Wat doe je als je de olifant gespot hebt?

2013-03-09
  • Jaargang 57
  • nummer 5
Soms is een situatie zo overduidelijk mis dat óf niemand erover durft te praten óf niemand het meer opvalt. Amerikanen gebruiken daarvoor de uitdrukking ‘the elephant in the room’. Het ontbreken van discipelschap in onze kerken is zo’n olifant. En ontkennen lost het probleem niet op.

‘Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.
En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.’ Toen ik deze woorden las, was ik begin twintig. Ik dacht: waarom doen wij dit niet? Ik dacht toen dat discipelen maken hetzelfde was als evangeliseren – hoewel dat in werkelijkheid maar een klein deel ervan is – maar voor wat ik nu ga zeggen, maakt dat niet uit. Niemand in mijn gemeente had hier namelijk ervaring mee. En niemand in mijn gemeente kon je bij iemand brengen die dat wel had. Het was niet dat de mensen in mijn gemeente geen zin in of bezwaren tegen evangeliseren hadden. Evangelisatie viel simpelweg volledig buiten hun blikveld. En ze hadden het niet door.
Het was als een olifant in een huiskamer – zo groot dat die niet meer opviel.
Ik kon er echter niet meer onderuit.
Als niemand evangeliseerde, dan moest ik dat maar doen, zo redeneerde ik. Natuurlijk stond ik uiteindelijk niet alleen achter mijn ‘Er is Hoop’-kraampje. Een aantal gemeenteleden deed mee. En natuurlijk was het ‘er was niemand die’ niet zo zwart-wit. Maar dat van die olifant in de huiskamer houd ik vol.

Een jaar of twee later namen mijn vrouw Laura en ik onbetaald verlof om een jaar via Operatie Mobilisatie te werken. Eerst in Engeland en vervolgens in India. Daar ervoeren we dat evangelisatie alles te maken heeft met discipelschap.
In India hadden we samen een klein appartementje, maar we brachten onze tijd vooral door met het internationale jongensteam waar we deel van uitmaakten. Elke ochtend begonnen we met hen met gebed, bijbellezing en lofprijzing. Daarna trokken we er als team op uit. Laura en ik bezochten op de fiets mensen die geïnteresseerd waren in Jezus. Dat waren vaak contacten die het team al had, maar als echtpaar hadden we net wat meer status en mogelijkheden. ‘Deze mensen zijn hier gekomen om over Jezus te vertellen en ze hebben niet eens iets ergs meegemaakt’, zei een Brahmin-weduwe eens toen ze ons introduceerde bij haar kennissen.
Ons teamleven bepaalde ons weekritme en onze agenda; de bijbelstudie, de bezoeken en de bezinning op wat we deden. Eén van de Engelse mannen uit ons team vouwde zijn vieze broeken precies op de naad en zette zijn modderige slippers kaarsrecht uitgelijnd onder het bed. Zo leerde ik dat netjes iets anders is dan schoon.
En kookte ik een keer aardappels en groente, dan vond ik later een Indiër in de keuken die nog snel wat rijst naar binnen werkte. Want zonder rijst heb je niet gegeten. Ja, geïrriteerd was ik daarover.
Mijn Nederlandse directheid riep bij anderen regelmatig hetzelfde op.
Maar de vraag was altijd hoe we, gegeven deze dingen, als team en persoonlijk konden groeien in ons geloof in Christus. Er was een verlangen om God centraal te stellen in ons gemeenschappelijke leven.
In die tijd ben ik enorm aangesproken door het boek Mentoring for Mission van Günther Krallmann. Hij liet zien dat Jezus zijn discipelen vormde door nauw met hen om te gaan, door met hen zijn leven te delen.

Vragen
Hoe kan ik die nauwe omgang met God en elkaar ook in de kerk stimuleren en ervaren? Discipelschap noemen we dat. Hoe worden wij Christus’ gelijkvormig (Romeinen 8:29, 2 Korintiërs 3:18)? Hoe leren we onderhouden wat Jezus ons bevolen heeft (Matteüs 28:20)? Hoe laten we dat wat aards is in ons afsterven (Kolossenen 3:5)? Hoe combineren we evangelisatie, pastoraat, diaconaat en spiritualiteit? Er zijn allerlei manieren om de vraag te stellen.
Dit verlangen houdt me sinds mijn terugkeer naar Nederland bezig, maar ik merk dat de dagelijkse praktijk in de gemeente vaak afleidt van die vraag. Bij preken vragen we ons af: stond de bijbeltekst wel centraal, was de uitleg juist, was de preek voldoende heilshistorisch? Tenminste, die vragen stel je als je theologie studeert.
Gemeenteleden stellen vaak heel andere vragen, maar niet noodzakelijk betere. Bij het pastoraat vragen we ons af of de ouderen wel voldoende bezocht worden. Bij het jeugdwerk vragen we ons af hoe we de relaties met de tieners kunnen versterken. Bij catechese richten we ons op mondeling belijden. Allemaal belangrijke vragen en onderwerpen, maar ze komen op de tweede plaats. De eerste vraag is: hoe groeien we samen op tot volwassen volgelingen van Jezus?

Zesde model
Wereldwijd en stapje voor stapje herontdekt de kerk discipelschap.
Illustratief hiervoor is Avery Dulles.
Hij beschreef in 1974 in Models of the Church vijf manieren waarop christenen naar de kerk kijken:

1. Kerk als instituut
2. Kerk als gemeenschap
3. Kerk als sacrament
4. Kerk als boodschapper
5. Kerk als dienaar

Vrijwel iedereen heeft een voorkeur voor één van deze modellen.
In de NGK zien veel mensen de kerk primair als gemeenschap of als boodschapper, maar ook de kerk als dienaar doet opgeld. Denk maar aan de recente aandacht voor diaconaat.
Het illustratieve is dat Dulles in een latere, herziene versie van zijn boek een zesde model toevoegde: de kerk als gemeenschap van volgelingen van Jezus. En dat is de kerk die alle elementen in de juiste balans brengt.
Tim Keller heeft dit ook opgepikt in zijn monumentale Center Church.
Maar zien we het binnen de NGK ook?

Het zou goed kunnen dat we in reactie op de cultuur waarin wij leven het model van de kerk als gemeenschap van volgelingen weer voor ogen krijgen.
De vragen die nu vaak het eerste in ons opkomen, laten zien hoe diep het consumentisme in onze botten zit. Kan onze kerkdienst aantrekkelijker voor buitenstaanders? Hebben onze jongeren het goed naar hun zin? Voelen de ouderen zich nog thuis? Zijn de preken tegelijkertijd aansprekend en diepgaand?
Dit zijn vragen die opkomen als we de kerk beschouwen als aanbieder van religiositeit, zingeving of spiritualiteit.
Maar die mogelijkheid biedt Dulles ons niet, en Jezus trouwens ook niet. En veel mensen voelen dat diep van binnen ook wel aan.
Wat is de kerk dan wel? In reactie op het consumentisme en het materialisme herontdekken mensen wereldwijd de opdracht van Jezus uit Matteüs 28.

Lat
Maar hoe? Hoe kunnen we samen opgroeien tot volwassen volgelingen van Jezus? Hoe zorgen we ervoor dat karakter en karaktervorming bij de keuze van onze ouderlingen minstens zo belangrijk zijn als hun organisatorische en leidinggevende capaciteiten? Hoe dragen ons koffiedrinken, ons pastoraat, onze kerkdiensten en onze bazaar bij aan discipelschap? En hoe zorgen we ervoor dat die vragen gesteld en beantwoord worden? Hoe zorgen we ervoor dat we onze traditie waarderen en tegelijkertijd discipelschap de aandacht geven die het nodig heeft?
Neil Cole, ook één van de voorlopers op het gebied van discipelschap, zei: ‘We moeten de lat voor kerk-zijn lager en die voor discipelschap juist hoger leggen.’ Ik kan me daar helemaal in vinden. Tegelijkertijd staat het vaak haaks op wat ik beleef en doe. Want kerk-doen wordt steeds moeilijker, met alle eisen die we onszelf opleggen. Gastendiensten vereisen de beschikbaarheid van experts op allerlei terrein (licht en geluid, beeld en dans, presentatie en welkom) en tegelijkertijd willen we dat iedereen zich welkom voelt in onze gemeente. We willen alles voor iedereen, maar vooral ook iedereen alles laten zijn.
De lat voor kerk-zijn lager leggen staat haaks op onze ideeën over een aantrekkelijke kerkdienst en de lat voor discipelschap hoger leggen staat haaks op ons verlangen naar laagdrempeligheid. We hebben de olifant misschien wel gedetecteerd, maar kruipen er toch nog onderdoor of wurmen ons eromheen. Discipelschap is niet zo eenvoudig te integreren in ons bestaande gemeenteleven.
En dat is een understatement.
Dus hoe? Ik denk dat het voor bestaande gemeenten belangrijk is om ruimte te creëren om deze vraag te beantwoorden. Bevestig dat er inderdaad een olifant is – geen verbinding tussen zondag en maandag, geen groei, geen kruisdragen, geen Evangelie – en besef dat olifanten nogal wat ruimte innemen. Het is vervolgens goed om via de Bijbel, boeken, internet en symposia de kennis over en het verlangen naar discipelschap te laten groeien.
Het allerbelangrijkste is echter om zelf aan de slag te gaan: geestelijke vriendschap stimuleren, evangeliseren, diaconaal actief worden, je leven delen in kleine groepen, enzovoort.
Het gaat uiteindelijk om het groeien in het Evangelie van Jezus Christus.

Pieter Kleingeld is predikant van de NGK Maassluis en Missionair Consulent van de NGK.

Aan de slag
• Het Missonair Steunpunt van de NGK en het Centrum Dienstverlening van de GKv starten met een leergemeenschap om succesvolle missionaire groepen binnen bestaande gemeenten op te zetten. Ze hebben trainingsvaardigheden en kennis op het gebied van verandering binnen gemeenten, theologische kennis en een breed netwerk. Meer weten: pieter.
kleingeld@kabelfoon.nl of missionairsteunpunt.wordpress.com.
• Nederland Zoekt biedt een leerweg om gemeenten te ondersteunen in een veranderingsproces op weg naar netwerken van middelgrote missionaire gemeenschappen. Geïnspireerd door ervaringen uit Sheffield en het werk van Mike Breen. Meer weten: www.nederlandzoekt.nl
• Proclama biedt dit voorjaar een aantal studiedagen en tweedaagse en eendaagse conferenties over missionair leiderschap. Zie www.proclama.nl.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief