Broeders buiten de kerk!
1973-08-24
Van bizonder belang is de verhouding van de Afgescheidenen tot de niet-afgescheiden gelovigen.- Jaargang 17
- nummer 30
Speciaal voor de vrijgemaakten!
Want in de voorbije jaren was onder dezen, misschien meer dan alle andere, de vraag actueel: hoe moeten de leden van de vrijgemaakte kerken zich opstellen ten opzichte van de gelovigen die geen lid van hun kerk zijn? Kunnen ze met hen samenwerken? En zo ja: in hoeverre?
We willen ook met het oog op deze vraag weer naar Gispen luisteren.
Zijn oordeel is belangrijk, want wat hij zei was zonder meer het dominerende gevoelen in de Chr. Geref. Kerk.
een echt "afgescheiden" dominee
Gispen was in hart en nieren een "afgescheiden" dominee.
Diep was hij overtuigd van de noodzaak, de wettigheid en de zegen van de Afscheiding.
Die afscheiding was voor hemen voor alle echte afgescheidenen - een metterdaad néén-zeggen tegen alles wat in de kerk en in heel het leven evident in strijd was met het Woord van God en een worstelen om uit en naar dat Woord te leven, altijd en overal.
In 1874, veertig jaar na de Afscheiding in Ulrum, schreef Gispen een boeiend artikel over dit kerkhistorische gebeuren.
Zoals men weet heeft De Cock in Ulrum een "Acte van Afscheiding of Wederkeer" opgesteld - ze werd ondertekend door nagenoeg alle leden van zijn gemeente waarin hij verklaarde te breken met de Nederlandse Hervormde Kerk zoals die toen reilde en zeilde - totdat die zou wederkeren tot "de leer, dienst en tucht der vaderen". Gispen schrijft daarover: "Of het verstandig was zulk een acte te tekenen en zich formeel af te scheiden van het Nederlands Hervormd Kerkgenootschap, is een vraag, tot welker juiste beantwoording de tijd wellicht nog niet gekomen is." Maar het staat voor hem wel rotsvast, "dat het beginsel waarop de onttrekking aan de macht der onwettige kerkbesturen steunde, bijbels en gereformeerd is. Ook in de 17e eeuw hebben de Gereformeerden in Holland zo gehandeld en afzonderlijke kerkelijke bijeenkomsten gehouden, tot aan de val van het remonstrantisme.
De beweging ontstond niet uit berekening of een vast, te voren beraamd plan. En hoeveel onwaars en onheiligs er zich ook onder mengde, hoe verschillend ook in nevenomstandigheden, de beweging was. . . men had overal slechts één doel: handhaving der Gereformeerde leer; vrijmaking der Gereformeerde Kerk."
Na allerlei aspecten van de Afscheiding en de Afgescheiden kerken besproken te hebben, waarbij hij ook zijn broeders duchtig de les las, besloot hij zijn opstel met deze echt Gispeniaanse zinnen: "Van twee beschuldigingen zal de Chr. Geref. zich echter niet kunnen zuiveren. Vooreerst, dat zij de synode in Den Haag (die van het Ned. Herv. Kerkgenootschap C.V.) niet erkent voor een wettig gereformeerd kerkbestuur, en ten andere, dat zij bestaat, alleen door de kracht. die God verleend, in de offervaardigheid harer leden."
Zo predikte Gispen steeds en met rustige kracht de noodzaak van de Afscheiding. En hij verdedigde die o.a. ook tegenover Groen van Prinsterer.1)
de Afscheiding
Bij velen, vooral ook bij vele Hervormde broeders leeft veelal een karikatuurvoorstelling van de Afscheiding en de Afgescheidenen!
Die laatsten worden vaak beschouwd als mensen die een "eigen", en vooral een "zuivere" kerk wilden creëren. Men ziet ze veelal als een soort kerkelijke perfectionisten of zelfs wel als sectariërs!
Niets is minder waar!
Laat ik om dat te doen beseffen iets mogen vertellen over wat er in mijn geboorteplaats voorviel.
Daar werkten - nou ja "werkten"! - een eeuw geleden hervormde predikanten die niet de flauwste notie hadden van wat zonde en genade was! Wat ze 's zondags de gemeente toedienden was brave, gezapige, dorre bourgeoisie godsdienstigheid. De leden van de kerk - er was toen in Doorn maar één kerk - die er iets van beseften waar het in het Evangelie om gaat en waar het in hun eigen leven om gaan moest zwierven naar alle kanten uit op zoek naar "de waarheid".
Eén grootvader van mij liep elke zondag van Langbroek, daar woonde hij toen, naar Amersfoort - (17 km!) - om "het Woord" te horen. Er was bij deze mensen "honger" naar het Woord!
Ten slotte staken een aantal van deze zwervers de koppen bij elkaar en lieten op een avond in de week een dominee, een oefenaar, een evangelist komen - tot welke kerk die behoorden was hun volmaakt onverschillig! - die "de volle Waarheid" preekte. Dat gebeurde in 'n schuur van een bakker.
Jarenlang. 's Winters tussen de koeien! De banken waren planken, neergelegd op een paar tonnen. Mijn vader heeft me meermalen verteld dat hij als een kleine jongen daar op een stoof bij zijn moeder zat.
Deze mensen hadden niets van valse mystiekerij. Ik heb ze nog goed gekend. Ze waren blijmoedige christenen, die in de prediking "een ruim aanbod van genade" verlangden. En die zeer nauwgezet leefden. Op een goede - of kwade - dag kregen de meest vooraanstaanden van deze schuurbezoekers een briefje thuis dat ze "geschrapt" waren als lid van de Herv. Kerk! De hervormde dominee of een ouderling hadden ze in hun huis nooit gezien! En toen zij ze min of meer van armoe tot herinstituering van de kerk overgegaan. Dit werd, zoals haast van zelf sprak, een Chr. Gereformeerde. En toen bouwden ze ook een kerkje. Dat ging feitelijk ver boven hun financiële kracht! Het kostte ook het voor hen onvoorstelbaar grote kapitaal van f 1200,-! Het gebouwtje staat nog in Doorn. Ik kijk er altijd met ontroering naar als ik er langs kom. Mijn éne grootvader deed er graafwerk voor als hij zijn twaalfurige arbeidsdag had volbracht. En mijn andere grootvader heeft het geverfd.
Op soortgelijke wijze werden heel veel afgescheiden kerken geboren!
Ze ontstonden uit diepe, geestelijke nood, uit honger naar het Evangelie!
Ze werden geboren omdat men ernst maakte met de belijdenis dat het - énige - fundamentele kenmerk van Christus' kerk is "de reine verkondiging van het Evangelie."
Deze mensen leefden voorts in de meest hartelijke relatie met gelovigen uit andere kerkelijke denominaties.
Heel graag en van ganser harte zongen ze psalm 119: 32: "Ik ben een vriend, ik ben een metgezel van ALLEN die Uw naam ootmoedig vrezen."
Kerkelijke krampachtigheid was hun volkomen vreemd! Maar ze waren tegelijk in hart en nieren "afgescheiden". Want het gehoorzamen aan kerkelijke besturen en het erkennen van dominees, die de "doodsstaat van de zondaar"; de "verzoening door voldoening"; de "lichamelijke opstanding van Christus"; "de onfeilbaarheid en het gezag van het Woord" loochenden was voor hen een onmogelijkheid, ja meer nog: een zonde! 2)
"interkerkelijke" activiteit
Van dit type afgescheidenen was iemand als Gispen - evenals Brummelkamp, vader en zoon, Jan van Andel en vele andere afgescheiden prominenten - een ideale vertegenwoordiging.
Van ganser harte juichte een man als Gispen toen hij dominee in Giessendam werd het toe dat de school van de Afgescheidenen daar door alle kinderen zonder onderscheid bezocht kon worden.
Ja, men dankte er God hartelijk voor als er kinderen van nietgelovige ouders of van leden der "Grote Kerk" de school bezochten!
In Kampen had Gispen aanvankelijk nog al wat moeite. Er werkte daar nog iets van de "verkiezingstheologie"
van de "kruisgemeenten" na. Er waren in onze goede stad mensen die vonden dat Helenius de Cock en Gispen "de waarheid vermodderden". Maar op de duur overwon Gispen àlle tegenstand. Vooral nadat de raddraaier van deze groep als lid van de kerkeraad had bedankt.
Zoals ik reeds eerder schreef heeft "Kampen" diepe invloed op Gispen uitgeoefend. Hij ging er anders - grondiger onderlegd, veel breder georiënteerd - vandaan dan hij er gekomen was. Hij had er vooral - dank zij mannen als De Cock en De Moen een diepe kijk gekregen op de "wonderbaarlijke genade van God" en de "vrijheid in Christus".
Dat bleek duidelijk uit zijn optreden in Zwolle, waarheen Gispen van Kampen verhuisde. Ook daar groeide de kerk door Gispens prediking gestaag! Tijdens zijn verblijf werd de - nu nog bestaande - Plantagekerk gebouwd.
In Zwolle ging Gispen hartelijk om met zijn hervormde collega Vermeer, zijn Waalse Daubanton en zijn Lutherse Schröder. Met zijn vieren vormden zij een gezelschap dat de vragen van de dag en nieuwe boeken besprak. Ook hield Gispen met hen samen de z.g. "Week der gebeden". 3) En van harte handhaafde Gispen de door zijn voorganger ingevoerde gewoonte om Hervormde gelovigen als gast aan het Avondmaal toe te laten! Graag bezocht hij de in die jaren overal gehouden en door duizenden bezochte "Zendingsfeesten" waarop het werk der verschillende "Zendingsverenigingen" onder de aandacht van de gelovigen werd gebracht." 4) Met hart en ziel gaf Gispen zich voorts aan het werk van de "algemeen christelijke", maar tegelijk ook "positief christelijke", Zondagsscholen en Jongelingsverenigingen. Hij sprak ervoor en schreef in de organen ervan. Toen Kuypers "Heraut" in december 1877 begon te verschijnen was Gispen daarvan redacteur voor de rubriek "Zondagsschool". Men bedenke daarbij dat Kuyper in die tijd nog volop "Hervormd" was en zich af en toe nogal hooghartig en laatdunkend over de "separatisten" uitliet.
kijk op Amerika
Ik zal nu Gispen zelf aan het woord laten om te vertellen hoe hij zich in de kerkelijke wereld van die dagen opstelde.
Het brieffragment is uit het jaar 1885. Dat wil zeggen: uit de tijd waarin - het was kort vóór de Doleantie - de tegenstellingen in de Hervormde Kerk, en tussen de Herv. en de Chr. Geref. Kerk; onvoorstelbaar scherp waren en de lucht vol was van kerkelijk krijgsrumoer!
Gispen had in één van zijn brieven op prachtig ironische wijze geschreven over Amerika en de invloed van Amerika in Nederland.
Speciaal ook wat het kerkelijke leven betreft.
Ik kan niet nalaten dat hier even te citeren. Het is uit de brief aan zijn Jeruzalemse vriend van 22 mei 1885. Hier is het: Eer we in ons kerkelijk leven Amerikaans zijn geworden zal het nog wel eens gewinterd en gezomerd hebben. Maar overigens zitten we, vol Amerikanisme! Ik weet niet hoeveel Amerikaanse winkels er alleen al in Amsterdam zijn. Er wordt veel Amerikaans spek gegeten en ons brood wordt van Amerikaans koren gebakken. Wie geen Amerikaans horloge op zak heeft is niet op de hoog., te van zijn tijd, en zonder Amerikaans beslag onder de schoenzolen is men een achterblijver. Van de Schelde tot de Dollard zit Nederland vol Amerikaanse sporen. Deze hebben de eigenaardigheid van veel harder achteruit dan vooruit te kunnen lopen, en een menigte mensen te brengen, waar zij niet wezen willen, en ze te laten staan op een dood punt in de wildernis.
En wat de geestelijke dingen aangaat, Amerikaanse opwekkingen zijn ons niet geheel vreemd. Amerikaanse geheelonthouding vindt zelfs in Christelijke Gereformeerde kringen bijval. Wij zingen vertaalde Amerikaanse opwekkings-zangen en onze predikanten moeten er Amerikaans en democratisch uitzien, om het vertrouwen der mensen te behouden.
Alleen in het kerkelijke zijn we nog sterk anti-Amerikaans. Gij weet ... dat in Amerika de verschillende kerken elkander erkennen; dat leraars van verschillende kerken voor elkaar preken, gemeenschappelijke meetings en bidstonden houden, zie, dat komt ons zo verschrikkelijk voor, dat we schier niet begrijpen, 'hoe zulk een land kan blijven bestaan.
Hadden we een weinig meer van het goede dat in het kerkelijk leven van Amerika gevonden wordt, het zou ons, naar mijn bescheiden mening, heel wat opfrissen.
"een vaste overtuiging en een ruim hart"
Op deze kostelijke ironie reageerden de christelijke gereformeerden in Amerika! Maar ze hadden niets gesnapt van Gispens humor.
Op hun nog al felle kritiek op Gispens boutade reageerde deze een paar maanden later zo: "Voor enige tijd schreef ik u enige beschouwingen over Amerikanisme.
Ik zei o.a. dat wij in Nederland het verschrikkelijk vinden, dat in Amerika leraars van verschillende kerkgenootschappen bidstonden en meetings houden.
Men heeft dit in Amerika gelezen, en in ernst opgevat, wat ik in ironie schreef. Dat spijt me zeer, te meer omdat het mijn eigen schuld is, als de mensen mij zo misverstaan. Ik moest niet ironisch zijn, waar ik het zo telkens ondervond, dat de mensen geen ironie verdragen kunnen, en de weemoed niet kunnen begrijpen, waaruit ironie ontspringt."
De kerkelijke verdeeldheid van de Hollanders in Amerika smart mij even:zeer als de verdeeldheid in ons eigen land. Ik heb er een aangeboren, natuurlijke afkeer van, en wens niets liever dan in vrede met mijn naaste te leven.
Mijn gedrag bewijst daarenboven, dat ik het niet verschrikkelijk vind met leraars van andere Kerken bidstonden te houden. Een aantal jaren hield ik de Week der gebeden in de grote kerk te Zwolle met Hervormde en Lutherse predikanten.
Op Zendingsfeesten trad ik dikwijls op, ook in bidstonden voor het Christelijk onderwijs. Een enkele maal predikte ik in de gewone godsdienstoefening van een Hervormde gemeente. Zelfs in Amsterdam hield ik nog dit jaar korte samenkomsten in de z.g. stille week en sprak ik een slotwoord op de Conferentie voor Inwendige Zending.
Sommige broeders schudden hierover bedenkelijk het hoofd, en de Heraut (dr Kuyper!! - C.V.) diende mij deswege een publieke berisping toe.
Maar ik ben de enige niet, die zo handelt. Onderscheidene ambtgenoten doen hetzelfde. Er bestaat tegenwoordig zelfs een Predikantenconferentie, waar hoogleraren en leraren der Ned. Herv. en der Chr. Geref. Kerken bestuurders en leden zijn.
Een mens kan, ook op dit gebied, aan vele dingen wennen, ook aan alle keuringen en berispingen.
Nu maak ik gelukkig van al dat soort van zaken geen gewetensgevallen.
Zei mijn kerkeraad tot mij: het is u niet geoorloofd zulke dingen te doen, dan zou ik mij aan het oordeel des kerkeraads onderwerpen.
Want ik ben, in de grond, hoogkerkelijk. Zo weinig ik mij bekommer om het oordeel der mensen, zoveel hecht ik mij aan de uitspraak der Kerk. En juist daarom kan ik gemakkelijk met anderen omgaan. Ik beschouw atle gereformeerden, die niet tot de Christelijke Gereformeerde Kerk behoren, als op kerkelijk gebied dwalende broeders, en die overtuiging steek ik niet onder stoelen of banken. Juist omdat ik geloof met de voeten vast te staan op een vast punt, meen ik met het hoofd herwaarts en derwaarts te kunnen zien, 'zonder gevaar van om te vallen. Een ander karakter dan het mijne zou nu de consequentie maken: zó met dwalende broeders samen te bidden en gemeenschap te oefenen stijft hen in hun dwaling, en is mitsdien ongeoorloofd. Terwijl mijn consequentie is: Hetgeen waartoe gij gekomen zijt, laat ons daarbij blijven, en zo gij anders gevoelt, ook dat zal u God openbaren.
Zolang de kerkelijke zaken staan gelijk ze staan, geloof ik dat een vaste overtuiging en een ruim hart elkander niet noodzakelijk uitsluiten.
De broeders van de andere zijde staan ook in hun vaste overtuiging, dat wij op kerkelijk gebied dwalen. En voorshands, denk ik, schiet er niets anders over, dan te zoeken elkander een weinig te verdragen."
Dit is inderdaad Gispen ten voeten uit.
Zonder krampachtigheid, onwrikbaar in zijn geloof ten aanzien wat Gods wil is inzake de kerkelijke weg die hij gaan moest.
Maar tegelijk en juist daarom, de broeders. buiten de eigen kerk vasthouden en met hen samenwerken waar het maar even kon, zonder enig compromis ten aanzien van de kerkelijke gehoorzaamheid.
En dan dat prachtige zinnetje over zijn "hoogkerkelijkheid"!
Dat is de vertolking van de overwinning op alle individualisme, eigengereidheid en krampachtigheid "in het kerkelijke". Wat heeft het zich aanpraten van gewetensbezwaren over wat al of niet in de kerk gedaan moet worden veel ellende veroorzaakt!
Ik las juist Krull's boek over Jacobus Koelman. Die was het helemaal met de inhoud van het doopsformulier eens. Maar hij had "gewetensbezwaren" tegen het lezen van dat formulier in de kerk! En wat voor een ellende heeft hij door dat "bezwaar" koppig vol te houden over zichzelf -- èn de kerk! - gebracht, Heerlijk is ook die opmerking dat wie vast op een vast punt staat geen gevaar loopt om te vallen als hij naar alle kanten kijkt. Gispen had geen oogkleppen voor!
Schilder zei hetzelfde eens zo: Alleen wie vasten kan, kan ook eten! - Maar die kan het ook!
"christelijk-gereformeerd"
Wat Gispen omtrent zijn houding en gedrag in de kerkelijke wereld vertelde gold zoals hij ook zei ' van de meesten van zijn ambtgenoten.
Ik heb vroeger reeds berichten uit oude nummers van het Kamper Dagblad afgedrukt waaruit bleek dat Van Velzen - de steil-gereformeerde Van Velzen! - meermalen in de Hervormde Kerk van IJsselmuiden preekte. Daar was de kerkeraad "orthodox" - in Kampen niet. Hetzelfde deed prof. Brummelkamp. En vele anderen.
Er zouden boeiende verhalen te vertellen zijn over dergelijke preekbeurten en vooral over de zegen die ze verspreidden.
Ik hoorde eens het volgende verhaal: prof. Bavinck zou ergens in een Chr. Geref. Kerk preken.
Toen dat bekend werd vroegen een paar Hervormde broeders Bavinck - of ze kerkeraadsleden waren en hoe ze dat met de kerkelijke autoriteiten in orde gekregen hebben weet ik niet - 's avonds nog een kerkdienst te willen houden in de Herv. Kerk. Het Woord was daarin. "schaars" en "schraal" geworden. Bavinck deed het. En voor een stampvolle kerk hield hij een ademloos aangehoorde preek waar vele jaren later nog over gesproken werd.
Die afgescheiden dominees hielden zich in zulke gevallen niet bezig met allerlei kerkrechtelijke kwesties. Neen; ze stelden zich de vraag: als mensen uit honger naar het Woord van God vragen om de prediking van het Evangelie mag ik dan weigeren die te geven!
Mag ik dan zeggen: "Nee, voor jullie preek ik niet"? Of: "Als je een preek van mij wilt horen, kom je maar bij mij in de kerk"?
Natuurlijk zijn deze situaties en activiteiten totaal wat anders dan het kwasi-oecumenische geëxperimenteer met gecombineerde kerkdiensten waarmee de gelovigen tegenwoordig vaak lastig worden gevallen!
Dit is iets van Gispens kerkelijke houding in de bloeitijd van de Chr. Geref. Kerk.
En hij werd er niet om verketterd of geschorst!
Integendeel, de kerken kozen hem ononderbroken tot lid van hun Generale Synode! En om de andere werd hij - de "artikelachter"! - de praeses daarvan.
En Gisoen werd niet vanwege deze houding als redacteur van de Bazuin aan kant gezet!
Integendeel, de curatoren van de Theol. School - het blad was eigendom van de School - benoemden hem zelfs tot hoofdredacteur ervan!
1 "Afscheiding" was voor de Afgescheidenen niet maar een kerkelijk "beginsel". Het woord was voor hen de aanduiding van de goddelijke opdracht om overal met de zonde, de "wereld" te breken en weer te keren tot het concrete geloof in Gods Woord. Zo was voor hen b.v ook het oprichten van chr. scholen een concretisering van het beginsel der Afscheiding. Over de oprichting van de V.U. schreef Gispen: "Het is separatisme, toegepast op het gebied van 't hoger onderwijs, gelijk de Christelijke lagere school 't separatisme op schoolgebied vertegenwoordigt". En, profetisch, voegde hij er aan toe: de mannen die de V.U. opzichten "strooien zaad, het zaad der scheiding, waar de Here ook zijn raad in vervuilt. Zij zijn, denk ik, onbewust profetisch werkzaam, om te komen, en anderen te brengen, waar zij niet willen." Bavinck vatte de idee "Afscheiding" precies zo op.
2) Ter typering van deze afgescheidenen wil ik nog het volgende vertellen.
Als jongen zag ik altijd twee gebochelde oude vrouwtjes naast elkaar in de kerk zitten. Het waren zusters. Bizonder goed thuis in de bijbel. Ze hadden japen "gediend" bij een liberale dame. Op de dorpssociëteit werd er eens spottend aan haar gevraagd waarom ze toch twee van die "fijnen" in dienst had. Ze antwoordde toen: Kijk, dat zijn zulke mensen: als ik op reis ga, en alle kastdeuren openlaat en tien jaar wegblijf vind ik alles beter terug dan ik het bij mijn vertrek had achter gelaten." Van dit soort mensen heb ik er veel gekend. Ons dorp was volop liberaal, maar een lid van onze kerk kwam altijd in de gemeenteraad en werd zelfs wethouder.
Hij was een toonbeeld van vroomheid, oprechtheid en bekwaamheid.
4) Buiten de Chr. Geref. Kerk bestond er in die tijd geen "kerkelijke zending". De zending onder de heidenen ging destijds nog geiheel van Zendingsgenootschappen uit.
3) Die "Week der gebeden" was een instelling van de "Evangelische Alliantie" een internationale organisatie van gelovige christenen. Deze "Week" werd elk jaar in het begin van januari gehouden. Elke avond daarvan was er een bidstond. O.a. voor de zending onder de heidenen, de "inwendige zending", het chr. onderwijs enz. In mijn jeugd heb ik deze bidstonden nog bezocht. Zeer bekend is de jaarverg. ervan die in 1867 in Amsterdam samenkwam.
Groen van Prinsterer sprak daar. En aan het eind ervan werd gemeenschappelijk het H. Avondmaal gevierd waaraan o.a, prof. Brummelkamp deelnam.