Kerkzang en kerkverband
1973-07-20
Wanneer ik mij verstout een aantal opmerkingen te maken bij het artikel van br. D. W. L. Milo in ons blad van 23 februari over "Toepasselijke kerkzang" ben ik mij er van bewust dat ik lang zoveel niet weet van "zangers en speellien" als onze broeder uit Vierhouten. Wel sta ik wekelijks voor de niet eenvoudige opgave om een keus te doen uit de psalmen en de weinige gezangen voor de erediensten van de gemeente alhier.- Jaargang 17
- nummer 27
Als student met "preekconsent" werd ik indertijd in een van de eerste diensten, waarin ik stichtelijke woorden mocht spreken, reeds geplaatst voor een van de moeiten, die hieraan verbonden zijn.
Na de wetslezing wilde ik een gezang laten zingen, maar het orgel zette niet in; wel spoedde zich de dienstdoende ouderling naar de preekstoel, om de enigszins onthutste voorganger te vertellen dat er in deze gemeente geen gezangen gezongen werden.
De student, oud-zondagschoolmeester en daardoor aardig thuis in de psalmen, bracht aanstonds een correctie aan en gaf een toepasselijk psalmvers op. (Niet: Zingt, zingt een nieuw gezang den Here, zoals de anecdote het wil.) Ik heb dus weet van de moeiten, waarmee br. Milo in zijn artikel in de weer is.
Dit soort ervaringen mogen ons er niet toe leiden dat we onbillijke verwijten gaan doen, zelfs niet aan synodes, want die hebben niet alleen kwaad gedaan.
Zo lees ik bij br. M. over het afgrijselijk arbikel 69 uit de D.K.O., dat als ik hem goed begrepen heb beslist moet worden afgezworen, opdat het kerkverband niet langer vertragend, remmend, zo niet wurgend een vernieuwing van de gemeentezang kan frustreren.
Is nu het genoemde artikel uit de D.K.O. zo bar en boos als de gebezigde uitdrukking doet vermoeden?
Laat ik even in herinnering roepen dat vóór de Reformatie de beminde gelovigen, die zondags naar de mis gingen, vrijwel geen deel hadden aan de lofprijzing in psalm of lied, omdat in deze diensten een koor de misliederen zong.
Bij de reformatie heeft Calvijn het zingen van de gehele gemeente weer ingevoerd en een bundel psalmen verzameld.
In dit voetspoor wierp in Nederland Petrus Dathenus zich op de psalmberijming en toen onze vaderen in hun kerkelijke vergaderingen de eerste bepalingen maakten, die later uitgroeiden tot de Dordtse K.O., werd besloten dat in de kerken de 150 psalmen gezongen zouden worden. Hiermee is aan de kerken geen juk opgelegd, wel neen, bij de wieg van art. 69 D.K.O. zou u kunnen denken aan Psalm 95 vers 1 in de nieuwe berijming:
Steekt nu voor God de loftrompet
Hem die ons in de vrijheid zet.
De gemeenten gingen zingen!
Leuk is daarbij dat de broeders al spoedig kwamen te zitten voor de vraag welke berijming moest worden aangehouden.
Zo verscheen in het jaar 1580 een nieuwe berijming van Marnix van Sint Aldegonde en de deskundigen waren het er over eens dat de berijming van Marnix in meer dan een opzicht beter was dan die van Datheen.
Vooruitstrevenden wendden pogingen aan de nieuwe berijming in te voeren. Maar zie, de oude berijming van Datheen was populair bij het volk, sprak meer tot het hart van de mensen en hoewel Marnix zeker in literair opzicht beter was, hebben de vaderen niet doorgezet en geen bepaalde berijming voorgeschreven.
Datheen won de strijd en zijn berijming hield stand tot 1774 toen de Staten ons opzadelden met de bundel, die tot voor kort bij ons algemeen gebruikt werd.
Ja, zal iemand zeggen, maar is bij de latere ontwikkelingen de vrijheid van de kerken niet in het gedrang gekomen?
Br. Milo wijst er op dat het vijf en twintig jaar geleden is dat een synode deputaten voor een nieuwe psalmberijming benoemde en weer andere deputaten voor een nieuwe gezangenbundel.
Wat is daarvan terecht gekomen; deputaten zijn nog bezig.
Wanneer er dan particuliere initratieven zijn, die een verrijking van de gemeentezang kunnen bewerken b.v. een bundel van Hans Bouma, waarom dan niet heel deze zaak in de vrijheid van de kerken gelaten?
Is het niet begrijpelijk dat een man als br. Milo, die ook op dit terrein zijn sporen verdiend heeft, teleurgesteld en wat geïrriteerd over het uitblijven van resultaten uitroept: Zing daarom vrijmoedig al wat in het zanghuis wordt aangeboden, niets ondervragend?
Het eerste wat ik zou willen opmerken is dat de vrijheid van de kerken een christelijke vrijheid is.
In die vrijheid nemen de kerken het juk van Christus op en onderwerpen zich aan de waarheid van het evangelie.
Dat geldt ook voor de psalmen en liederen die de gemeente zingt.
De gemeente-zang is evenals het belijden een stuk van onze aanbidding van de levende God in Christus Jezus.
Wij mogen God niets "ongerijmds" toezingen.
Daarom moeten psalmberijming en gezangbundel op hun schriftuurlijk karakter getoetst worden.
Zoals in een gereformeerde kerk niet alles geleerd wordt, wat in het leerhuis kan komen en niet gedoopt wordt al wat in het doophuis komt, wordt er niet alles gezongen wat in het zanghuis komt.
Er moet hier een misverstand zijn, want als br. Milo spreekt over de gezangen, die door de synode van Middelburg 1933 zijn ingevoerd is zijn kritiek op dit bundeltje beslist niet voor de poes.
Voor een deel stem ik in met zijn kritiek, met de aantekening dat we niet al te nauw in onze lendenen moeten zijn.
Blijft de vraag of wij de roeping om een psalmberijming en eventuele gezangen te toetsen niet aan de kerken zelf moeten overlaten en het kerkverband, dat zo vertragend werkt hier buiten moeten laten.
Waarom bemoeien kerkelijke vergaderingen zich hiermee?
In de kerk van onze Here Jezus Christus hebben we naast de strijd om de waarheid evenzeer de roeping om de eenheid te zoeken en te bewaren.
We hebben nu de zoveelste strijd tegen heerschappijvoering en machtsaanmatiging achter de rug en zien het in de verscheurdheid van de kerk als een eerste roeping om de door het evangelie geschonken vrijheid en verdraagzaamheid gestalte te geven.
We hebben daarin niet zo veel ervaring en zullen wijs doen te bedenken! (en, dat de weg van de Vrijheid, naar het juk dikwijls maar een schrede is geweest, want het is geen eenvoudige zaak de neiging tot drijverij in onze harten te overwinnen.
Met die verdraagzaamheid zijn we er trouwens nog niet, in de kerk moeten we blij zijn met elkaar om Christus' wil.
In die blijdschap moeten we tot een offer bereid zijn en aanvaarden dat het nu eenmaal onmogelijk is ieders wensen te vervullen.
Dit geldt ook voor de gemeentezang.
Wanneer kerkelijke vergaderingen zich bezig houden met zaken als psalmberijming en gezangenbundel, gebeurt dit om ook in het lied van de gemeenten uitdrukking te geven aan de eenheid en verbondenheid in Christus.
Het kerkverband kent niet alleen wrange vruchten, maar ook zegeningen.
Eén van die zegeningen is (was) dat wanneer een gezin elders kerkt men zich aanstonds in de gemeenschap weet opgenomen in het zingen zo mogelijk uit één kerkboek met psalmen en gezangen, zodat ieder zijn stem kan paren aan het lied.
In de kerk zingt niet ieder zijn eigen lied, maar zingen we samen het voorbedachte lied.
Laten we zuinig zijn op alles, waarin zich de eenheid van de gelovigen nog manifesteert.
Wanneer ik voorstander ben van het gebruik van de nieuwe psalmberijming is dit niet omdat ik deze louter winst acht.
Nu ik een paar jaar ervaring heb met deze bundel, zie ik ook de schaduwzijden; evenwel, een volmaakte berijming krijgen we nooit en nu de meeste kerken in ons land uit deze bundel zingen en de kinderen op de scholen, wanneer ze nog een psalmvers leren, dit uit de nieuwe berijming leren, hebben we geen keus.
En ook nu zeg ik: laten we het weinige, waarin zich in de verscheurdheid van kerk en christendom nog enige gemeenschap laat aanwijzen, aangrijpen, laat ons nog dezelfde psalmen zingen!
En dti betekent dat zwakken en sterken elkaar moeten verdragen.
Maar ik dacht dat we in Christus' kerk van jongeren en ouderen, van progressieven en wat trageren, van artistiek aangelegden en het meer gewone volk, van mensen die het houden bij de bundel van Johannes de Heer en hen die het hart verpand hebben aan de liederen van Barnard, Oosterhuis e.a., mogen vragen dat zij bereid zijn een offer te brengen voor de eenheid.
Is het niet mooi, wanneer we als kerken ook hier elkaar dienen met de gaven en talenten die er zijn, die er niet in elke gemeente zijn?
Dit betekent niet dat er binnen de samenleving van gereformeerde kerken noodt ruimte is voor een experiment.
Ik dacht dat niemand bezwaar zal maken, wanneer er bv. met Kerst en Pasen wat liederen buiten het boekje gezongen worden, als er verzen voor de kleintjes bij zijn.
Maar we moeten niet gaan leven bij het experiment, we moeten samen optrekken in verbondenheid.
Nog twee opmerkingen uit de praktijk van een man, die wekelijks leiding moet geven aan de erediensten. ' Het geeft bij de voorbereiding nu al moeite, wanneer je in een andere gemeente preekt en niet weet of er al dan niet uit de nieuwe berijming wordt gezongen.
En voorts, warmeer in de gemeente uit allerlei bundels gezongen wordt zal er in de dienst een Liturgie moeten zijn met uitgeschreven liederen; wie draait daar in de praktijk voor op? Lopen we daarbij niet het gevaar te worden uitgeleverd aan de liefhebberijen en improvisaties van enkelingen?
Van harte hoop ik daarom dat een overleg tussen de kerken over de kerkzang in psalm en lied spoedig op gang komt en dat we daarbij in verdraagzaamheid spoedig tot zaken kunnen komen.
Daarbij zouden we dankbaar gebruik kunnen maken van de deskundigheid van b.v, een man als br. Milo. Laten we hopen dat we daarbij winst kunnen doen met onze ervaringen in die zin, dat we elkaar niet onnodig ophouden; het kan ook wel goed gaan in een kerk-verband.