Eén uit een stad en twee uit een geslacht

1973-08-24
  • Jaargang 17
  • nummer 30
• Acte van (af)scheiding

De acte van (af)scheiding heeft een lange historie gehad. Daterend uit de tijd van Mozes fungeerde zij nog in Jezus' dagen.
Wat een "attestatie" krijgt Jozef (Mt. 1 : 19) in een tijd dat theologen een academisch twistpunt maken van de vraag of het geoorloofd is zijn vrouw weg te sturen om allerhande oorzaak (Mt. 19: 3).
Maar wat de HERE van Jozef verlangde t.o.v. Maria was nog niets vergeleken bij wat Hij zelf wilde doen ten aanzien van Afkerigheid-Israël en Trouweloze-Juda (Jer. 3 : 11-18).
Kan de profeet in Jes. 50: 1 nog vragen namens de HERE: "waar toch is de scheidsbrief uwer moeder, waarmee Ik haar verstoten heb?", in Jer. 3: 8 heet het: " ... toen Ik Afkerigheid, Israël, ter oorzake van haar echtbreuk, verstoten en haar de scheidsbrief gegeven had ... ".
Dat schijnt het definitieve einde - nu kan Gods liefde zich niet meer geven: indien een man zijn vrouw verstoot en zij gaat van hem weg en wordt de vrouw van een andere man, zal hij dan nog tot haar terug keren?
Zal niet dat land ten zeerste ontwijd worden? (3 : 1). En toch: wat onder mensen als een vernederende schande, als een onmogelijkheid ervaren wordt, heet bij Hem genade, 't zuiverste bewijs van Zijn belangeloze liefde.

• Tollenaar èn farizeeër

Wie van beide heeft het 't meest bont gemaakt - Israël of Juda?
De kalveraanbidders van Bethel of de tempelgangers in Jeruzalem?
Als je 't leest, waan je je in de tijd van de tollenaar en de farizeeër (Luc. 18: 14). Want Jeremia hoort de HERE zeggen: Afkerigheid, Israël, heeft zich gerechtvaardigd boven Trouweloze, Juda (3 : 11).
Dát is 't beschamende voor het orthodoxe (7: 4) Jeruzalem, dat de oproep tot terugkeer uitgaat naar het -al honderd jaar verstoten - Israël, het tienstammenrijk.
De lokroep van Gods beschamende, vernederende liefde richt zich "naar buiten". Maar Hij laat die roep horen in de straten van Jeruzalem, uit de mond van een heuse priester (1: 1), misschien zelfs zoon van een hogepriester (2 Kon. 22 en 23). Hij roept. .. op het kerkplein. Die "anderen" waren letterlijk en figuurlijk al ver heen, maar Jeruzalem is ter plaatse en moet, ook nog aan het eind, horen: in die dagen zal het huis van Juda naar het huis van Israël gaan ... (3: 18) Juda en Israël, tollenaar en farizeeër, beiden zoekt Hij in zijn liefde - Hij hunkert naar de terugkeer van Zijn volk (2 : 2). God is ook hier al de Vader die elke dag uitziet naar de terugkeer van de verloren zoon en dochter, de Man (Jes. 54: 5) die uitziet naar (Ie terugkeer van Zijn bruid (Jes. 50: 1 v.v.).

• Hoever kan Hij gaan?

Terugkeer - alleen: erken uw ongerechtigheid. Maar zover is Juda nog niet (2: 23 V.v.; 3: 3 v.).
Sterker, het wijst alle schuld af - de schuld ligt volgens hen bij Hém (2: 29-31). Hoe zal zó'n vrouw, brutaal, onbeschaamd, tot terugkeer bewogen worden. Alleen door de jaloersmakende overvloed van Zijn Liefde, doordat Hij openlijk - 't staat op zijn gelaat geschreven (3: 12) - laat zien hoeveel Hij nog van Israël houdt.
Ontwapenend, beschamend bijna geeft God zich bloot. Zóveel houdt Hij (ook) van Juda ... nog steeds.
De afwezigheid en de trouweloosheid moge een permanente levenshouding zijn geworden daarvan spreekt ook de gedurige typering "verstoktheid van hun boos hart" (8 x bij Jeremia, bijv. 3 : 17). 't Mag een kwestie zijn van pertinent niet willen, een zich met gespannen spieren verzetten, tegen beter weten in.
Niettemin keert God zich naar die verstarde, in hun verzet versteende mensen - zij zouden onder al die striemende woorden eens kunnen gaan denken: mijn misdaad is te groot dan dat ze vergeven zou worden.
Maar God laat hen zien, hoe Hij zèlf er tegenover staat. Keren ze niet terug, dan is dat omdat zij zelf niet willen - en niet omdat Hij niet meer wil. Hij wil wel.
Hij acht zich nog steeds met hen verbonden, hun "baäl", Heer (31 : 32). Hij wil genadig zijn.

• Sodom overtroffen!

Hoor maar: keer weer, afkerige kinderen, want Ik ben heer over u; Ik zal u nemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en u brengen te Sion ...
Eén uit een stad en twee uit een geslacht - is dat niet wat karig?
Betekent dat niet een domper op de misschien amper ontwaakte vreugde over een mogelijke terugkeer?
Op die manier zijn deze woorden vaak gelezen èn toegepast.
Met de gedachte: een lot uit de loterij - één op de honderdduizend.
Laat 't waar zijn dat van Israël slechts een rest, een overblijfsel terugkeert tot de HERE - dan nog is 't zó: al was 't er maar één uit een stad, twee uit een geslacht (in Sodom hield het bij tien al op), Hij vindt het de moeite waard die te brengen naar Sion, naar de heilige berg.
Dat dóet een goede herder - al gaat het maar om één afgedwaald schaap. Schapen zijn en blijven 't voor Hem. En als een echte Goede Herder spaart Hij daarvoor kosten noch moeite: Ik zal u (onder)herders - en geen huurlingen!
- geven, die u zullen weiden met kennis en verstand.
Kennis: zij kennen hun schapen bij name - er wordt er niet één gemist bij 't tellen. Verstand: zij zorgen voor 't wel-zijn van de kudde. Dan gaat '.1 een kudde goed: zij vermeerderen zich en zijn vruchtbaar: de oude zegen (Gen. 1: (22), 28) wordt nieuwe, levende werkelijkheid (Jer. 3 : 16; 23 : 3; Ez. 36: 11!). Het wordt weer een grote kudde!

• De ark achterhaald

Wanneer Israël zó terugkeert, geeft 't niet meer dat er slechts een rest is, dat de tempel verwoest is, de ark verdwenen. Want dan zal niemand (i.t.t. 7 : 4) meer roemend spreken over de ark van het verbond des HEREN... De hoogmoed is verdwenen: zij zal niemand in de zin komen... zij zal niet meer gemaakt worden (3 : 16).
Dat betekende even wat, gezien de inhoud en functie van de ark!
Is de ark niet bedekt met het verzoendeksel?
Liggen de bewijzen van het verbond, van Gods onbetwistbare keus, van Zijn vaderlijke zorg niet veilig in haar geborgen?
Onvoorstelbaar dat dit alles wegzinkt in de vergetelheid. En toch: ze zullen er niet op achteruitgaan als ze dat zichtbare en aanwijsbare teken van Gods tegenwoordigheid missen, die "troon" van God. Want te dien tijde zal men (heel) Jeruzalem noemen: de troon des HEREN. Daar woont Hijzelf in het midden van zijn groeiende gemeente (vgl. Jes. 60).
Groeiende gemeente? Ja - want alle volken zullen zich daarheen verzamelen. Waarom? Om de naam des HEREN te Jeruzalem!
Hij doet van Zich spreken - in Jeruzalem, bij en door Zijn gemeente.
Want door Zijn gewenste aanwezigheid brengt Hij een voortdurende verandering teweeg: zij zullen niet meer wandelen naar de verstoktheid van hun boos hart.
't Moge beginnen met desnoods één uit een stad, twee uit een geslacht, door Zijn genadige aanwezigheid groeit het uit tot een Jeruzalem, vol van een schare die niemand .tellen kan, uit alle volken en geslachten en naties!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief