Paulus' brief aan de Galaten

1973-08-03
  • Jaargang 17
  • nummer 28
Vrijheid 5 : 1-5

Er bestaat een commentaar op de brief aan de Galaten, die als titel heeft "Paulus, apostel der vrijheid".
Dat is niet onjuist gezegd, als we onze geseculariseerde gedachten over vrijheid maar opgeven.
Of beter gezegd: als we maar niet werken met een on-
Bijbels vrijheidsbegrip.
Vrijheid betekent voor de meeste westerse mensen: doen waar je zelf zin in hebt. Vooral zo weinig mogelijk mensen, die iets over je te zeggen hebben! In feite komt dit vrijheidsideaal meestal neer op egoïsme. Dat is het in de Bijbel niet. Heel duidelijk staat het in 1 Petr. 2: 13-15. We moeten de vrijheid niet gebruiken als dekmantel voor kwaadwilligheid. Ja zelfs slaven kunnen Bijbels gezien aangesproken worden als vrijen.
Vrijheid is in de H. Schrift in de eerste plaats het bevrijd zijn van de zonde. We zijn met Christus gestorven en daarom rechtens vrij van de zonde. Rom. 6 : 1-14.
In de derde plaats betekent het vrij-zijn van de macht van de dood. Christus heeft de duivel, die de macht over de dood had, onttroond.
Hebr. 2 : 14-18.
Het is ook vrij zijn van de wet als middel om zelf een eigen gerechtigheid op te bouwen.
In dat verband zegt Paulus hier: opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt.
En dat werkt hij dan uit op het punt van de besnijdenis.
De vrijheid is een ons door Christus verworven en geschonken genade.
In heel de brief staat dat.
1 : 4; 2: 20; 3 : 13; 4 : 4, 5. Deze brief heeft een zekere eentonigheid (Van Stempvoort), maar dan een eentonigheid, waardoor de blijde boodschap des te heerlijker wordt uitgestald en verdedigd.
In die eentonigheid komt Paulus weer tot het 6f-6f. We hebben in Christus alles of we hebben zonder Hem niets (los van Christus).
Als iemand zich laat besnijden dan zal het werk van Christus hem geen nut doen. Dat zegt iemand die zelf wel besneden is. En de besnijdenis als teken en zegel van de gerechtigheid van het geloof was door God Zelf ingesteld. Rom. 4 : 9-12.
Maar de besnijdenis wees heen naar het offer van Christus. Nu Hij dat offer gebracht heeft is het leren "je moet je laten besnijden om zalig te worden" een praktische negering en ontkenning van het volmaakte offer van Christus.
En als je op dat ene punt toegeeft, dan moet je consequent doordenken en doorhandelen. Dan moet je héél de wet nakomen. De wet die door Christus is vervuld. En als we zelf voor eigen zaligheid willen en zouden moeten zorgen, dan zou de Heiland ook niet behoeven hebben te komen en Zijn werk hier op aarde doen.
Met een ander beeld zegt Paulus hetzelfde in Rom. 7. De gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden. Maar als de man gestorven is, is de vrouw vrij van die wet. "Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een ander, van Hem, die uit de doden is opgewekt." Rom. 7: 1-4.
Al dat werk van Christus negeren of praktisch ontkennen gaat dus in tegen héél het Evangelie en betekent tegelijk weer in slavernij gaan. Vandaar de opwekking; laat je niet weer een slavenjuk opleggen, blijf staan in de vrijheid, die Christus voor ons verworven heeft.

Jood-niet-Jood 5 : 5, 6

De echte vrijheid is deel hebben aan de gerechtigheid van Christus; deel hebben aan de vrijspraak van de zondaar door het geloof alleen, uit genade alleen. De Geest heeft ons dit Evangelie van de vrijspraak doen horen en aanvaarden.
3 : 1-5. Daarom mogen we ook hopen op de publieke vrijspraak, als de Here Jezus weerkomt om te oordelen de levenden en de doden.
Daarbij moet in acht genomen worden dat "hoop" in de Bijbel geen woord is dat onzekerheid inhoud, maar juist grote zekerheid wil uitdrukken. Daardoor krijgt de blijde boodschap van de vrijspraak van de zondaar ook een eschatologische diepte. Hoe zou het ook anders kunnen? Het gaat immers om de laatste grondvraag van ons bestaan. In dat geheel doet het er niet toe of je jood bent, besneden bent 6f niet jood bent, onbesneden. De lichamelijke afstamming van Abraham is niet zonder belang, maar speelt geen rol in het al of niet behouden worden.
Dan gaat het over geloof in Christus. Door de band aan Christus delen we in al de beloften aan Abraham al gedaan. Abraham trouwens had ook al deel aan de vrijspraak, voordat hij besneden was.
In dat geloof leven betekent ook het einde van het egoïsme. Wie op Christus werk hoopt heeft God lief boven alles en de naaste als zich zelf. Over die liefde spreekt Paulus in het vervolg nog.

Onenigheid 5: 7-10

De Galaten zijn zo goed begonnen.
Ze hebben het Evangelie aanvaard.
Maar nu zijn ze niet meer aan de waarheid gehoorzaam. De vraag wie hen in de weg gekomen is is wel ironisch bedoeld. Zowel Paulus als de Galaten wisten natuurlijk wel welke mensen het "andere" Evangelie verkondigd hebben, waardoor ze zich hebben laten overreden. Maar dat waren in ieder geval geen mensen, gezonden door Jezus Christus.
Voor het woord waarheid zie 2 : 5 en 2: 14.
Wie de vrijspraak van de zondaar niet als het hart van het Evangelie verkondigt, brengt verwarring en daardoor onenigheid in de gemeente.
Alleen het kruis van Christus verenigt. Alles wat daarbij wordt geleerd of alles wat daarvan af wordt gedaan, verstoort de enigheid van het geloof.
Paulus gebruikt hier het beeld van de werking van zuurdeeg. Een klein beetje bederft alles.
Het beeld van het zuurdeeg wordt door de Heiland op dezelfde manier gebruikt in Matth. 16 : 5-12.
Het beeld van het zuurdesem wordt ook in gunstige zin gebruikt.
Heel ons leven en heel het leven moet door het koninkrijk beheerst worden. Matth. 13 : 33.
Wie de eenheid van de gemeente verstoort door een ander Evangelie te brengen heeft de straf des Heren te wachten.

Vervolging 5 : 11, 12

"Leven uit de wet" brengt monomane persoonlijkheid voort, sterke leiders" (Van Stempvoort). Die hebben ook niet te lijden van vervolging, maar zijn vervolgers.
Paulus behoort niet tot zulke monomane leiders en heeft daarom wel van vervolging te lijden. Bij de vervolging die Paulus hier noemt is theoretisch aan twee mogelijkheden te denken. Aan vervolging door de overheid, waarvan Paulus wel last gehad heeft.
Het is ook mogelijk te denken aan vervolging door de joden. De laatste mogelijkheid lijkt me het waarschijnlijkst.
Hij heeft van de Joden vijf maal de veertig minéénslagen ontvangen. De synagogale straf. Gezien het geheel van deze brief ligt het voor de hand aan dit soort vervolging te denken. En daar zou hij geen last van hebben als hij predikte dat de heidenen, die tot het geloof komen zich ook moeten laten besnijden. Maar dan is het aanstotelijke van het kruis van kracht beroofd. Want de prediking van het kruis is een ergernis voor een ieder die niet alleen van genade wil leven. En als Paulus de noodzaak van de besnijdenis tot behoud en daarmee heel het wetticisme als noodzakelijk tot behoud zou hebben verkondigd, dan zou hij wel met rust gelaten zijn.
En dan komt al de felheid van de brief en van de echte Evangelieprediker weer te voorschijn, als hij zegt: ze moeten zich maar laten castreren, die de gemeente verscheuren.
Daarbij valt te bedenken - hij heeft het tegen joodse dwaalleraars - dat een gecastreerde in de vergadering des HEREN niet mocht komen. Deut. 23 : 1.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief