Anathoth’s Akker
1973-09-07
• Profeten en geld- Jaargang 17
- nummer 32
Zoals gezegd: efficiënte geldbelegging is een netelig
probleem.
Zeker als je geen bankdirecteur bent maar bi+v. predikant.
Dan behoor je tot de categorie waarvan met zekerheid
(en even grote minzaamheid) wordt aangenomen dat ze
van financiële zaken geen verstand hebben. Weshalve de
schoenmaker vriendelijk maar dringend verzocht wordt zich
alstublieft bij zijn leest en leerstukken te houden.
Desondanks heeft ene predikant, genaamd Jeremia, zich
indertijd op dit gladde ijs gewaagd. Zij het dat de man
denkelijk niet helemaal gespeend ware van financieel inzicht:
tenslotte was hij een priesterzoon en priesters raakten in de
loop der eeuwen gespecialiseerd op velerlei gebied.
En aangezien zij ook het beheer voerden over het
tempelcomplex en de kerkelijke inkomsten, mag je aannemen
dat deze zonen van Abraham op het gebied van de economie
beslist niet helemaal vreemdelingen in Jeruzalem waren ... Al
zou je dat van voornoemde Jeremia zo op 't eerste gezicht toch niet zeggen (Jer. 32 : 6-15).
• Hulp gevraagd
Wat is 't geval? Heel simpel: een zekere Hanameël komt bij
zijn neef Jeremia op bezoek, om hem te vragen zijn akker in
Anathoth (binnen het gebied van Benjamin) te kopen.
Niets bijzonders - noch 't verzoek, noch de koopacte, die
straks in duplo wordt opgemaakt. Behalve dan de datum ... :
in het tiende jaar van Zedekia, d.i. in het achttiende jaar van
Nebukadnezar (32 : 1). Jeruzalem is op dat moment in staat
van beleg.
De opgeworpen wallen, die de stormrammen dragen, liggen
tegen de stadsmuur aan. En Jeremia weet: de stad is in de
macht der Chaldeeën gegeven (vs. 24).
Hij had 't zelf aan Zedekia moeten aankondigen, reden
waarom hij nu in verzekerde bewaring zat (vs. 2, 3). 't Zal niet
ver voor de verwoesting van Jeruzalem, in 586 v.Chr. zijn.
• De thorah op de gevangenistafel
Die neef intussen moet een grenzeloze optimist zijn geweest
om bij zijn familie-in-goeden-doen met zo'n verzoek aan te
kloppen.
"Een beetje geschrift ook: hij moet ·er waarschijnlijk zijn
leven voor gewaagd hebben om tussen de linies van de
babyloniërs door te sluipen .. , En dat alles voor een lapje
grond waar geen mens onder zulke omstandigheden meer een
cent voor geven zou.
Neeflief zet echter een verheugd gezicht: Jeremia, man, jij
bent de eerste koper! Daar heb je recht op - jij hebt optie op
die akker - koop hem dus maar gauw!
Goed geld naar kwaad geld gooien - daar komt 't op neer,
nietwaar?
Wie weet wat voor een brave jongen deze verarmde priester-
neef was. Of was hij oorlogsslachtoffer? Maar wat moest
Jeremia met zo'n lapje grond, terwijl hij zelf in verzekerde
bewaring zit met iedereen, de koning voorop, tegen zich?
En nog een stapje verder: deze "koop" was geen koop
zonder meer. Nee: 't was "het recht van lossing tot de koop".
Een "recht" dat in zekere zin een plicht was!
Want neef zinspeelt hier op de wet van Lev. 25: 23-28,
waarin gehandeld wordt over lossing van het land: wanneer
iemand zozeer verarmde dat hij iets van zijn vaderlijk erfdeel
moest verkopen, rustte de plicht tot lossing op de naaste
bloedverwant.
• Beroep op noodsituaties?
In het rampjaar voor Jeruzalem legt neef doodleuk de
wet van het jubeljaar op tafel ... in de gevangenis. Bij de
klaroenstoot voor de bestorming van de stad herinnert hij aan
de priesterbazuin gestoken in het bevrijdingsjaar.
Vlak voordat Israël gevankelijk in ballingschap wordt gevoerd
hoopt hij van zijn schuld bevrijd te worden. Je moet maar lef
hebben!
Wat zouden wij gedaan hebben in Jeremia's plaats? 'k Geloof
dat ik - al lag de hele thorah voor me op tafel - me beroepen
zou hebben op een noodsituatie. Of zou gezegd .hebben:
beste jongen, wie denkt er nu op dit moment aan zulke
materialistische dingen?
Er staat op dit ogenblik toch meer op 't spel dan jouw
akkertje?
Jij mag denken aan het onvervreemdbaar familiebezit, het
erfdeel des HEREN, maar Jahweh is van plan héél Israëls
erfdeel af te nemen en 't aan de babyloniërs cadeau te doen.
Jij durft mij te vragen om geld, geld voor de opbrengst van
je akker tot aan het jubeljaar, maar die akker zal geen cent
opbrengen: die wordt zo dadelijk bezaaid met stenen, 't puin
van Anathoth of Jeruzalem. " Dat kun je kwalijk een goede
geldbelegging noemen. En wat voor zin heeft broederliefde
hier?
• Gods beleggingsadvies
't Is maar goed dat Jeremia van te voren een beleggingsadvies
gekregen had. Van de Eigenaar van 't land. Die dacht er anders
over en gaf instructies: koop die akker.
Daar staat, of liever, zit deze zoon van Abraham. De keus
is aan hem: zakenman of profeet (de tegenstelling is niet
helemaal eerlijk, maar u begrijpt 't wel)waar heeft hij 't meest
fiducie in?
Zijn daden spreken voor zichzelf.
De koopsom wordt vastgesteld: 17 zilveren sikkels, een klein
kapitaal.
De hele wettelijk voorgeschreven procedure wordt gevolgd -
met Baruch als notaris erbij. Onverstoorbaar kwijt Jeremia in
de gevangenis zich van zijn lossersplicht. Als ware er in geen
velden of wegen een babyloniër te bespeuren. Tenslotte krijgt
Baruch opdracht zowel de verzegelde als de open brief, de
koopacte in duplo in een aarden kruik op te bergen - de grotten
van Qumrán geven een duidelijke toelichting - "opdat zij lange
tijd bewaard blijven". Jeremia weet dus dat het een hele tijd
kan duren voor hij zijn geld terugziet.
Als hij 't tenminste ooit terugziet ...
• Gods garantie
En nu wordt het een echte beeldspraak.
Want 't voornaamste is de boodschap waarmee deze
vastberaden koop vergezeld gaat.
Waarbij we niet vergeten dat langs de gevangenis op 't
binnenhof van het paleis een druk verkeer is van zorgelijke
generaals, ministers, soldaten, lakeien en dienstmeisjes: want
zo zegt de HERE der heerscharen (de legerscharen van Babel
zijn in zicht), de (levende) God van Israël (nog is de band niet
doorgesneden): er zullen weer huizen, akkers en wijngaarden
verkocht worden in dit land! Je moet er maar in geloven ... en
ten bewijze je geld erin steken! De voorganger gaat er in voor:
zakenman èn profeet.
Wat Jeremia deed, leek onzinnig.
Maar hij had fiducie in God en diens heerscharen. En dus
kwam hij zijn broederplicht na - ten koste van een klein
kapitaal.
Wat wij daar mee aan moeten?
Maar rijst de vraag niet of het.
voor ons zinnig en verantwoord is energie en kapitaal te
steken in een wereld die soms Babel (Op.
18) heet? Waar werken we voor, waar maken we ons druk
om met zoveel kapers op de kust? Welke zin heeft 't leven
nog in een wereld die van Godswege bedreigt wordt met de
ondergang?
Juist! - omdat we fiducie hebben in Gods boodschap die over
Jeruzalems rampjaar heenreikt naar de toekomst van een
nieuw Jeruzalem!
De zachtmoedigen zullen de aarde beërven (Mt. 5: 5; Ps.
25: 13)de wereld lacht ons toe - zij is ons beloofd door de
Eigenaar.
Daarom zullen we rustig ons werk doen, bankdirecteur
of tuinman, profetisch zakendoen - heel alledaags. En
onze christelijke broederplicht nakomen ongeacht welke
noodsituatie: wij gaan het laatste jubeljaar tegemoet! Over
Gods beleggingsadviezen gesproken: was het toeval dat er
7 x 7 jaren lagen tussen Jeruzalems val en Israëls terugkeer?
Precies: een jubeljaar!