"bij de gratie Gods Koningin"

1973-08-31
  • Jaargang 17
  • nummer 31
Het zilveren ambtsjubileum van koningin Juliana geeft er alle aanleiding toe ons te bezinnen op de aard van het Nederlandse koningschap, het koningschap van het Huis van Oranje.
Temeer is dat het geval nu in de politieke, de staatkundige crisis die ons volk teistert ook dat koningschap voluit is betrokken.

"bij de gratie Gods"

I.
Wanneer men over het koningschap wil denken of spreken moet men vooraf een keus doen, een voor-wetenschappelijke, een geloofskeus.
En wel deze: is de macht, het gezag van de overheidspersonen in laatster instantie uit God of uit de mensen. Niet alleen moet men een keus doen, iedereen doet ook die, feitelijk en zakelijk! Als men poneert dat de overheidsmacht - hoe groot of klein die is, welk karakter die bezit, door welke functionarissen ze wordt gedragen en op welke wijze deze in het proces der historie aan bepaalde personen werd toevertrouwd - niet van God komt, niet Gods gave en opdracht is, dan gelooft men dat deze uit de mensen opkomt, en dus een puur menselijke aangelegenheid is. Men moet dan uiteraard ook met puur menselijke argumenten verklaren en bewijzen waarom er een overheid, een regering moet zijn, welke macht die bezit en hoe zij er moet komen enz. enz. Of ook - men koestert de overtuiging dat een overheid uit den boze is en die dus zo spoedig mogelijk dient te verdwijnen.
Het stond voor christenen die de Heilige Schrift aanvaarden als het gezaghebbende woord van God door alle eeuwen heen onwrikbaar vast dat overheidspersonen, hoe die ook mogen worden genoemd - keizer, koning, president, stadhouder, minister, burgemeester enz. - de macht die zij bezitten in laatster instantie van God ontvangen: elke dag opnieuw, als een geschenk èn als een opdracht. Aan dit geloof het is inderdaad voor de volle honderd procent geloof! - ontzinken momenteel veel christenen.
Dat manifesteert zich duidelijk daarin dat men de Schriftuitspraken waarin over de overheid als Gods dienares wordt gesproken met merkwaardige exegetische manipulaties in hun tegendeelomzet.
(Zo deed b.v. dr Stern in zijn dissertatie met Rom. 13.) Of rondweg verklaart het in dit opzicht met Paulus niet eens te zijn. (Zo prof. Kuitert in zijn bespreking van de genoemde dissertatie.) Omdat de paulinische uitspraken in Rom. 13 : 1, 2 over de overheid ook van beslissende betekenis zijn voor de juiste waardering van het koningschap wil ik eerst aandacht vragen voor deze ongelofelijk veel omvattende en diep grijpende woorden. Ik doe dat in een reeks opmerkingen daarover.

II
In de eerste plaats moet men bij de overweging van dit Schriftgedeelte voor ogen houden dat Paulus dit woord richt tot onderdanen en niet tot overheden. Hij schrijft immers: "Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden - er staat letterlijk: exousiai, "machten" - die boven hem staan. Deze oproep is voorts één van zijn aanwijzingen omtrent het leven van de christenen in kerk en wereld. Het is een moment uit de oproep hun "lichamen" - hun totale, door middel van hun lichamelijkheid hier en nu functionerende leven: hun innerlijke levenshouding èn levensgedrag te maken tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer. Anders gezegd: het zich onderwerpen aan de boven hen staande "machten" is een moment in de door God voorgeschreven "redelijke eredienst".
Of, nog weer anders gezegd: het is een openbaring daarvan dat de christenen gebroken hebben met het “levensschema'' van "deze (gevallen en God-loze) wereld" en een "metamorphose", een "gedaanteverandering" ondergingen, waardoor een rad ik alle verandering in hun levensinzicht, hun levensuitzicht, hun levensdoel, hun levensdaden optrad.
Een verandering die zich vooral daarin manifesteert dat zij gaan zoeken - goed keuren èn volbrengen - de goede, Gode welgevallige en volmaakte wil van God.

III
Het moet verder onze aandacht hebben dat Paulus niet spreekt over de "staat". Er is eindeloos gefilosofeerd over het begrip, de idee "staat". En men doet dat nog steeds. Maar een allen bevredigende omschrijving ervan heeft nog nooit iemand gegeven. Het is met een "staat" precies zo als met alle concrete verbanden in de menselijke samenleving: ze bestaan, ze zijn realiteiten, maar ze begripsmatig vatten ten einde toe kan niemand. En de bijbel doet dat wel het allerminst. Evenmin gaat het in Rom. 13 over onpersoonlijke instanties, die zich gedragen volgens een bepaalde inherente, onweerstaanbare wetmatigheid.
Dergelijke instanties bestaan er eenvoudig in de werkelijkheid niet! Wat men als zodanig aan de man probeert te brengen zijn speculatieve figuren, gedachten-dingen. Neen, Paulus bedoelt met "machten", concrete "machten". Dat wil zeggen: mensen die "macht" bezitten en uitoefenen.
Met dezen kregen de christenen te maken. Het waren de romeinse machthebbers: "hoofdlieden", "landvoogden", "stadhouders", de keizer. Ten opzichte van deze met “macht" beklede lieden moesten de gelovigen zich verantwoorden; door hen werden ze ongemoeid gelaten of berecht; vrijgesproken of veroordeeld en gestraft. Zie, aan die mensen moeten de discipelen van Christus gehoorzaam zijn, om Gods wil en dus om des gewetens wil.

IV
Wij moeten er voorts terdege op letten dat als Paulus de overheid als "macht" aanduidt hij daarbij niet denkt aan een "feitelijke" macht in tegenstelling b.v. met een "legale". Het gaat in zijn betoog dus niet om de tegenstelling tussen (brute) "macht" en "recht". Met de onderscheiding van "machtsstaat" en "rechtsstaat" heeft dit woord van Paulus niets van doen, Het is trouwens de vraag of men überhaupt in de werkelijkheid van het leven der staten iets met deze onderscheiding kan beginnen! Neen, met het woord "macht" wijst Paulus op een "volmacht" die door God wordt verleend.
Dat blijkt uit de gedachtengang van vers één en twee onmiskenbaar.
Er is, zo zegt hij, geen "macht" dan van God. De "machten" die er zijn, zijn door God gesteld. Het feit dat er geregeerd wordt is dus geen toeval. In laatster instantie ook geen gevolg van menselijke wilsbeslissingen en machtsdaden. Evenmin kan een historisch doorlichten van het optreden van zo'n macht onder de mensen de afdoende verklaring van de aanwezigheid en het funktioneren daarvan zijn. Met alle klem betoogt Paulus tegenover dit alles dat de laatste en enige grond voor het gezag en de overheid gelegen is in een "machtiging" van Godswege.

V
In wat Paulus van de overheden zegt wordt geen enkel oordeel uitgesproken over de totstandkoming van de "machten", over de historische gang van zaken die tot het optreden van bestaande "machten" leidde. Paulus zegt, kort, duidelijk en concreet: de "machten" die er zijn, zijn door God als zodanig geordineerd. Dit betekent allerminst dat God het historisch proces dat in het optreden van een "macht" resulteerde alleen maar belangstellend volgde en achteraf sanctioneerde.
Maar het betekent evenmin dat Hij dat veroordeelt! Met de halfwijsgerige, half-historische beschouwingen over het in de loop der historie opgetreden zijn van "machten" houdt Paulus zich niet op. Hij rept ook met geen woord van het "wezen" van de overheden en de omvang van haar taak enz. Het gaat hem er alleen om aan te geven wat de navolging van Christus, het vertonen van de gestalte van Christus, door de christenen, ten opzichte van hun houding tegenover de overheden inhoudt. Wat hij geeft is naar zijn wezenlijke strekking en bedoeling een apostolisch vermaan tot liefde en ootmoed!
Dit alles voor ogen houdend moeten we ons goed realiseren dat Paulus toch maar zonder meer poneert: de machten die er zijn!
Dat wilde toen zeggen: Nero en zijn satellieten, die als "bezettende macht" over tientallen volken heersten! Die machthebbers waren van een voluit imperialistisch en kolonialistisch rijk. Deze hadden de "macht" over de "gehele wereld" waarlijk niet in de weg van recht en gerechtigheid verworven!
Integendeel: de weg van de romeinse imperatoren naar de heerschappij over de "oecumene" was er een. van list, verraad, bloed, geweld, onrecht. Maar Paulus moraliseert er niet over hoe een "macht" in concreto aan de macht is gekomen. Voor Paulus is het kort en goed zo: door het handtastelijke feit dat de reëel bestaande "machten" aan de macht zijn, hebben zij een goddelijke opdracht! Dáárvan moeten de christenen doordrongen zijn.
Heeft Paulus, dit schrijvend, gedacht aan het woord van Christus tot Pilatus: "Gij zoudt geen "macht" tegen mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware"?

VI
De verborgenheid van Gods wil en werk in de leiding der geschiedenis met haar bloed, tranen, geweld, ongerechtigheid wordt door Paulus niet vanuit moreel of ethisch gezichtspunt doorlicht en gewaardeerd. De mensen die de feitelijke macht uitoefenen, welke titels ze ook mogen voeren, zijn kort en goed "gevolmachtigden" van God.
Daarvan worden nu twee dingen gezegd.
In de eerste plaats dat nu van "alle ziel" - de opdracht is zo algemeen mogelijk - verwacht mag worden dat zij zich aan die "machten", aan die overheden zal onderwerpen. En de opdracht daartoe is dodelijk ernstig. Want, zo verzekert Paulus, wie zich tegen die "machten" stelt, bedrijft de zonde van het wederstaan van een instelling, een ordinantie van God. Iemand schreef eens dat, als het woord niet zo belast was, men zou kunnen zeggen: Paulus is anti-revolutionair.
Maar tegelijk legt Paulus, door zo te spreken als hij doet, er een zwaar accent op dat de bezitters van het overheidsgezag, als dragers van een goddelijke volmacht, gebonden zijn aan Gods wil. Of, concreter gezegd: opgeroepen worden tot het - uiteraard binnen de grenzen van hun bevoegdheid - gehoorzamen aan Gods geboden. Altijd blijft er in het bestaan en fungeren van concreet bestaande overheden het Goddelijke geheimenis waarom juist déze mensen hier. en nu gezagsdragers zijn. Maar àls ze er eenmaal zijn zijn ze - veelal zonder zich daarvan bewust te wezen produkten èn uitvoerders van Gods "verborgen wil". Maar ze zijn vóór alles gebonden aan Gods in de Schrift "geopenbaarde wil". En daarom is de kennis van goed en kwaad die God ons in zijn openbaring heeft geschonken van beslissende betekenis voor de goede, de zegenrijke uitoefening van het overheidsambt, Kort samengevat kunnen we Paulus' prediking op dit punt zo samenvatten: Voor hem is de beslissende kwestie niet hoe een overheid aan haar "macht" is gekomen.
maar dat zij die "macht" in feite bezit, en – vooral dat zij de haar door God verleende "volmacht" goed, d.w.z. overkomstig Gods geboden, gebruikt.

VII
Dit wordt duidelijk uit wat Paulus verder schrijft. Hij zegt het niet rechtstreeks maar duidt het alleen aan. De hoofdstrekking van Paulus' betoog is en blijft immers het aangeven van een richtlijn voor het gedrag van de gemeente, de gelovigen, in een niet of anti-christelijke samenleving.
En dan hier speciaal wat betreft hun onderdaan zijn van een "macht" .
Paulus zinspeelt er op dat reeds de uitoefening van feitelijke macht vrees verwekt. Veel meer moet dat dan het geval zijn - al is dat in de praktijk meestal juist omgekeerd! - als het gaat om de uitoefening van een door God verleende volmacht. Paulus verklaart evenwel tegelijk dat wie het goede doet niet behoeft te vrezen, ja zelfs lof van de overheid zal ontvangen! Maar - en dat is in deze opmerking vóórondersteld - de maatstaf ter beoordeling van wat goed en kwaad is ligt niet in de hand van de gevolmachtigde, maar in die van Hem die de volmacht verleent.
Dat is: in de hand van de Almachtige die ons door zijn Woord bekendmaakt wat goed is en wat kwaad.
Met dit woord sanctioneert Paulus dus allerminst een willekeurige uitoefening van feitelijke macht. Wanneer het optreden van de overheid daarin ontaardt is er alleszins reden om voor haar te vrezen. Dat geldt voor alle mensen, maar vooral voor de gelovigen.
Maar juist dan komt het er voor de gemeente van Christus vóór alles op aan "het goede" te doen. Dan wordt het gebod actueel: Gode meer gehoorzaam te zijn dan de mensen, ook meer dan de met macht beklede mensen.
Dan geldt het woord van Christus: "Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel" (Matth. 10 : 28). En uiteindelijk zal blijken dat bovenal Gód een wreker is voor hen - ook en vooral van de machthebbers - die kwaad bedrijven (vs. 4).

VIII
Van de overheid wordt voorts door Paulus gezegd dat ze het zwaard draagt, en dat ze dat niet tevergeefs doet. Als alle mensen "goed" waren en "goed" deden dan behoefde geen zwaard gebruikt te worden. Dan zou zelfs een overheid, zoals die er nu in concreto in alle staten fungeert, niet behoeven te zijn. Maar ..... zo'n situatie was er nooit en zal in deze bedeling ook nooit optreden.
Die zal zich pas voordoen als het Koninkrijk Gods volledig zal zijn gerealiseerd na en door de katastrofe van de jongste dag, Tot zolang liggen in de mens en de mensheid goed en kwaad, recht en onrecht, waarheid en leugen hopeloos dooreen. En God rekent - vooral ook door het geven van "machten" - met de realiteit van de onverloste, niet werkelijk bevrijde, ook hier en nu niet verlosbare en niet werkelijk bevrijdbare wereld. De mensen van "deze wereld" - allen! - kunnen niet zonder dwang, zonder dat "zwaard" leven! Er is hier eenvoudig geen dragelijk leven mogelijk zonder het "zwaard" van de overheid. In dezelfde mate als de overheid dat zwaard zwakker of verkeerd hanteert raakt de menselijke samenleving in ontbinding - of in de ijzeren boei van een dictatuur. En als de overheid verdwijnt ontstaat de chaos: de economische, sociale morele jungle, de barbarij. Het is niet de roeping van de overheden alle overtreding van Gods geboden te. keer te gaan en te bestraffen. Daartoe is zij trouwens ook niet in staat. Dat kan geen enkele menselijke instantie!
De taak van de overheid is primair er voor te zorgen dat onrecht, leugen, geweld in de menselijke samenleving niet gaan regeren.
leder werk van de mensen in het gericht brengen kan God alleen en doet ook Hij alleen.

IX
Wanneer de overheid op rechtvaardige wijze het zwaard hanteert komt daarin, aldus Paulus, de toorn Godstot uitdrukking.
Er is een vertaling, die van prof. Brouwer, die hier leest: het zwaard van de overheid brengt een toorngericht over de kwaaddoener.
Dit is een bizonder rake vertaling. Dat zwaard doet het in directe zin - Natuurlijk alléén als de overheid haar zwaard hanteert in dienst van de gerechtigheid!
We hebben hier te doen met een ingrijpende concretisering van de bijbelse notie dat wanneer de zonden in het leven van mensen.
volken, mensheid gaan heersen, die ongerechtigheden aan hen worden bezocht, de toorn Gods over hun wordt geopenbaard.
Soms zelfs ten verderve. In de gevallen waarin de overheid het zwaard terecht hanteert is de overheid het orgaan waardoor God dat gebruikt en daarmee zonden bezoekt en berecht.
Omdat de stand van zaken ten opzichte van de overheid in het haar toevertrouwde zwaard zó is, is het nodig zich aan de overheid te onderwerpen. Voor de gelovigen is dat niet alleen een kwestie van vrees voor dat "toorngericht" van God, maar ook en bovenal een zaak van het geweten. Het is immers hun oprechte begeerte naar het recht van God te leven; goed en kwaad, waarheid en leugen, recht en onrecht uit elkaar te houden. Dáárom onderwerpen zij zich aan de machten die er naar Gods bestel zijn, d.w.z. aan de "gevolmachtigden" van God.
-Terwijl zij tegelijk als dat nodig is en waar dat past Gods recht prediken ook aan Diens gemachtigden!

X
Het slot van deze perikoop spitst heel de gedachtengang ervan toe op ... de belastingen. Zoals de gemeente haar voorgangers moet onderhouden, zo moet zij ook, en zelfs met vreugde, belasting betalen aan de overheid. Dáárom, zo schrijft Paulus - dat wil zeggen: omdat het met de overheid zó staat en uw houding ten opzichte van haar zó moet zijn als ik omschreef - betaalt gij ook uw belasting. Het belasting-betalen is alszo, volgens de Schrift, een heilige handeling!
De laatste zin van dit apostolische woord vat de gehele vermaning samen in de woorden: "Betaalt aan allen het verschuldigde,belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eerbetoon aan wie eer toekomt."
In deze woorden treedt het eigenlijke thema van heel Rom. 12-14, namelijk de prediking van ootmoed en liefde weer in het volle licht.
Over de overheid sprak Paulus in de contekst van déze prediking dus slechts "en passant". Maar tegelijk op een ongelofelijk diepe, veelomvattende en doordringende wijze. En zijn woord bergt enorme consequenties in zich.

XI
Wat Paulus in Rom. 13 over de "machten", de "overheden" zegt, is slechts één fragment uit wat de Heilige Schrift daarover spreekt.
Als men dat volledig zou willen weergeven, moesten nog vele andere Schriftgegevens aan de orde komen.
Ik noem er enkele van.
Volgens Marc. 12: 17 gaf Christus aan zijn discipelen de opdracht: "Geeft dan de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is."
We memoreerden reeds het diepe woord dat Jezus tot Pilatus zei: "Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, indien het u niet van boven gegeven ware" (Joh. 19: 11).
Veelzeggend voor de kwestie die ons bezig houdt is ook het feit dat Paulus zich in zijn conflict met de Joden op de keizer vberoept.
Uit deze daad van Paulus blijkt duidelijk dat hij, zoal niet op, dan toch met de mogelijkheid rekent dat de - nota bene; heidense! - overheid het Evangelie recht zal doen en daardoor ook de dienaren ervan (Hand. 25 : 10).
Uiterst belangrijk is ook 1Tim. 2 : 1: "Ik vermaan u dan allereerst gebeden en voorbiddingen te doen voor alle mensen, voor koningen en stadhouders, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid." Dit is een bede om ruimte voor de prediking van het Evangelie en zo ruimte voor alle mensen om tot bekering en kennis der waarheid te komen. Wanneer de gemeente deze ruimte van haar ontvangt, vervult de overheid haar primaire taak in deze wereld. Al wat zij verder doet is secundair.
In een nog weer geheel andere belichting wordt het zich onderwerpen van. de gelovigen geplaatst in 1 Petr. 2: 13v.: "Onderwerpt u aan alle menselijke inzettingen om des Heren wil: hetzij aan de keizer, als opperheer, hetzij aan de stadhouder, als door hem gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van. wie goed doen. Want zo is het de wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen;" Door de gehoorzaamheid aan de overheden kan, aldus Petrus, de gemeente de valse beschuldigingen, die tegen haar worden ingebracht weerleggen. Die berusten niet op waarheid, maar komen op in het brein van onverstandige mensen die daarmee hun onwetendheid bewijzen. Onderwerping aan de keizer en andere overheden kan een einde maken aan deze leugenpraat en laster. Zij kan het goede licht op de gemeente en daarmee ook op het evangelie laten vallen.
En om niet meer te noemen: als een massieve rots rijst uit alles wat het Evangelie van "machten" en onderdanen zegt op het koninklijkewoord van Petrus, gericht tot de (joodse) overheden: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen" (Hand. 5 : 29). Met deze lapidaire zin wordt scherp en duidelijk de grens getrokken die door God zelf voor de gehoorzaamheid aan de overheid wordt gesteld, een grens die. tegelijk ook de grens is voor de overheidsmacht! In de greep van al deze woorden spraken en spreken de gelovigen dat koningen en andere overheidspersonen regeren "bij de gratie Gods".

"KONINGIN"

I
De aanvang van het koningschap van het Huis van Oranje is nauwkeurig te bepalen en evenzo het karakter ervan.
Ons volk had bijna negentien jaar in volle omvang genoten van de verrukkelijke vruchten van de Franse revolutie, die onze franse "broeders" met milde hand sinds 1795 in ons land importeerden.
Wat ons dierbaar volkje als gevolg daarvan beleefde was in de eerste plaats dat het op effectieve wijze daar de "sansculotten" van zijn geld en welvaart werd beroofd, Vervolgens aanschouwde het hoe de exponenten van de nieuwe arde, de "representanten van het Bataafse volk" - zoals van zelf spreekt met de "gematigdheid" en "braafheid" waardoor onze toenmalige voorouders zich kenmerkten - eindelaas redekavelden over de staatkundige hervormingen die tot stand moesten worden gebracht. Daarna, als resultaat daarvan, ontving het een serie grondwetten, die, zonder enig verband met de historie en de concrete werkelijkheid, als resultaat van illusionistische theorieën in elkaar waren geflanst.
Constituties die, vóórdat ze goed en wel waren ingevoerd, reeds daar andere werden vervangen. En tenslotte ervoer het aak het uiteindelijk effect van zo'n revolutie, namelijk het optreden van een imperialistische dictatuur. Ditmaal belichaamd in de persoon van Napoleon die daar Groen van Prinsterer kernachtig werd getypeerd als de temmer van de revolutie die tegelijk de zoon en de levensbehouder daarvan was. 1)

II
Na de verpletterende nederlaag die Napoleon in de "volkerenslag" van Leipzig, 15-18 oktober 1813, leed, ontwaakte in ons valk alom de hoop op de herwinning van de onafhankelijkheid en vrijheid. De toonaangevende kringen demonstreerden globaal. genomen evenwel een schandelijke lafhartigheid .. Maar er was gelukkig een kleine groep mannen die, met daar hen terdege beseft levensgevaar, de opstand tegen de "gekroonde rover" Napoleon aandurfde.
Het waren Van Limburg Stirum, Van der Duyn van Maasdam, Keniper, Falck en vooral Van Hogendorp. Onder hun leiding werd, terwijl het Franse leger ons land nog volledig in zijn greep had, de onafhankelijkheid van Nederland geproclameerd, Deze daad is van onvoorstelbaar grote betekenis geweest. Het nederlandse volk had daardoor het juk van de dietatertale tyrannie van de misgeboorte der Franse revolutie zelf van zich afgeschud!
Nog op 16 november 1813 zei Napoleon: "Laat men in Holland overtuigd zijn dat ik het land, liever dan het af te staan, aan de oceaan teruggeef." Maar, aldus Groen van Prinsterer, Nederland gaf daar deze "zelfbevrijding" het "beslissende antwoord" op deze Napoleontische woede-uitbarsting.
"De volksstem negentien jaar gesmoord, brak los in de eenzelvigheid der vaderlandse wensen.
Afwering van Napoleon, verdrijving der Fransen, de vrijheid en onafhankelijkheid gehandhaafd, als weleer daar een geslacht (dat der Oranjes - C.V.) waarvan de onmisbaarheid nu evenzeer in volksellende, als te varen in, volksgrootheid apenbaar werd. Wakkere vaderlanders, met Van Hogendorp aan het hoofd, behoefden slechts de banier te ontplooien, waarander men, in vroeger eeuw, aan het zegevieren (niet alleen over Spanje en Engeland maar - C.V.) ook over Frankrijk, aan het vernederen ook van trotse geweldenaren (de koningen van Spanje, Engeland, Frankrijk - C.V.) gewend was.
Het geklank Oranje boven! was niet de kreet van een partij, maar de ontboezeming der natie; de vaderlandse leus; de uitdrukking, in nederlandse volkstaal, van dankbaar herdenken en blijmoedig uitzicht." 2) Zo heeft Nederland zichzelf in 1813 bevrijd.
En het geschiedde door en met en om een Oranje.
Wat zou het lot van ons volk zijn geweest als het na veel ellende ten slotte door Russen, Pruisen, Oostenrijkers en Engelsen zou zijn bevrijd?

III
De leiders van de omwenteling van 1813 beseften ten volle dat de situatie van vóór 1795 vaargoed voorbij was. Ze waren er diep van overtuigd dat, die niet kon maar ook niet mocht terugkeren.
Er moest eindelijk eens eenheid van bestuur en een éénhoofdige regeringsvorm komen.
De grote staatsman Van Hagendorp had in de bezettingstijd reeds een ontwerp-grondwet opgesteld vaar de éne en ondeelbare staat der Nederlanden.
En wat vaar deze mannen ook onwrikbaar vast stand, wat vaar hen zelfs geen punt van discussie vormde - ze wisten bovendien met volkomen zekerheid dat dat ook overeenkwam met het diepgewortelde begeren van het gehele valk - was dat de man die de drager van dat éénhoofdig- bestuur ma est zijn: de zaan van de in de in ballingschap gestorven stadhouder Willem V; de erfprins van Oranje.
Op 17 november 1813 vond in Den Haag de omwenteling plaats.
De mannen van Van Hogendorp vertoonden zich in het openbaar met oranjekokarden. Het valk was uitgelaten! Er brak een orkaan van enthousiasme las. Wie de bevrijding van ons land in 1945 meemaakten, maar ook alléén zij, kunnen zich daar enige vaarstelling van vormen! En het was weer: "Oranje boven!"
Ineen proclamatie van 22 november 1813 werd ieder als rebel gediskwalificeerd die nog heulde met de Fransen.
Een deputatie van de Voorlopige Regering ging op zoek naar de Prins die destijds in Engeland verbleef. Op 30 november landde hij in Scheveningen. Zes dagen tevoren hadden de Fransen nog de hollandse vrijwilligers uit Waerden gejaagd en daar een moordpartij aangericht! De komst van de Prins was de bekroning, het definitief maken van de omwenteling.
Onder extatisch gejubel werd Oranje ingehaald en zander meer als "Souvereine Vorst" begroet en erkend.
In de proclamatie van de Commissarissen-Generaal van het Algemeen Bestuur (Kemper en Scholten) werd dit zo geponeerd: "Het is geen Willem VI, welke het Nederlandse valk heeft teruggehaald, zander te weten, wat het eigenlijk van hem te hopen had. Het is Willem I, die als Souverein Vorst, naar de wens der Nederlanders; onder het valk optreedt, hetwelk daar een andere Willem I aan de schadelijke buitenlandse overheersing ontrukt werd. Uw burgerlijke vrijheid zal door wetten, door een die vrijheid waarborgende constitutie, zekerder dan te voren gevestigd zijn."
De stadhouders uit het Huis van Oranje waren staatsrechtelijk nooit meer geweest dan erfelijke "hoofdambtenaren" van een republiek, die reeds vanaf het midden der zeventiende eeuw door een coterie van kooplieden en regenten werd geregeerd. Een coterie van die in de achttiende eeuw door ambtelijke en gedulde corruptie – met behulp van, vaak geheime, “contracten van correspondentie”- de macht bleef vasthouden. Tegenover hen zocht het volk steeds hulp en vrijheid bij de Oranjes. Nu kreeg een Oranje, Willem I, de souvereiniteit over ons land – vóór alles om de vrijheden van ons volk tegen revolutionaire machten in het eigen land én tegenover de bedreiging daarvan van buiten af te verdedigen.

IV
Dit werd toen daar Willem I - sinds 16 maart 1815 voerde hij de titel van koning - goed begrepen en openlijk verklaard.
In zijn proclamatie, uitgegeven op de dag waarop hij in Amsterdam de souvereiniteit aanvaardde (2 dec. 1813); sprak de souvereine Vorst het volk zó toe:"Gij wilt het Nederlanders! dat ik U meer zal zijn, dan ik U, zonder mijn afwezendheid, zoude geweest zijn.
Uw vertrouwen, Uw liefde, legt de souvereiniteit in mijn handen, en van alle zijden dringt men op de aanneming daarvan aan, wijl de nood van het Vaderland, wijl de toestand van Europa dit vordert."
Van enig misverstand omtrent de betekenis, de aard, de omvang, het doel van deze souvereiniteit kan geen sprake zijn! Zowel de vorst als het valk beseften terdege dat daarmee geen "landsheerIijke oppermacht", geen "heerschappij van Gods genade", laat staan een "dictatoriale autocratie" sprake was. In het besluit van 6 december deed Willem I de toezegging zijn landgenoten een constitutie te zullen aanbieden die "ander het éénhoofdig bestuur, dat zij zelve gekozen hebben, hun zeden, hun, eigenaardige herkomsten en gebruiken; in één woord hun aloude vrijheid verzekert."
Groen van Prinsterer zei eenmaal omtrent wat in de laatste maanden van 1813 plaatsvond: Willem I zou een souvereiniteit zonder constitutie niet hebben gewild, aak al had hij die kunnen krijgen.
Maar hij zou een souvereiniteit zonder constitutie ook zeker niet hebben gekregen, al zou hij die hebben gewild! "Souvereiniteit (het vrije volk daar Oranje beschermd) is een Nederlands hoofdbeginsel." 4)

V
Er bestaat over de wijze waarop deze souvereiniteit aan het Huis van Oranje, in casu aan Willem I, werd toevertrouwd verschil van opvatting.
Er is vooreest de steeds grotere groep van mensen die in het staatsleven, speciaal ook wat betreft het overheidsgezag, van geen – geheel verkeerd zo genoemde – “metaphysische”, “supranaturele”, “transcendente” factoren willen weten. Zij ontkennen wat in het Evangelie daarover wordt gezegd; of maken dat, met behulp van een bepaald soort hermeneutiek, irrevant en daardoor waardeloos. Zij ontkennen b.v. dat het staatkundige beleid en de politiek iets met het geloof en in God, in zijn Christus in het Waard van de levende God, van doen heeft. Het instellen van een overheid - hoe deze ook moge zijn: éénhoofdig of veelhoofdig, republikeins af monarchaal, democratisch of dictatoriaal - is een puur menselijke aangelegenheid. Het optreden ervan is het resultaat van uitsluitend "natuurlijke" factoren.
Deze lieden zijn principieel Revolutionair wat hun politieke opstelling betreft. 5) Of ze "links" zijn af "rechts", zich "rechts" af "links" van het "midden" opstellen, maakt daarbij geen verschil,") De opvatting van deze lieden vond zijn klassieke vertolking in het bekende woord van de grote wijsgeer Kant: "Een persoon is aan geen andere wetten onderworpen dan aan die welke hij (hetzij alleen, hetzij ten minste tegelijk met anderen) aan zichzelf stelt." En evenzo in de echo. van dit woord zoals die daar Thorbecke werd geproduceerd: "Bijzondere personen zijn tevens en van zelfs publieke personen, regerende en tevens geregeerden, onderdanen en tevens wetgevers."
Deze autonome mensen kunnen nu een staatsregering ontwerpen en realiseren b.v. daar meerderheid van stemmen gekozen overheid. Of ook daar uit eigen wil eigen "macht" over te dragen aan één man, die de persoon wordt in wie de "volkswil" wordt geconcentreerd, in wie het "Valksempfinden" zich manifesteert en tot uitvoering wordt gebracht.
Beide varmen van "volkssouvereiniteit" zijn gelijkelijk "Revolutionair".

Tegenover deze opvatting staat die van het Evangelie. Zij erkent op grond van wat God daarin openbaart het "drait divin", het van God komende, daar Godverleende recht van de overheid, op wat voor wijze een gevestigde overheid aan de macht gekomen is, is ten opzichte van deze fundamentele waarheid een secundaire kwestie. Als een overheid er eenmaal is hebben we in haar ook met de levende God, met de verheerlijkte Christus te doen, Een puriteins gouverneur - Winthrop - in Amerika vertolkte deze opvatting eens in een roerige volksvergadering met deze kernachtige woorden: "Gij hebt ons gekozen, maar nadat wij gekozen zijn, zijn wij uw overheid en hebben ons ambt over u van God, en God bedreigt met de strengste straffen, die aan zulk een ambt geen eerbied bewijzen." Maar de erkenning van het "goddelijk recht" van de overheid is tegelijk ook de meest scherpe loochening van een afweer tegen alle autocratie en tyrannie van een vorst, een volksmeerderheid, een dictatuur van een groep of partij of klasse. En ze bevat zeker niet de verplichting om "de booswicht, die het moordtuig voorhoudt gehoorzaam te zijn, of de gekroonde rover, die gisteren de wettige vorst verjaagd heeft heden als een van God verordineerde macht te beschouwen." 7) Integendeel die moet met alle middelen, desnoods met geweld, worden weerstaan!

Zo deden dat de Nederlanders ander leiding van de “vader des Vaderlands" ten opzichte van de Spaanse tyrannie, De Engelsen ander stadhouder-koning Willem III in hun strijd tegen de willekeur der Stuarts. Zo deed het Nederlandse volk dat opnieuw, in 1813 ander leiding van Willem I, en in 1940/45 ander het gouvernement van de "Moeder des Vaderlands", koningin Wilhelmina, in het verzet tegen de “gekroonde rovers" Napoleon en Hitler!

Volgens het "goddelijk recht" der overheid zijn, de "rechten" van een overheid tegelijk en vooral haar “plichten". En die "rechten" van de overheid zijn niet heiliger dan de volkomen onafhankelijk van de overheden bestaande, "vrijheden" van het valk. in zijn bizondere personen, geledingen, organen en kringen.

VI
Ten aanzien van de menselijke, creatuurlijke factoren die tot de souvereiniteitsaanvaarding door Willem I hebben geleid bestaat er verschil van opvatting ook onder hen die zich ook in de staatkunde en de politiek door het Evangelie laten leiden.
De Savornin Lohman schakelt in zijn beschouwingen daarover alle volksinvloed uit! In zijn magnum opus "Onze Constitutie" schreef hij: "Aan het volk is een staatsregeling opgelegd, en het heeft vrijwillig zich daaraan onderworpen.
Waarom vrijwillig? Omdat de historie van .het Huis, ook de houding van dat Huis gedurende de rampen van ons vaderland, volkomen waarborg schonk, dat het zijn taak niet in eigen belang, maar in het belang des volks had aanvaard; dat het bij de uitoefening van die taak rekening zou houden met de geschiedenis en de ontwikkeling, van het volk, en dus ook aan het volk die staatkundige invloed zou verzekeren, zonder welke die taak onuitvoerbaar zou zijn; dat het de aloude vrijheden en rechten. van het volk zou handhaven. Het was niet de volkskèuze, het was nog veel minderde grondwet, het was evenmin een staatsverdrag, waaraan wij de souvereiniteit van ons vorstenhuis te danken hebben, maar het moeilig optreden van het Huis van Oranje zelf." 8) Groen van Prinsterer oordeelt anders. Hij bezat, een ongelofelijk diepe kijk op het gecompliceerde, historisch gegroeide organisme van volks- en staatsleven en niet minder een heilige eerbied voor de rechten en vrijheden van het volk. Het opereren ten opzichte van staat en maatschappij met door breinen van filosofen gefantaseerde constructies daarover verfoeit hij hartgrondig; Want die komen alle op uit de ficties van de autonome, de revolutionaire mens. Daarbij rekent Groen ook steeds met. de politieke realiteit. 9) Groen schrijft: "De Prins was de Souvereiniteit verschuldigd, naast God, aan het bloed ten dienste van het vaderland door zijn voorvaderen gestort; aan de roem en welvaart die Nederland onder hun leiding verwierf; aan de innige band door de loon der eeuwen tussen hen en de Natie gelegd; aan de oude rechten van zijn Huis, en aan de eigen keus van het vrije volk."! 10) In de daad van 17 november, waarbij men de Fransen afzwoer, vrijheid en onafhankelijkheid hernamen het Huis van Oranje terugriep, was reeds de gehele omwenteling vervat. Ten gevolge daarvan ontstond er een sterker "onafscheidelijkheid" van Nederland en Oranje" dan ooit te voren.
En die "onafscheidelijkheid” werd bovendien "het verenigingspunt van allen". Door negentien jaren van ongekende jammer "werd het geliefde Oranjehuis in vollediger zin dan ooit te voren genationaliseerd."
De titel "souverein" die elders bedenkelijk was, kon in Nederland geen misverstand wekken.
Want zowel de vorst als het volk wist, "dat op deze vrijgestreden grond, na de afzwering van de spaanse landsheer, van landsheerlijk oppermacht geen sprake was; dat generlei staatsvorm mogelijk werd gerekend dan naar de eigenaardigheid van een volkshistorie, met. republikeinse zin en geest doorvoed, en dat de Prinsen van Oranje nooit een onbeperkt gezag dan ter bescherming van aller. vrijheden, van de rechten van allen hebben begeerd." 11) Het is zeer de vraag of het opdragen van souvereiniteit aan een monarch in 1813 zou zijn geschied als er niet een vorst uit het Huis histovan Oranje voorhanden was geweest.
Ons volk had een eeuwenoude, diep gewortelde republikeinse traditie! Maar een Oranje werd door allen als souverein begeerd.
Want het lééfde in het volk, dat er naar de mens gesproken nooit vrije Nederlanden zouden zijn ontstaan zonder Willem van Oranje, zijn broers en zijn zoons. En dat daarna tot tweemaal toe in 1672 door de energie en trouw van, Willem III en in 1747 door de toewijding van Willem IV ons land voor de veroveringszucht van het imperialistische Frankrijk werd bewaard!
Maar hoe groot de dankbaarheid voor en de trouw aan Oranje ook waren, ons volk was "republikeins" en wilde dat blijven. De monarchie, aldus Groen, moe: in onze dagen een "res publica"een re publiek - zijn. "In Nederland is het koningschap meer dan elders republikeins."

VII
Zo ontving Willem I de souvereiniteit over het volk van Nederland.
Zo werd hij de koning van de Staat der Nederlanden.
Die souvereiniteit werd hem niet door de grondwet geschonken!
Niet krachtens maar wel blijkens de grondwet was die aan hem opgedragen. Zij werd hem niet door de grondwet toegekend, maar, integendeel, als hem reeds van te voren verleend, erkend "De Prins was souverein voor, niet dóór de constitutie", schreef Groen kort, duidelijk en krachtig.
In de grondwet van 1814, naar het eenstemmig verlangen van vorst en volk tot stand gekomen, leest men in art. 1 "De Souvereiniteit der Verenigde Nederlanden is en blijft opgedragen aan Z.K.H. Willem Frederik van Oranje-Nassau, om door hen en zijn wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk." Nadat Willem I koning was geworden werd bij de grondwetsherziening van 1815 dit artikel aldus geformuleerd: "De Kroon der, Nederlanden is en blijft. opgedragen aan Z.M. Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau enz." Deze bepaling is sindsdien onveranderd gebleven. Ze is naar haar duidelijke, ondubbelzinnige .inhoud .niets anders dan de staatsrechtelijke formulering van het historische feit dat in 1813 voldongen werd.
Zoals uit de woorden onmiskenbaar blijkt doet de grondwet in dit artikel niets anders dan constateren dat de souvereiniteit aan de Kroon is opgedragen. Er staat niet wordt opgedragen! En. voorts wordt er in vastgesteld en: ook dat wordt steeds weer, b.v. door ministers en volksvertegenwoordigers "beëdigd" of "beloofd"dat die souvereiniteit ook opgedragen blijft aan de koning en zijn wettige erfgenamen. Het was en is zeker niet de strekking en de bedoeling van de grondwet, dat die souvereiniteit door de grondwet weer afgenomen, gewijzigd of overgedragen zal worden!

VIII
Deze in de grondwet omschreven - door de ministeriële verantwoordelijkheid en de machtige Volksvertegenwoordiging - zeer beperkte souvereiniteit van de afstammelingen van het Huis van Oranje werd wan Revolutionaire zijde steeds weer aangevochten.
Reeds" omstreeks 1850, dat wil zeggen: na de grondwetswijziging van 1848,best Groen van Prinsterer rie in een magistraal betoog verdedigen tegen de aanvallen die daarop door de hoogleraren Thorbecke, Vreede, Opzoomer werden gelanceerd. Deze betoogden dat zij in de grondwet van 1815 reeds niet meer te vinden was! Maar Groen toonde op schitterende wijze aan, dat ze juist door de grondwet als een fundamenteel beginsel van de Nederlandse Staat onwrikbaar was vastgesteld. 12) Professor Kranenburg erkende vele jaren later in zijn "Nederlandsch Staatsrecht" dat door verandering van de term.
"souvereiniteit" in “Kroon" men er niet aan gedacht heeft aan de souvereiniteit te tornen.
Sinds 1850 zijn de Revolutionaire aanvallen op de grondwettelijk vastgestelde souvereiniteit voortgegaan en zelfs steeds scherper geworden! Het is nog goed bekend hoe anti-monarchaal en anti-Oranje de oude S.D.A.P. was, om van nog "linksere" groeperingen met te spreken. En in de huidige P.v.d.A., de P.P.R., de P.S.P. en de C.P.N. leeft de revolutionaire afkeer van de souvereiniteit van de afstammelingen van het Huis van Oranje en van iedere monarchie onverzwakt voort. Ja, die wordt steeds sterker en feller.
Een dieptepunt bereikte de aversie tegen de souvereiniteit van de Oranies beruchte brief die dr Nederhorst, destijds voorzitter van de P.v.d.A.-fractie in de Tweede, nu van die in de Eeerst Kameraan partijgenoten schreef. Hij zei daarin o.a. het volgende: "Een Nederland met als staatshoofd een Juliana of Beatrix - goed in de hand gehouden door regering en parlement - prefereer ik boven een Nederlandse republiek met aan het hoofd een De Quay of een Luns, want dat wordt het". Op deze puur utilistische, pragmatistische exclamatie volgde dit fraais: "Behalve de publieke opinie weten ook de troonpretendenten niet goed raad met de monarchie.
Wilhelmina was de laatste (!) vorstin, die met ijzeren plichtsbetrachting haar taak heeft vervuld. Juliana lukt dat minder en Beatrix staat volledig vreemd tegenover de harde eisen die het koninkrijk stelt." En na dit fraais volgde deze uiting van principiële, nobele, geëleveerde politiek: "Als deze Beatrix door verzet van de P.v.d.A. geen toestemming voor haar huwelijk zou krijgen, Jat ze Of afstand doet van haar rechten op de troon ("Dan zitten we midden in een koningskwestie") óf ze verbreekt haar verloving om de rechten te kunnen behouden. In beide gevallen zou de weigering van de Partij van de Arbeid zo'n grote vertroebeling van de politieke verhoudingen in Nederland tot gevolg kunnen hebben, dat het normaal functioneren van een democratisch bestel hierdoor ernstig zou worden belemmerd en de reaktionaire krachten (Telegraaf en Elsevier) de volle wind in de zeilen zouden krijgen."
Dit revolutionaire uithollen en verachten van het souvereine gezag van de koning uit het Huis van Oranje dient met Groen van Prinsterer als een smaad voor onze Oranjevorsten, als een loswrikken van de vastheid van ons staatsgebouw en aldus als een vergrijp tegen het nationale leven radikaal te worden afgewezen en weerstaan.

IX
Ik wil deze beschouwing besluiten met een uitspraak van Groen van Prinsterer.
Deze wijst er ergens op dat ook de "Volkssouvereiniteit", dat wil bij hem zeggen: de idee dat men in het staatsleven nooit en nergens met God en zijn geboden, maar uitsluitend en alleen met mensen en de aan hun als zodanig inherente "macht", "souvereiniteit", "wil" te doen heeft, óók de concrete gestalte van., een monarchie kan aannemen.
En dan zegt hij dit: "De Monarchie, vorm der Volkssouvereiniteit, en die met de eenhoofdigheid van een revolutionaire club gelijk staat, heeft tweeërlei Monarch: naarmate zij uitloopt, óf op het alvermogen der dictatuur, of op het onvermogen desgene aan wie enkel het teken van zijn naam vergund wordt; en die alzo in naam de Vorst, en inderdaad, onder weidse titel, de kroondrager of schrijver van het Souvereine Volk is. De Monarchie, onder de invloed van het Revolutionair beginsel, levert een Koning die -alles zelf verricht of - onderschrijft.
Dit laatste is thans (in 1849, vlak na de grondwetsherziening van 1848 - e.v.) aan de orde van de dag. Wij beleven nu de tijd waarin de Autocraat automaat wordt; waarin men niet op de blijkbaarheid van de Vorstelijke wil, maar op de echtheid der Vorstelijke handtekening let; waarin de Autocratie te niet gaat, en het enkel om Autographie te doen is. 18) .
Zal dit op de duur mogelijk zijn?
Ik twijfel er aan, ik ontken het!
Ik acht voor het Huis van Oranje, na de taak die het vervuld heeft, niet èlke taak vervulbaar. Na de glans waarmee het op het wereldtoneel heeft geschitterd, meen ik de onderstelling voor onjuist, voor ongerijmd te mogen houden, dat door dit Huis elke rol, ook die der volkomen ondergeschiktheid, ook der kostbare nutteloosheid, ook der stelselmatige niet beduidendheid, kan worden gespeeld." 14)


1) Groen van Prinsterer schrijf dit in zijn kritiek op Bilderdijk's "exelusief-monarchale gevoelen". Ten gevolge .daarvan zag deze niet het verschil, het contrast tussen een "wezenlijke monarchie, gelijk zij op eigen en veelszins beperkt gezag der Vorsten berust, en Autocratie welke ander de naam van monarchaal bewind uit autarchie als onvermijdelijk gevolg voortspruit." Geleid door deze visie kwam Bilderdijk er toe in 'zijn' Ode aan Napoleon uit 1806 deze "autocraat" te verheerlijken.
Bilderdijk zag in Napoleon alleen maar de bedwinger van een aantal kwade vruchten van de Revolutie.
Hij zag in hem "de revolutie temmer en niet tevens de won en levensbehouder der omwenteling."
Groen zag met ongelofelijk scherpe blik dat anarchie, volkssouvereiniteit, democratie, communisme uit precies, dezelfde wortel opkomen als de dictatuur! Gerretson schreef eens: "In de historie heeft hij (Groen), en hij het eerst en zeker het scherpst (vet van G.) ingezien, dat revolutie en dictatuur wetmatig wisseltoestanden zijn. (weer Vlet,G.) De omslag van de een in. de ander heeft hij in de Franse omwenteling historisch bestudeerd en in de Belgische revolutie geveegd door de Hollandse autoritaire reactie, die hij in staat, kerk en school heeft bestreden, zelf meebeleefd. Tegen de autoritaire staat in zijn bonapartistische gedaante als volgkwaad van de revolutie richtte zich Groen's levensstrijd, En daarin ligt de blijvende actualiteit van zijn werk en van onze richting; want. tegen de autoritaire staat, die zijn almacht stelt in plaats van Gods souvereiniteit,in zijn moderne, Hitleriaanse of Stalinistische verschijningsvormen gaat de strijd onzer dagen" (Trouw, 19 mei 1951). Kurt Schumacher, de grote leider der duitse socialisten, voorganger van Willy Brandt, noemde de communisten "rood-gelakte nazi's."

2) Handboek der Geschiedenis van het Vaderland", Amsterdam, 1872, 766/7.

3) De regenten sloten "contracten van correspondentie" waarin zij afspraken maakten over de toewijzing van ambten aan familieleden en vrienden. Van de schandelijke dingen die daardoor geschiedden geeft H. Algra, Dispereert niet III 5), Franeker, z.j. 13 enkele krasse staaltjes.

4) Handboek enz. 769.

5) Groen van Prinsterer maakt scherp onderscheid tussen een "revolutie" in de zin van een omwenteling "waardoor verplaatsing van het openbaar gezag te weeg gebracht wordt" en die soms noodzakelijken wettig is - zo b.v, de "revolutie" die onder leiding van Willem van Oranje plaats vonden de "glorious revolution" onder leiding van Willem II in Engeland - en de Revolutie (met een hoofdletter) in de zin van "de omkering van denkwijs en gezindheid, in geheel de Christenheid openbaar, Met revolutie-begrippen heb ik het nog op grondstellingen van vrijheid en gelijkheid, volkssouvereiniteit, maatschappelijk verdrag, conventionele (d.i. op willekeurige afspraak berustende, dus niet bij het bestaande aansluitende) herschepping, welke men als hoeksteen van staatsrecht en staatsgebouw vereert."
(Ongeloof en Revolutie, 19). Deze visie op de Revolutie was niet specifiek Groeniaans.
De ethische theoloog Chantepie de la Saussave oordeelde precies zo. Hij schreef dit: "Door de Revolutie verstaan wij niet zozeer enige historische gebeurtenissen, als veeleer de geest van verwerping van elk gezag (zie 2 Thessal. II. 4), die, ten allen tijde bestaande en menigwerf uitbrekende, in de franse revolutie van 't laatst der vorige eeuw met hare gevolgen hoe deze overigens uit zeer verschillende bestanddelen samengesteld zij - voor 't eerst als een heersend beginsel in de wereldgeschiedenis is openbaar geworden."
Groen citeert deze uitspraak meermalen. Ook J. Huizinga heeft iets van deze Revolutie bespeurd.
Hij schreef b.v. "Van een principiële en beredeneerde aantasting del christelijke zedeleer is in de zestiende eeuw (behoudens fantastische uitspattingen) nog niet en omstreeks 1800 nog nauwelijks sprake ... Van een stelselmatige ondermijning der maatschappelijke orde en eenheid door een leer als die van klassetegenstelling en klassenstrijd weet nog de zestiende noch de beginnende negentiende eeuw". Dit alles kwam pas daarna, In de Schaduwen van Morgen, 4, Haarlem, 1933, 17.
Tegenover déze "Revolutie" predikte Groen het "Evangelie".

6) Groen schreef meermalen dat de Revolutie voor zover die in het Staatsleven werkt zich in drieërlei vorm openbaart. Ze zijn: la résistance, le juste milieu, le mouvement - de "reaktie", hef "behoud", de "vooruitgang" of "revolutie". Deze zijn de drie "sporen" waarlangs zich de Revolutie in het staatkundige leven 'beweegt. In moderne terminologie: "rechts", "midden" en "links"; "reaktie", "conservatisme", "progressiviteit".
Vooruitgang af revolutie ".zoekt vrijheid en vindt anarchie".
Reaktie “zoekt orde en vindt. despotisme". Het, midden "wil een tussentoestand, die op de duur ondragelijk en onmogelijk is."
Volgens Groen is ± 1850 de typische vertegenwoordiger der reaktie Van Hall. Van het behoud Thorbecke en van de vooruitgang of revolutie Opzoomer, Grondwetsherziening en Eensgezindheid, Amsterdam, 1849, 70, 131 v.

7) Groen van Prinsterer schreef in verband met Rom, 13 - alle macht is van God verordeneerd - "Macht is niet synoniem met overmacht, geweld. Ik weet dat, toen Paulus schreef, Nero het bewind had. Ik weet, dat de Christen niet altijd over de wettigheid der bestaande wordt geroepen, zich in geschillen machten te mengen. De uitdrukking "ook den harden”, van meesters over slaven, wil ik, bij, analogie, ook van de ongerechtigheid der Overheden doen gelden, doch ik wil geen uitlegging onderschrijven,welke ons verplichten zou de booswicht, die het moordtuig voorhoudt, gehoorzaam te zijn, of de gekroonde rover, die gisteren den wettige Vorst verjaagd heeft, helden als een van God verordineerde macht te beschouwen."
Ongeloof en Revolutie, editie prof. dr H. Smitskamp 2), Franeker z.j. 48/9.

8) Onze Constitutie", Utrecht, 1907, 40.

9) Groen citeert meermalen de uitspraak van Guizot: "Voir ce qui est, c'est Ie premier et excellent caractère de I'esprît politique." Wat zoveel zeggen wil als: De realiteit nuchter onder ogen zien, dàt is het eerste en voortreffelijke kenmerk van de politieke esprit. Het woord "esprit" is moeilijk te vertalen. Het is een combinatie van geest, kennis, wijsheid, tact, inzicht.

10) Handboek enz. 768.

11) Idem, 769.

12) Verscheidenheden over staatsrecht en Politiek, 1850, 113, 145. "Al kon er een Academisch verdict van alle rechtsgeleerde Faculteiten, ten nadele van de Souvereinitelt van het Huis van Oranje, ter tafel. gebracht worden, ook dam nog zou elke redenering a:llshliten op een in 1813 tot stand gekomen en voor de toekomst voldongen feit". 181: Het "bij de gratie Gods" is geen blote formule, maar "de erkentenis om, in woord en in daad, van de waarheid, dat ook de hoogste macht een gaaf en een recht is, waaraan de Gever een plicht en een verantwoordelijkheid verbonden heeft, die niet kan worden ontdoken". 198: Wat betreft de Souvereiniteit van het Huis van Oranje, deze is niet die "grondwettig monarchale regeringsvorm", die aan de hoogleraar Vreede “dierbaar is",. maar het is "de eenheid der oppermacht in het Vaderlandse Stamhuis, gelijk zij in 1813 verkregen en als voldongen feit .in de Grondwet opgetekend werd". 199: "De souvereiniteit is en, blijft opgedragen aan het Huis van Oranje-Nassau. Met dat beginsel moet elke organieke wet in verband worden gebracht." Zij is "de historische hoeksteen van het NederIandse-Staatsgebouw. Wij moeten terugkeren tot het grote denkbeeld van 1813, tot een. koningschap, als vrucht van de gehele ontwikkeling der tijden, met vrijheid gepaard, door vrijheid sterk, en waaraan wij, oók der wille van de vrijheid gebracht zijn." Verder 216 en de noot op p. 256-258. Het koningschap werd later door de liberalen genoemd: de gouden haan op de toren", het "vliegwiel"of het "ornament" van het staatsbestel. Groen noemt dat het "fundament" daarvan.

13) Meermalen heeft Groen er op gewezen dat de regering van de eerste drie koningen ondanks wat in 1813 gedaan en gezegd werd autocratisch is geweest. "Het is te bejammeren", Zo schreef hij b.v. in Grondwetsherziening en Eensgezind 19, "dat de Vorst (Willem I) ... door de dwaalbegrippen zijner eeuw, zolang ze hem ten· dienste schenen te staan, meegesleept is; dat hij zich, eerst toen de nood daar was en nadat men de Iiberale denkwijs, onder velerlei toejuiching, had beaamd en begunstigd, dat hij, toen het te laat was, in het wezen der Nederlandse een steunpunt heeft bezocht. Het is te bejammeren en het is niet te ontkennen dat hij, in zijn vijf en twintigjarig bestaan doorgaans vorstelijk gezag met éénhoofdig revolutionair bewind verward heeft." Maar grote schuld daaraan droegen de Staten-Generaal! Met vlijmscherpe pen en in kernachtig proza tekende hij wat die in de periode van 1815 tot 1848 geweest waren als volgt: "Van 1815 tot 1827, schenen zij, goedhartig of sluimerig, niet te bemerken dat de Vertegenwoordiging een lijdelijk aanhangsel van het Vorstelijk Bewind werd. Van 1827 tot 1830, volgden zij de Koning in een Staatkunde welke, zonder wezenlijk steunpunt, door beurtelingse concessies en weerstand, aan de scheuring van het Koninkrijk bevorderlijk was. Van 1830 tot 1840, ondersteunden zij, door onvoorwaardelijk vertrouwen, een onverzettelijkheid die in uitputting en onmacht haar natuurlijke dood stierf.
Van 1840 tot 1848 voegden zij zich in een gang van zaken die eigenlijk geen gang kan worden genoemd; waarbij stilstand de leus was, bovenal rust en behoud begeerd werd, in elke beweging afwijking, in elke verbetering gevaar lag." Grondwetsherziening en Eensgezindsheid, 37.
Vooral de Eerste Kamer - zij werd bemerken dat de Vertegenwoordiging een lijdelijk aanhangsel van het Vorstelijk Bewind werd. Van 1827 tot 1830, volgden zij de Koning in een Staatkunde welke, zonder wezenlijk steunpunt, door beurtelingse concessies en weerstand, aan de scheuring van het Koninkrijk bevorderlijk was. Van 1830 tot 1840, ondersteunden zij, door onvoorwaardelijk vertrouwen, een onverzettelijkheid die in uitputting en onmacht haar natuurlijke dood stierf.
Van 1840 tot 1848 voegden zij zich in een gang van zaken die eigenlijk geen gang kan worden genoemd; waarbij stilstand de leus was, bovenal rust en behoud begeerd werd, in elke beweging afwijking, in elke verbetering gevaar lag." Grondwetsherziening en Eensgezindsheid, 37.
Vooral de Eerste Kamer - zij werd de "menagerie van de Koning" genoemd! - striemt Groen meedogenloos. Hij verwijt haar dat zij het "representatieve stelsel" tot een stelsel van "representatie of toneelvoorstelling" heeft gemaakt, ze is een "bolwerk van papier". Haar leden zijn "satellieten van het regeringsgesternte".
Zij is een "fictie volgens welke (ik wens mij van al wat beledigen kan, te onthouden; ik constateer slechts een feit) een twintigtal officieren van de Kroon en voormalige ministers, het Volk vertegenwoordigen."
Bijdrage tot herziening der grondwet in Nederlandschen zin, Leiden 1840, 102 v.

14) Grondwetsherziening en Eensgezindheid, 21/2.




Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief