God of lot?

1973-08-17
  • Jaargang 17
  • nummer 29
Twaalf in een dozijn

Het kerkelijk spraakgebruik kent grote profeten, en kleine waarvan er twaalf in een dozijn gaan.
Maar klein of groot - voor Jacobus zijn ze allemaal doorgewone mensen, mensen net als wij.
Wat zulke mensen typeert, is dat ze zich metterdaad onderworpen hebben aan koning God.
Jeremia is daar een sprekend voorbeeld van. Als priesterzoon heeft God hem. bestemd tot een profetentaak. Hij had beter gewoon priester kunnen blijven, met een veilig inkomen. Dat ziet hij ook wel aankomen. Daarom roept hij ach en wee en voert als bezwaar aan: daar ben ik te jong voor (1 : 4 v.v.).
Hij mag de dag van zijn geboorte vervloeken (20: 14 v.v.), aan zijn opdracht kapot gaan - 't helpt hem allemaal niets: Gij hebt mij overreed en ik heb mij laten overreden; ik zei: Ik wil aan Hem niet denken... ik matte mij af om het in te houden, maar ik kón het niet (20: 7 v.v.).
Dus ging hij tegen alle gevestigde meningen in, verscheen in paleis, tempel en stadspoort, bekommerde zich niet om religieuze bolwerken en heilige huisjes zoals tempel (7: 1 v.v.), ark en besnijdenis (3 : 14 v.v.) en hechtte geen enkele waarde aan politieke mogelijkheden en militaire prognoses. Hij sprak alleen de woorden die God hem in de mond legde - zelfs al smijt men hem (net als Paulus later) daarvoor in de gevangenis.
Maar al maak je een volksprediker monddood - je kunt God de mond niet snoeren. Nooit ook laat Gods Woord zich in boeien slaan (2 Tim. 2 : 9).

Verkiezen en verwerpen ...

Net als Paulus bevindt Jeremia zich in wat de Romeinen later de custodia libera noemden. In de gevangenhof van het koninklijk paleis (vgl. Neh. 3: 25) kan hij zich betrekkelijk vrij bewegen, hij kan er zelfs vrienden en kennissen ontvangen. En blijft tegelijk op de hoogte van wat onder het volk leeft.
Onder de bezoekers is ook God zelf. Er zijn uiteraard ook andere passanten: er is een druk komen en gaan van priesters en "profeten", ministers en diplomaten, generaals en soldaten, lakeien en dienstmeisjes. En naarmate de situatie onder Zedekia (Nebukadnezar!) hopelozer wordt (Egypte verslagen, 37: 4 v.v.) raken de hoge heren en de bewakingssoldaten steeds meer in een toestand van défaitisme.
Jeremia vangt daar zo wel het een en ander van op. En bij een van zijn bezoeken attendeert de HERE hem zèlf daarop: heb je niet gemerkt - gezien aan de lange gezichten - wat dit volk, deze lieden spreken? De twee geslachten, die het HERE verkoren heeft, heeft Hij verworpen ... (Jer. 33 : 23-26).

... maar niet op heidense manier

Wat Jeremia in de gevangenhof meemaakt is: 't faillissement van de "kerk", uitgesproken door de (leiders van de) kerk zelf! De zaak is kapot - er is geen redden meer aan.
En dát de zaak failliet is, zit hem h.i. vast op... God: dié heeft verkoren en verworpen.
Zij spreken puur kerkelijke taal, hun vobucalair is aan de Schrift ontleend. Je zou bijna zeggen: eindelijk stemmen ze met Jeremia in (7: 29). Maar kerkelijke taal spreken is nog iets anders dan zich aan koning God onderwerpen.
Niet het gebroken hart (3 : 21 v.v.) is aan het woord, maar politieke, zelfs heidense berekening.
Zij trekken hun conclusie niet onder de heilzame oproep van Jeremia - dié hebben ze op nonactief gezet en ze kunnen hem nóg wel vermoorden (38: 1 v.v.) - maar onder de indruk van de feiten. Politiek hebben zij geen uitzicht, maar religieus zien zij er ook geen heil meer in: de HERE heeft verworpen... Als heidenen concluderen ze: tegen góden kun je niet vechten ... Zo zitten ze bij elkaar als de leiders van het derde rijk in de bunkers van Berlijn, onder te gehuil van het Stalin-orgel. Alleen zijn 't hier de bunkers van de vredesburcht Jeruzalem, de stad van de levende God, die eens Zijn volk uit Egypte haalde.

Een hard oordeel ... voor wie?

Daarmee is ook hun achting voor wat God nog steeds "mijn volk"
noemt (5 : 26 enz.) gereduceerd tot nul. Zij hebben 't afgeschreven: mijn volk verachten zij - alsof het in hun ogen geen natie meer is.
Jeremia heeft uit naam van God voor het (voort)bestaan van dit volk gevochten. Maar koningen, priesters en profeten wilden er niets van weten en verleidden 't volk (2 : 8 enz.). En nu ze zien dat het een verloren zaak is, wordt hun souvereine minachting openbaar: ze hebben zich nooit om 't volk wezenlijk bekommerd - ze leefden alleen voor zichzelf (5 : 31 enz.), De een schrijft de ander af, zoals later de farizeeër "de schare die de wet niet kent". Ze klampen zich aan God niet vast, laat staan dat ze 't volk heenwijzen naar de laatste toevlucht, Israëls rots. Ze kennen geen ontferming - want ze kennen zelf Góds ontferming niet. Vandaar dat ze zich hooghartig distantiëren. Wie hard is, oordeelt hard.

Met de regelmaat van de klok…

't Zal Jeremia pijn gedaan hebben, die achteloos uitgesproken woorden van minachting. Maar 't zal de Gód van Jeremia nog veel méér pijn gedaan hebben (vgl. 45 : 1-5). Wat daar in 't paleis naast de tempel gezegd wordt, wekt zijn naijver op. Ze maken publiek een caricatuur van Hem - alsof Hij geen God maar een onontkoombaar noodlot is. Maar brengen zij Gods innerlijke bewogenheid niet ter sprake, dan doet Hij dat zèlf wel: Ik zal een keer brengen in hun lot en Mij over hen ontfermen.
Niet 't lot is bepalend voor God maar omgekeerd.
Daarom grijpt Hij terug op Abraham, Izaäk en Jacob, zelfs als Israël hun namen niet meer noemt.
Hij grijpt terug op David, zelfs als Zedekia, Davids zoon, hem niet meer in geding brengt. Heeft Hij hun geen beloften gedaan? Is Hij een... mèns, dat Hij liegen zou? Dat dénken ze. wel (vs. 24, Ps. 50), maar daarom is het nog niet zo.
Dus grijpt Hij nog verder terug.
Via het alledaagse: morgen is er weer een dag... Hij grijpt terug naar de verordeningen van hemel en aarde, Zijn verbond aangaande dag en nacht. Naar de dagen der schepping. En die der onderhouding.
Niet als een theoretisch interessant onderwerp, maar als een gegeven van Zijn souverene majesteit.
Hij brengt Zijn scheppersmacht in geding om Zijn Koning-zijn reliëf te verlenen: 't vanzelfsprekende "morgen is er weer een dag" komt zo in een nieuw licht te staan. Als dag en nacht niet meer afwisselen, dàn zal Ik Jacob en David verwerpen... Gods volk mag leren leven met de regelmaat van de klok, met de zekerheid van de zakagenda. Daaruit kunnen ze aflezen hoe lank-moedig de HERE is. Elke dag is er ééndie spreekt van Gods majesteit, Zijn macht om te redden, de uitvoering van Zijn plannen en beloften.

... in de alledag-kerk

Koning God regeert. Die paar woorden bepalen verloop en doel van de geschiedenis. Alleen heeft na het Oude Testament dit barmhartig koningschap wereldproporties aangenomen. Klopt dat niet met de feiten? Wordt dat niet weersproken door de gang van de wereldgeschiedenis zelf? Maar iedereen kan toch nog zeggen: morgen is er weer een dag. . . En profeten van wie er twaalf in een dozijn gaan, mensen zoals wij, mogen op dat vanzelfsprekende attenderen om hoop voor de toekomst te wekken. Want wij leven niet onder de dwang van het noodlot, maar bij de gratie van God.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief