Wat verwachten we van een predikant?
2005-06-03
In het eerste artikel over de opleiding (Opbouw 8) is er van uit gegaan dat een predikant in een Nederlands Gereformeerde Kerk een veelheid aan taken en rollen vervult. In de plaatselijke kerken liggen de accenten vaak verschillend, maar in de opleiding gaan we er wel vanuit dat al die aspecten aan bod komen.- Jaargang 49
- nummer 11
We gaan hier iets dieper in op dat takenpakket en dan komen we vanzelf bij de vraag wat we van een beginnend predikant mogen verwachten en hoe onze predikanten goed toegerust kunnen worden voor die veelheid aan taken.
De dienst van de predikant
In het stellen en beantwoorden van vragen over de taken van een predikant zijn we gelukkig niet de eersten.
Met name in de tijd van de Reformatie zijn deze vragen nadrukkelijk aan de orde geweest. De plaats van de priester werd binnen de protestantse kerken ingenomen door de predikant èn de ouderling. Niet langer stond de ‘vrijgestelde’ op eenzame hoogte, verheven boven het gewone kerkvolk. Zijn plek was te vinden naast andere broeders met wie hij als medeoudste de kerkenraad vormde. Zijn hoofdtaak was de verkondiging van het Woord en de bediening van de sacramenten.
Daarnaast vervulde hij met zijn medeoudsten bepaalde taken. In onze tijd liggen de accenten vaak anders. De predikant is vooral voorganger en toeruster die zijn ambt vervult in een mondige gemeente. Dat legt in de opleiding een sterker accent op persoonlijke en professionele competenties.
In het ‘Akkoord voor kerkelijk samenleven van de Nederlands Gereformeerde Kerken’ (artikel 11) is de dienst van de predikant omschreven als:
• het verkondigen van Gods Woord,
• het bedienen van de sacramenten,
• het voorgaan in de openbare gebeden van de gemeente,
• het verdedigen en doorgeven van de zuivere leer en het onderwijzen van de jeugd van de gemeente en van allen die dit behoeven,
• alsmede het samen met de medeambtsdragers herderlijk zorgen voor de gemeente en haar leden en haar toerusten tot dienstbetoon,
• het toezien op leer en wandel van medeambtsdragers,
• en het samen met de ouderlingen uitoefenen van de kerkelijke tucht.
Veelzijdig takenpakket
Deze diensten hebben betrekking op een aantal uiteenlopende taakvelden:
1. Verkondiging De primaire taak van een predikant is de verkondiging van het evangelie van Jezus Christus door het openen van de Schriften. De centrale plaats waar dit gebeurt is de eredienst van de gemeente van Christus.
2. Liturgie en spiritualiteit In nauwe samenhang met de verkondiging behoren ook de bediening van de sacramenten en het voorgaan in de ontmoeting met God-in-Christus tot de kerntaken van een predikant. In woorden, liederen en gebeden mag hij in zijn rol als ‘vriend van de bruidegom’ aan deze ontmoeting mede gestalte geven.
3. Onderwijs en toerusting Eén van de andere kerntaken van een predikant is het geven van bijbels onderricht aan de jeugd van de gemeente en aan allen die dit behoeven, het toerusten van de gemeente en haar leden en het begeleiden van leerprocessen in de gemeente.
4. Pastoraat Een predikant is ook geroepen om samen met zijn medeambtsdragers pastorale zorg te geven aan de gemeente en haar leden. De pastorale zorg die een predikant verleent zal doorgaans op bijzondere situaties zijn toegespitst.
5. Leiding en organisatie Kerntaken die een predikant eveneens samen met zijn mede-oudsten vervult zijn: het toezien op leer en wandel van medeambtsdragers, mede opzicht en tucht uitoefenen en het leiding geven aan de gemeente.
Om die taken te vervullen moet de predikant niet alleen het nodige weten, maar ook kunnen. Zo moet hij de bijbel in de grondtalen kunnen lezen en op de hoogte zijn van allerlei theologische ontwikkelingen. Hij moet weten hoe je een catechisatieles opzet en ook iets begrijpen van de eigen ontwikkelingsfase waarin jongeren zich bevinden. Binnen het pastoraat moet hij actief kunnen luisteren en om kunnen gaan met zijn eigen emoties en die van anderen. Hij moet nabij kunnen zijn, maar ook de nodige afstand bewaren. Ook moet hij de kerkenraad kunnen begeleiden in het gezamenlijk ontwikkelen van visie en beleid, zodat de gemeente verder komt in het vormgeven van haar roeping. In dit alles neemt hij zijn eigen persoon mee met zijn sterke en zwakke kanten. En vooral: in dit alles moet hij zich steeds weer leerling weten van Christus en tijd nemen om aan zijn voeten te zitten.
Het schaap met vijf poten?
Is het reëel te verwachten, dat een predikant op elk van deze taakvelden beschikt over gaven en kwaliteiten?
Streven we naar het bekende schaap met vijf poten? Nee, maar een beginnend predikant moet ten aanzien van de verschillende aspecten van zijn ambtswerk wel een zodanige basiskennis en basisvaardigheid hebben dat hij zijn weg kan vinden.
Er is nog een ander aspect: veel zaken leer je pas goed in de praktijk, door er mee bezig te zijn. Dan zie je ook waar je wat aan je zelf moet doen.
Enkele jaren geleden is in het kader van de TSB gediscussieerd over de vraag of de praktijkstage niet langer moet zijn. Die is nu drie maanden. In het buitenland is de stage vaak veel langer en heel vroeger kenden we de situatie, dat pas afgestudeerde predikanten eerst ergens hulpprediker werden.
Er is niet gekozen voor een langere stage, maar voor werkbegeleiding gedurende de eerste drie jaren in de pastorie (LV Lelystad 2004). Dat is een op de persoon en de situatie toegesneden begeleiding. Die werkbegeleiding volgt ook op de opleiding die nu gestalte krijgt.
Andere werkvelden en voorkeuren
We spreken hier nadrukkelijk over basisopleiding. Onze opleiding leidt studenten op tot predikant. Verreweg de meeste studenten zullen gemeentepredikant worden. Maar er zijn er ook die (deels) wat anders gaan doen.
Dat kan zijn binnen het categoraal pastoraat (bij de krijgsmacht, bij een instelling), de zending, het onderwijs of onderzoek. Maar ook als gemeentepredikant kan iemand zich in een bepaalde richting verder ontplooien.
In principe heeft een predikant eens in de vijf jaren drie maanden verlof om ongestoord te studeren.
Het is belangrijk dat de kerkenraad weet wat de predikant graag aan wil pakken. Vaak kan daar rekening mee worden gehouden. Als hier aan het begin van het predikantschap en gaandeweg het dienstverband van de predikant open over wordt gesproken, wordt voorkomen dat onuitgesproken verwachtingen van gemeenteleden ten aanzien van hun predikant niet vervuld worden. Aan de andere kant krijgt de predikant zo de gelegenheid zijn sterke kanten uit te buiten of ruimte om zwakke kanten te versterken.
Maar u begrijpt dat we ons inmiddels begeven op het terrein van de begeleiding van beginnende predikanten die hun plekje in de pastorie zoeken of net hebben gevonden. Die begeleiding is geen direct onderdeel van de opleiding, maar wèl mede een taak van het nieuwe instituut: de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding. Voor de opleiding is het van wezenlijk belang dat die begeleiding er is.
Noot
1. Namens de Commissie Opleiding Predikanten (COP) die bestaat uit R.
Venderbos, C. Smit, Romkes, K. Muller (voorzitter) en C.J. Bos (secretaris).