden die zulks doen, zijn er een aantal mogelijkheden, bijna net zo groot als het aantal kerken in Nederland.
De meest voor de hand liggende mogelijkheid wordt door velen gezien als de Gereformeerde Kerken (Vrijgemaakt) en gingen die weg al. Anderen dingen naar de Chr. Geref. Kerken of de Geref. Kerken (Vrijgemaakt buiten-het-verband).
Deze laatste kerken ontstonden vooral in en na 1967 toen zij na de Vrijgemaakte synode van Hoogeveen de vrijheid kozen.
Het meest interessante commentaar van de vijf interviews was, wat er daarna als commentaar door de Vrijgemaakte hoogleraar prof. dr. J. Douma te Kampen (ethicus) in het Nederlands Dagblad werd gepubliceerd. Wij geven hier enkele citaten uit zijn betoog dat is getiteld "Kerkelijke eenheid als punt één op het agendum".
Prof. Douma begint met te zeggen: "Als nu het sein tot breken met de synodaal-gereformeerde kerken zou worden gegeven, zou er zeker een splitsing in zeven richtingen optreden. Aldus ds J. B. van Mechelen in het vijfde en laatste interview met verontruste predikanten. " Van deze vele richtingen vormen de interviewers zelf een getrouwe afspiegeling.
Wie ze alle vijf aandachtig gelezen heeft, zal gemerkt hebben dat er feitelijk over geen thema gelijk wordt gedacht. Over de toestand in de syn.-gereformeerde kerken zegt de een (v. d. Heuvel) dat zij ernstiger is dan in de Herv. Kerk, terwijl een ander opmerkt dat het met de prediking in zijn kerken nog best meevalt (M. P. van Dijk). De een ziet geen perspectief meer in het "werken aan de basis" (Van Mechelen), de ander (Schelhaas) vindt daar juist
zijn primaire taak. De buitenverbanders komen er de ene keer niet best af (v. d. Heuvel), terwijl we een volgende keer iemand horen zeggen dat hij niet weet wat tegen deze kerkengreep valt in te brengen (Van Dijk).
Zelfs binnen één interview vraagt de lezer zich af hoe het een met het ander te rijmen valt. Ds Vreugdenhil kwalificeert de buitenverbanders als vrij bui terig, terwijl hij van de christelijke gereformeerde kerken beweert dat zij een "kwart-Kuitert" (prof. Oosterhoff) in hun midden hebben.
Maar niettemin zou hij, àls hij moest kiezen, naar een van deze beide kerken gaan. De Gereformeerd Bond in de Hervormde Kerk ontvangt van de een kritiek (v. d. Heuvel: a.u.b. geen modaliteitenkerk!), terwijl een ander (Van Dijk) er grote waardering voor heeft gekregen. V. d. Heuvel vooral voelt zich aangetrokken tot de binnen-verbandskerken, terwijl v. Mechelen het daar - naar hij vreest - niet langer dan een half jaar zou uithouden."
"verzwegen"
Prof. Douma gaat op diverse aspecten van de interviews in.
Achtereenvolgens gaat hij allerlei argumenten na die er voor pleiten op dit moment nog niet uit de Geref. Kerken (syn.) te stappen en zegt daar het zijne van. Uiteindelijk komt hij terecht bij de waardering voor of afkeuring van de Vrijgemaakte kerken. Dat is in de interviews zelf een "verzwegen hoofdstuk": de keus tussen ware en valse kerk met haar kenmerken is niet aangeroerd.
Prof. Douma.
"Alle geïnterviewden spreken met veel of minder veel waardering over de vrijgemaakte kerken (binnen-verband). Ds Van Dijk noemt onze bloeiende jeugd-, mannen- en vrouwen vereniging, ds v. d. Heuvel zit zelfs dicht tegen 't "vrijgemaakte kerkbegrip" aan. Maar alle predikanten klagen over de slechte image van onze. kerken, De scheuring van 1967 heeft daar veel kwaad aan gedaan (v. d. Heuvel); de binnenverbanders maken naar buiten een nogal harde en koude indruk (Schelhaas); bij contacten op officieel niveau is het formalisme onzerzijds opvallend (v. Mechelen).
De een heeft met genoegen naar een vrijgemaakte preek (Schelhaas), (v. d. Heuvel), geluisterd, de ander kwam koud uit de kerk (Schelhaas). Wij noemen een aantal grieven uét 'een lange reeks.
Ik begin met veel toe te stemmen.
En dat niet om na enige vriendelijke concessie vervolgens weer tot de aanval over te gaan. Ik meen wat ik nu schrijf: er zal onder ons veel moeten veranderen.
geest
Laat ik een voorbeeld geven van de geest waartegen velen van buiten onze kerken zich verzetten, maar die ook ik wens te weerstaan. Tijdens het verschijnen van de interviews kreeg ik een blad onder ogen dat in onze kring verschijnt en waarin ik werd aangevallen op een "In memoriam" dat ik na de dood van een mijner leermeesters prof. dr G. C. van Niftrik had geschreven.
Ik had dit "in memoriam" geschreven in de rubriek "Kerkelijk Leven" van De Reformatie (van 4 november 1972). Wat schrijft ds Ch. Rupke uit Zuidlaren in Woord en Wetenschap van mei 1977? Het begin luidt: "Is dit "In memoriam" wel in de juiste rubriek terecht gekomen?
We zien nl. niet in, wat het streven van een mens, die behoort tot hen, die "buiten zijn" te maken heeft met het leven van de Kerk onzer Confessie, zelfs niet, wanneer hij korte tijd de leraar is geweest van een professor aan onze Theologische Hogeschool, of het moest zijn, dat men wilde berichten, dat er alweer iemand, die gepoogd heeft, dynamiet te leggen onder het fundament van de Kerk, daartoe nu niet meer in staat is. Maar dat dit bepaald niet de strekking van het artikel was, kan ieder zo maar constateren".
Ik val er niet over, dat hier een "in memoriam" op de snijtafel gelegd wordt. Graag geef ik ook van dergelijke driestarren aan anderen rekenschap. Wat mij echter wel bedroeft, is de geest die reeds uit deze ene alinea spreekt.
De kerk is de vrijgemaakte kerk; kerkelijk leven als rubriek handelt dan ook over het vrijgemaakte kerkelijke leven (wat daarbuiten is komt alleen als kerk-ondergravend in het vizier; wie "buiten" is (d.w.z. buiten de vrijgemaakt kerk) oordeelt God, 1 Cor. 5: 11, 12 met zijn hoereerders, geldgierigen, afgodendienaars, lasteraars, dronkaards en oplichters krijgt een rechtstreekse toepassing op alles wat "buiten"
(de vrijgemaakte kerken) is. God zal hen oordelen, wij zullen ons over hun staat niet uitlaten. (... ) Meer dan eens hoor ik over de niet-vrijgemaakten als over de buiten-kerkelijken gesproken.
Heel consequent, maar ook verschrikkelijk onbarmhartig.
consequent
Heeft men wel eens beseft, dat op deze manier geen vrijgemaakt mens nog ooit zijn naam onder een rouwkaart mag zetten van een niet-vrijgemaakt familielid waarvan de rouwkaart getuigt dat hij of zij in Christus ontslapen is?
Ik dank God dat ik velen buiten de vrijgemaakte kerken als kinderen van God mag herkennen.
Dat leidt er waarlijk niet toe, dat we wel kunnen ophouden met evangelisatie en met het oproepen tot vrijmaking, zoals ds Rupke mij - als ik consequent zou zijnwil laten zeggen. Het is misschien consequent van mensen die de wagen op één wiel willen laten rusten. Ongelukken bliiven niet uit. Maar gezegend de kerk, die zoals de afgescheidene eertijds de broederschap buiten herkende en meteen niet la ten op te roepen tot kerkelijke gehoorzaamheid.
Ik ben de laatste tijd nogal in de afgescheiden wereld gedoken, nadat ik een jaar jaargangen van de Bazuin in handen had gekregen.
Men leze eens één jaargang van De Bazuin, die ik onder ogen kreeg. om slag op slag te kunnen constateren dat de afgescheidenen aandacht hadden voor de kerk van Christus van Japan tot de Verenigde Staten, kolommen vol.
Diep respect voor Groen van Prinsterer, (ook een van "buiten", die als broeder begroet èn vermaand wordt). Hoop dat God nog eens hereniging mag schenken met hen aan wde de broedernaam niet ontzegd kan worden, omdat bij hen de kenmerken der christenen gevonden worden. Geen uitgekookte kerktheorie (die wij ook niet hebben), geen kerk-begrip, maar het beleven van de kerk als kerk die niet ophoudt bij de grenzen van eigen gemeenschap, noch in het buitenland noch in het binnenland.
hart wijd open
Mocht het ooit tot officiële contacten tussen de verontrusten en ons komen waarbij de eenheid der broeders en zusters aan beide kanten als punt één op het agendum komt te staan - hoe eerder hoe beter - dan zal ons hart wijd voor de "overkant" moeten openstaan."
Voorwaar een opmerkelijk geluid binnen de "vrijgemaakte muren".
Tot zover het Reformatorisch Dagblad.
sympathisch kommentaar
Graag wil ik enig sympathetisch kommentaar op dit artikel van prof. Douma geven.
De eerste opmerking die ik wilde maken betreft een uitspraak van het Reformatorisch Dagblad. Dat schreef, zoals men gelezen heeft, dat de "buitenverbandse" kerken de "vrijheid" hebben "gekozen".
Dat is zoals ieder die de feiten kent er geheel naast! Die kerken "kozen" niets. Ze wilden niets liever dan "in het verband" blijven.
Maar ze werden daaruit uitgestoten.
In Kampen ging dat zo: Zonder dat er een officiële aanklacht tegen de predikanten of de kerkeraad was ingediend, ook zonder dat de classis er in betrokken werd kregen de leden van onze kerk op een vrijdagavond twee brieven in de bus, één van twee ouderlingen en één van prof. Kamphuis (waarom ook van deze?) waarin de leden der kerk werden opgewekt hun "ontrouwe kerkeraad" zijn congé te geven en de eerstkomende zondag een "kerkdienst" bij te wonen die in de Gehoorzaal zou worden gehouden!
Daar kwamen toen een paar honderd broeders en zusters bijeen. En dezen beschouwen zich sindsdien als de enige, de ware kerk in ons goede Kampen! Tevoren had prof. Kamphuis ds Mulder - een door en door oprechte en broeder en een prediker van Gods genade zoals ik er maar zeer weinig ken! - als "wolf in schaapskleren" getypeerd. Een typering die nooit werd herroepen!
De beste kommentaar op deze kwalificatie hoorde ik van een oude broeder die opmerkte: "Als dominee Mulder een "wolf in schaapskleren" is zijn wij allemaal tijgers of hyena's"!
2. Ik ben het van harte eens met prof. Douma dat kerkelijke éénheld punt één op het kerkelijke agendum is. Ik kan hem daarbij verzekeren dat de "buitenverbandse"
kerk van Kampen en ook de zusterkerken daarvan onveranderd instemmen met de Gereformeerde confessie en de oude kerkorde in ere houden. Zoals prof. Douma weet zitn ook de kerken "buiten het verband", net als de zijne, bezig die kerkorde te herzien om die zo mogelijk nog meer in overeenstemming te brengen met de Heilige Schrift, daarbij zich vooral beijverend om daarin nog meer zekeringen aan te brengen zowel tegen iedere vorm van hiërarchie als tegen onschriftuurlijke vrijbuiterij.
3. Ik ben er dankbaar voor dat prof. Douma geneigd is met veel kritiek van de geïnterviewden op de "vrijgemaakte" kerken in te stemmen. Wij - d.w.z. de "buitenverbanders" - trekken ons die kritiek niet minder aan. Ook wij waren, voor we uitgestoten werden, méé verantwoordelijk voor heel veel waarop de door prof. Douma als juist erkende kritiek betrekking heeft. Ook wij zijn van oordeel dat wij als vrijgemaakte kerken veel te weinig de gestalte van Jezus Christus hebben vertoond, dat we te weinig Diens grenzenloze mededogen met de wereld en Diens oneindige erbarming met naar ons oordeel dwalende broeders hebben verstaan.
Als vrijgemaakte kerken hebben wij inderdaad door onze hardheid, onze hoogmoed, onze ruzies de grote kansen die Christus ons in de kerkelijke verwarring en neergang gaf verspeeld door aan zijn opdracht aan zijn kerk niet trouw te zijn. En, wat veel en veel erger is: wij hebben daarmee God bedroefd. Zou het niet nodig zijn om ons met alle ernst af te vragen of de kerkelijke misère waarin wij verkeren niet een oordeel Gods over ons is?
4. Wij vallen prof. Douma van ganser harte bij als hij zich keert tegen een bepaalde "geest" die in zijn kerken rondwaart en zo volstrekt in strijd is met de Geest van Christus. Terecht wijst hij daarbij op het verbijsterende verschijnsel dat men het aandurft alle niet "binnenverbandse" vrijgemaakten als "buitenkerkelijken" te diskwaHfiseren. Daarbij moet genoemd worden dat men met niet-vrijgemaakten geen geloofsgemeenschap mogelijk acht en met hen geen gemeenschap der heiligen oefenen kan en niet samen met hen bidden kan! En niet minder dat men buiten de eigen kring niets anders dan afval ziet en geen oog heeft voor de kracht van Gods genade die ook daar soms heerlijk openbaar wordt.
Vooral moet radikaal worden afgewezen de door en door onschriftuurlijke pretentie dat de "binnenverbandse" kerken in Nederland de enige ware kerken zijn! Het is zonder meer huiveringwekkend dat naar het oordeel van vele van prof. Douma's kerkgenoten bij het heengaan van een man als prof. Niftrik, de voornaamste opsteller van het "Getuigenis", in de vrijgemaakte pers niets anders zou mogen worden gezegd dan dat iemand die dynamiet onder het fundament der kerk legt daartoe thans niet meer in staat is! Inderdaad - we geven dat prof. Douma van harte toe, dat is - als uiting van de ontstellende wij-alléén-zijn-ware-kerk-ideologie consequent maar ook verschrikkelijk onbarmhartig.
Het is prof. Douma natuurlijk bekend dat deze consequentie en deze onbarmhartigheid in alle naaktheid en duidelijkheid openbaar is geworden in de actie van ds Francke en de zijnen zoals die momenteel de situatie in het G.P.V. beheerst.
5. Van ganser harte stemmen wij in met de opmerking van prof. Douma als hij zegt: "Gezegend is de kerk, die zoals de afgescheidenen eertijds de broederschap buiten herkenden en erkenden en tegelijk niet nalieten op te roepen tot kerkelijke gehoorzaamheid.
Van meet af heeft bv. Opbouw dit reeds in alle tijden en wijzen zeer bewust en met grote kracht uitgeroepen. Wij hebben steeds gezegd: Allen die zien gereformeerd noemen moeten ook werkelijk kerk zijn. "Gij zijt kerk, weest nu ook kerk."
6. Wat wij tegen de "binnenverbandse" kerken, althans tegen vele leden daarvan, hebben is vooreerst dat zij ontrouw zijn aan art. 27 van de Ned. Gel. Bel. Dat Zij van dat fundamentele artikel op evidente wijze afwijken. Daarin wordt immers beleden dat de enige 'katholieke of algemene Kerk de vergadering is van alle Christgelovigen die verspreid en verstrooid is door de gehele wereld, maar nochtans te zamen gevoegd zijnde met hart en wil in één zelfde Geest, door de kracht des geloofs. Art. 28 over het zich bij de ware kerk voegen der gelovigen en art. 29 over het onderscheid en de merktekenen der ware en valse kerk kunnen niet verstaan worden ja, worden principieel misduid als men ze van die eerste fundamentele notie omtrent de kerk losmaakt. Wat art. 27 over de kerk zegt is het abc van alle reformatorische belijdenissen ten aanzien van de kerk.
In mijn "Volk van God" heb ik dat in den brede aangetoond. Dit is ook tientallen jaren in "Kampen" geleerd. Voorop door Bavinck.
Die hamerde het zijn discipelen in dat het eerste - natuurlijk niet het énige! - van wat over de kerk gezegd moet worden is dat zij is de vergadering van alle gelovigen, uit alle tijden, onder alle volken, in alle kerkelijke gemeenschappen. Ik ben er daarom ontzaglijk blij mee dat prof. Douma duidelijk verklaart dat ook naar zijn overtuiging de grenzen der kerk niet ophouden bij "de grenzen van eigen gemeenschap", noch in het buitenland noch in het binnenland."
7. Met blijdschap heb ik gelezen dat prof. Douma zich verdiept heeft in een paar jaargangen van de Bazuin. Dat is een voortreffelijk middel om te verstaan wat in de Afgescheiden Kerken na 1854 leefde. Ik heb indertijd zo'n vijftig jaargangen daarvan doorgewerkt.
En ik ben ontzaglijk dankbaar voor wat ik daaruit heb geleerd.
Het zijn jaargangen van de Bazuin uit de tijd waarin de Afgescheiden later, na 1869, Christelijke Gereformeerde Kerken een werfkracht hebben geopenbaard als nooit voor of na die tijd. Er is uit deze oude Bazuinen zeer veel te leren over het echt kerk-van-Christus zijn. Ik zal uit die Bazuinen een paar fragmenten citeren in "Persschouw".
Wat prof. Douma daarvan zegt is volkomen juist. Ik wil hier met dankbaarheid verklaren dat mijn kijk op de kerk van Christus, behalve door een veertig jaar lange intensieve omgang met Calvijn en Bavinck, vooral ook gevormd is door het mij inleven in de geschiedenis van de Afgescheiden Kerken! En het is mijn vaste overtuiging dat de geestelijke en gelovige trouw aan de kerk, - een trouw die volkomen vreemd was aan alle kerkisme, exclusivisme, bekrompenheid, krampachtigheld en kerkelijke zelfgenoegzaamheid en hoogmoed - er mee de oorzaak van is geweest dat de Afgescheiden Kerken in het midden van de vorige eeuw zo'n geweldige werfkracht hebben geopenbaard. Ze groeiden in de tijd van veertig jaar - van 1849 tot 1889 - van 40.308 leden tot 189.251! Terwijl de bevolking van Nederland in die tijd toenam met 47%, was dat groeipercentages van de Afgescheiden Kerken 369! Indien de Vrijgemaakte Kerken in haar kerkelijke houding het beeld van de Afgescheiden Kerken hadden vertoond zouden ze naar mijn vaste overtuiging in de voorbije jaren in ledenaantal verdubbeld zijn!
8. Nu wordt van de zijde van de binnenverbandse kerken nog al eens tegen de buitenverbanders aangevoerd dat zij "de leer van Telder" aanhangen. Men heeft zelfs wel eens tegen mij gezegd - en het waren niet de eersten de besten - dat men die in onze kerken moest accepteren. Ik zal hier natuurlijk niet op die "leer van Telder", stel dat die bestond, ingaan, Ik wil in verband daarmee alleen deze vijf dingen zeggen.
Vooreerst dit dat de bizondere opinde van ds Telder door geen blad zo uitvoerig is besproken en afgewezen als door "Opbouw".
Dat werd gedaan door prof. Jager, prof. Popma, ds Visee en mij. In de tweede plaats dat die "leer" door de kerkelijke vergaderingen is veroordeeld zonder dat ds Telder daarover gehoord is. De remonstranten zijn wat dat betreft door de synode van Dordrecht beter behandeld dan ds Telder! In de derde plaats: wat die kerkelijke vergaderingen in verband met de leer van ds Telder schreven is in ieder geval veel slechter dan wat ds Telder schreef. In de vierde plaats: aan ds Telder is nooit gevraagd of hij bereid was over zijn "bizonder gevoelen" in de prediking en het onderwijs te zwijgen, En in de vijfde plaats: één van de krachtigste medestanders van ds Telder ook in dit opzicht is een predikant in de kerken "binnen het verband"! Het is ds P. H. Keizer van Groningen. Ten bewijze daarvan citeer ik hier een fragment uit een artikel van zijn hand, gepubliceerd in het "Groningsch Kerkblad" van 27 juni 1964. Ds Keizer wees daarin op een geschriftje van ds C. Vonk "Trouw blijven" waarin deze dezelfde opvatting als die ds Telder verdedigt.
Ds Keizer schrijft dan dit: "Wie inzicht wil verkrijgen omtrent hetgeen er gaande is rondom Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus, waarover ook ds Telder geschreven heeft, kan ik ook dit geschriftje van ds Vonk aanraden, maar inzonderheid zijn werk "De Voorzeide Leer" Ib. Ds Vonk laat men welke grote dingen hier aan de orde zijn, nl. "de onsterfelijkheid der ziel", de grote leugen waarmee de duivel Gods kerk de eeuwen door dan weer meer, dan weer minder, onberekenbare schade heeft toegebracht.
Nu heeft God het in de reformatie van 1944 gegeven ons van de toen kerkelijk vastgestelde uitspraak inzake de substantialiteit en onsterfelijkheid der ziel te mogen vrijmaken. Echt vrijmaken om van deze kerkleer, die inzake de substantialiteit der ziel volop Rooms is, te mogen vrij zijn en vrij blijven. Maar thans doet er op een Geref. kerkelijke vergadering in het Zuiden een rapport dienst "dat aan ieder mens één onsterfelijkheid toeschrijft en aan de gelovige twee onsterfelijkheden", "Trouw blijven" P. 26. Ds Vonk bedoelt het rapport- Wiskerke, later gepubliceerd onder de titel "Leven tussen sterven en opstanding". Deze kerkelijke uitspraak van de P.S. van het Zuiden "bleek met die van Sneek-Utrecht 1942 principieel overeen te stemmen", aldus Ds Vonk. "De Voorzeide Leer" Ib, p. 159.
Als dit juist Is wordt hier dan niet een belangrijk stuk van de Vrijmaking losgelaten? Van het een komt het ander. Ook het "beloftekarakter van Gods Woord" (kernpunt van de Vrijmaking) komt in geding bij het rapport- Wiskerke. "Het viel ons op, dat in verband met dit tweede leven het woord wedergeboorte wel niet gebezigd werd. Maar dat ontbrak er dan ook nog maar aan, anders zou de eenvoudige Gereformeerde ouderling wakker geworden zijn en begrepen hebben, dat hem 'n eeuwige-Ievens-theorie werd opgedist die sprekend geleek op de Ridderbossiaanse en Kuyperiaanse wedergeboorte-opvatting, ja, op de aloude Roomse leer van een infusie van genadematerie in de mens. Van het heerlijk erfstuk der Reformatie, de leer van de belofte des heils, in ons Geref. Kerkboek veilig bewaard, had men wel gehoord, maar daarmee heeft men niet kunnen werken. De les der Vrijmaking bleek niet bezonken. Op grond van zulk een rapport iemand te veroordelen - dat betekent echter een blamage voor de Hervorming tegenover de Roomsen en voor het Christelijk geloof en de Christelijke hoop tegenover de heidenen", p. 161. En dat het hier óók nog niet bij blijft toont ds Vonk breedvoerig aan: "Wanneer alle mensen een onsterfelijke ziel hadden, bezaten wij geen algenoegzaam Zaligmaker.
Dat is het ergste. Dan konden we niet eer lijk en oprecht verkondigen bij brood en beker "de dóód des Heren". Dan moesten we daarmee maar ophouden, vóórdat Hij komt", p, 159.
Niemand betwijfelt het voortbestaan onzer doden. In leven en sterven zijn we het eigendom des Heren en de eeuwige gemeenschap Zijner liefde blijft ons binden, ook na onze dood. Maar als het waar is wat ds Vonk schrijft dan is de gedachte inzake het gedeelde mensbeeld van het boek van ds Wiskerke "in de grond der zaak" in strijd met Zondag 16 van de Heidelbergse Catechismus over de waarachtige dóód van onze Heiland. "In de grond der zaak". "Daarmee bedoel ik: als het er op aankomt; de redenering voert daartoe, al ziet men het natuurlijk zelf niet in", aldus ds Vonk in "Trouw blijven", p. 26. De gelovigen "twee onsterfelijkheden''?
Is dat Gereformeerd?
"De les der Vrijmaking niet bezonken", zegt ds Vonk. De Vrijmaking was toch een "opstanding"?
"Nieuwe opstanding en zijn nodig", zei Calvijn. Dr Trimp haalde dit met instemming aan. Doorgaande reformatie. Van harte neem ik het over. Daartoe behoort m.i. óók de hernieuwde aandacht voor het spreken der Schrift over de mens, zoals ons dat gegeven werd in het werk van Janse, Telder, Vonk e.a. We behoeven het niet met elke conclusie eens te zijn. Dat werk moet gecorrigeerd worden. Dit is niet een zaak, die "uit de lucht" komt vallen. Reeds in de dertiger jaren werd er over de schriftuurlijke betekende van de woorden lichaam-
ziel-hart-vlees-.geest enz. veel geschreven. De "opstanding" die ons toen gegeven werd kwam ook openbaar In een bestrijding van de traditionele, gangbare meningen t.a.v. de substantialiteit, de onsterfelijkheid der ziel en de tweedeling (dichotomie) "lichaamziel". Kuyper en Bavinck hadden reeds opgemerkt, dat God ons in Zijn Woord anders leert spreken dan in de regel onder ons geschiedde.
Maar hoe ontzaglijk klemt de noodzaak tot reformatie in-
dezen thans! Wie er op let hoe ver de taal der christenheid over de mens, over "ziel". "lichaam", "geest", "diep innerlijk" enz. verwijderd is van de Schrift, die ziet met schrik de toekomst in."
Tot zover het artikel van ds Keizer.
'Den slotte wil ik in dit verband nog opmerken dat ik steeds verklaard heb nooit of te nimmer met een schorsing van ds Telder te zullen instemmen .. - Bij de scheuring van de kerk van Breda hebben overigens diens opvattingen van ds Telder geen enkele rol gespeeld! - Ds Telder is een dienaar des Woords, zó Schriftgetrouw, zó toegewijd, zó zichzelf verloochenend dat ik hem aan alle predikanten ten voorbeeld zou willen stellen!
9. Vaak wordt ook beweerd dat in de kerken "buiten het verband" een aantal "afwijkende opvattingen"
van ds Oosterhoff van Beverwijk worden getolereerd.
Wellke die precies zijn weet men meestal niet, maar men suggereert vaak dat ze heel erg zijn.
Zo deed nog onlangs ds Lok. De feiten liggen evenwel totaal anders.
Ds Meester heeft dat een tijd geleden in een brochure glashe1der en onweerlegbaar aangetoond.
Wat hij daarin schreef komt op het volgende neer: De particuliere synode van Noord-Holland heeft in 1962 bepaalde leringen van ds Oosterhoff grondig overwogen en afgewezen. De daarop volgende particuliere synode, die van 1963 heeft zich opnieuw met "de zaak Beverwijk", die van ds Oosterhoff, bezig gehouden.
Zij veroordeelde opnieuw bepaalde opvattingen van deze predikant. Dat geschiedde vóórdat de generale synode van 1964/ 65 gehouden in Rotterdam-Delfshaven, plaats vond! Ook deze synode veroordeelde een aantal ideeën van genoemde predikant.
De na deze synode samenkomende particuliere synode van Noord-Holland gehouden in 1965, verlangde toen van ds Oosterhoff dat hij de door de generale synode van Rotterdam-Delfshaven afgewezen leringen niet meer zou verkondigen. Deze belofte heeft ds Oosterhoff toen ten overstaan van de classicale vergaderingen van Haarlem inderdaad afgelegd.
De kerk van Beverwijk behoorde tot het ressort van deze classis.
Ds Oosterhoff heeft de genoemde belofte schriftelijk aan de classicale vergadering overhandigd.
Kan men een betere oplossing van een moeilijke, kerkelijke zaak denken? Is in deze gang van zaken iets dat kritiek op de kerken "buiten het verband" enige grond geeft?
10. Ik wil eindigen met een woord gesproken op een van de grootste dagen uit de geschiedenis van de "Kamper School". De dag namelijk waarop prof. Bavinck zijn magistrale oratie over "De Katholiciteit van Christendom en Kerk" uitsprak. Het is dit: "Gelijk de éne algemene christelijke kerk meer of minder zuiver in verschillende kerken tot openbaring komt, zo vindt ook de éne algemene christelijke waarheid in de verschillende belijdenissen des geloofs, een meer of minder zuivere uitdrukking, Er is geen algemeen Christendom boven, maar toch wel in de geloofsverdeeldheid aanwezig. Evenmin als één enkele kerk, hoe zuiver ook, met de algemene kerk samenvalt, mag één belijdenis, hoe ook naar Gods Woord gezuiverd, met de Christelijke waarheid zich vereenzelvigen. Elke secte, die eigen kring voor de enige kerk van Christus houdt en uitsluitend in het bezit der waarheid zich acht, kwijnt en sterft weg, als een tak, die van zijn stam is gescheurd.
De éne heilige algemene christelijke kerk, nu voorwerp des geloofs, komt eerst als het Iichaam van Christus zijn volk wasdom zal hebben bereikt. En ook dan eerst zal de gemeente komen tot de enigheid des geloofs en der kermisse van de Zone Gods, en zal zij kennen gelijk zij gekend is."
Als we het over wat in deze woorden gezegd zijn - ze werden honderd jaar lang in “Kampen" geleerd en verdedigd! - van harte eens zijn, dan ligt de weg naar de kerkelijke eenheid van allen die waarachtig in Jezus Christus geloven als de Zoon van God en de Verlosser der wereld open!
Ik ben zeer dankbaar voor het artikel van prof. Douma. En ik hoop dat hij op de. daarin. aangewezen, én door hem ingeslagen weg zal voortgaan met woord en daad.
Onzerzijds zijn wij, wals door ons steeds verklaard is; ten volle bereid tot hereniging. Wij vragen geen "bekering vooraf"! Wij vragen niets anders dan: Neem ons zoals we zijn en laten we samen Avondmaal vieren - nog vóór wij het zullen doen aan het "Avondmaal van de bruiloft des Lams".
P.S. De in dit artikel beloofde Persschouw moet wegens plaatsgebrek overstaan tot het eerstvolgende nummer.