De profeet Jona

1973-09-07
  • Jaargang 17
  • nummer 32
1. Jahweh's opdracht geweigerd

1. Jona, een zoon van Amittai, afkomstig uit Gath-Hefer, een dorp in de buurt van Nazareth, was een profeet des HEEREN die optrad in het tien-stammenrijk tijdens de regering van Jerobeam Il.
Hij profeteerde o.a. dat de grenzen van dat rijk onder de regering van deze jerobeam weer dezelfde zouden worden als onder het regiment van David en Salomo, Want hoe ver Israël van Hem was afgevallen, ja zelfs geheel tot een "valse kerk" was geworden, - in Israël was er de "kalverendienst"! - de HEERE zag met erbarming de zeer bittere ellende van Israël aan. Hij zag dat het met "hoog" en met "laag" was gedaan en dat Israël geen helper meer had. En aangezien de HEERE niet gezegd had Israëls naam te zullen verdelgen van onder de hemel, verloste Hij hen door Jerobeam, de zoon van Joas (2 Kon.14 : 23-27).
De HEERE is zeer barmhartig en lankmoedig. Hij laat zijn volk, zijn besneden - en gedoopt!volk, hier nooit geheel los. Hij blijft het roepen, trekken. Hij breekt het met zijn volk gesloten verbond nooit, Al zijn zijn kinderen ontrouw, hun ontrouw doet Gods trouw niet teniet (Rom. 3 : 2). (Vergelijk hierbij: Hosea 11, vooral vs. 8; Hand. 3: 25, 26; Rom. 9 : 1-5; 11 : 1, 28, 29.) Het zal voor Jona een zeer verblijdend ding zijn geweest deze boodschap aan de koning te mogen brengen. Dat strookte geheel met het diepe begeren van zijn hart! En hij zal door de koning wel met alle reverentie zijn bejegend, toen hij dit woord des HEEREN tot hem sprak! Zulke woorden hoorden de koningen van Israël liever dan de boetpredikaties van Hosea en Amos, die ook in die tijd optraden.

2. Deze Jona ontvangt nu van de HEERE die opdracht tegen Ninevé, de zeer grote stad der Assyriërs, te prediken. De boosheid van deze stad was tot God opgestegen. Ze "schreide ten hemel".
Ninevé was een zeer goddeloze stad. Nahum noemt haar "de bloedstad, louter leugen, vol van verscheuring, zon der ophouden “rovend". Zij was "een hoer", uitnemend in bevalligheid, meesteres in toverkunsten, volken verkop end door haar hoererijen en geslachten door haar toverkunsten (Nahum 3 : 1 e.v.).
De zon de van Ninevé is zooverschrikkelijk geworden, dat God ze niet langer kan dulden.

3. Het rijk van Assyrië was destijds het grote gevaar voor Israël.
Het was op weg een wereldrijk te worden, Dat werd het uiteindelijk ook. Machtiger zelfs dan het latere Babylonische rijk.
De situatie was voorts onder Jerobeam II zoo,dat als Assyrië na de "adempauze" welke er in haar opmars naar de wereldheerschappij was ingetreden, zich opnieuw met haar machtige legers op de volkeren rondom zou storten, Israël het eerst aan de beurt zou zijn om verpletterd te worden, Niet vele jaren na de regering van Jerobeam II is dat ook metterdaad geschied. De Israëlieten waren daarom doodsbang voor de Assyriërs en tegelijk haatten zij die met een dodelijke haat. Van de Assyriërs ging bovendien de faam uit, dat zij het wreedste volk van die tijd waren.

4. Jona weigert nu zonder meer aan Gods opdracht te voldoen, Hij aarzelt niet maar om te doen wat God hem vroeg. Zulk een aarzeling is er bij alle ware profeten!
Tegenover de profeten die ervoor terug huiveren Gods boodschappers te zijn, omdat de opdracht zoo groot en zij zelf zooklein en zondig zijn, is God zeer barmhartig en lankmoedig! Hij helpt ze met tere zorg over hun vrezen en beven heen (vgl. Ex. 3 en 4; 1 Kon, 19: 1-8; Jes. 6: 1-13; Jer. 1 : 4-10). Het is inderdaad zo dat alle ware profeten terughuiveren voor de hun door God gegeven opdracht, Valse profeten daarentegen worden o.a. ook daardoor gekenmerkt, dat zij zichzelf met alle nadruk als profeet presenteren en op hun profeetschap prat gaan.
"Ook ik ben een profeet", zei de oude profeet van Bethel en daarna sprak hij de leugen waardoor hij zijn jongere collega in het verderf stortte (1 Kon. 13 : 18).

5. De weigering van Jona om de boodschap des HEEREN aan Ninevé te brengen is bij oppervlakkige beschouwing vreemd. Hij moet immers aan deze stad prediken dat ze onderstboven zal worden gekeerd. Dat is iets dat hem als Israëliet bijzonder welgevallig moest zijn. Zoals uit het vervolg van dit boek blijkt was dat ook inderdaad het geval! Het voortbestaan van Assyrië betekent naar de mens gesproken de ondergang van Israël. Maar de ondergang van Assyrië is Israëls behoud.
En zou dan een goede Israëliet niet vurig begeren dat dit rijk zal ondergaan en tegelijk ook alles doen om die ondergang te bevorderen? Toch weigert Jona Gods opdracht te vervullen. Er is géén grond voor het vermoeden, dat Jona bang zou zijn geweest en daarom niet naar Ninevé durfde te gaan. Maar wat dreef hem er dan toe "dienstweigeraar" te worden ten opzichte van de HEERE?

6. Het antwoord op deze vraag wordt in het vervolg van het boek duidelijk gegeven. We kunnen dat kort zo formuleren: Jona wist heel erg goed wie de God van Israël is.
En hij wist daarom ook heel goed wat de oordeelsverkondiging is welke God tot afvalligen en goddelozen laat uitgaan. Omdat hij dat wist, wilde hij niet naar Ninevé gaan om aan deze stad de boodschap des HEEREN te brengen.
Want hij vreesde, dat dan precies het tegenovergestelde zou gebeuren van wat hij zo vurig begeerde!
Hij vreesde namelijk dat Ninevé dan niet zou ondergaan, maar behouden worden.

7. Ja, Jona wist heel goed wie de HE ERE was. Dat blijkt duidelijk uit wat hij later tegen de HERE zelf zegt. Ik wist, zo verzekerde hij, dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig, groot van goedertierenheid en .
berouw hebbende over het kwaad, 4: 2.
Dit is Jona's belijdenis omtrent de HEERE God. Hij gebruikt daarin vijf woorden die zeer rijk van inhoud zijn. Ze komen in het Oude Testament meermalen voor. Zie b.v. Ex. 34: 6; Neh. 9: 17; Ps. 86 : 15; 103 : 8; joël 2: 13b. Genadig wijst hier op de goedheid van een rijke, die zich over een arme heenbuigt. Barmhartig, dat bijna altijd in één adem met genadig wordt genoemd - het woord hangt samen met één dat moederschoot betekent - doet denken aan de medelijdende teerheid van een moeder voor haar hulpbehoevende kind. Lankmoedig - letterlijk: langzaam in toorn - wijst er op dat Gods toorn niet is een uiting van opvliegendheid of drift, maar een late reaktie op de verharding der mensen. Het woord brengt tot uitdrukking dat God aarzelt om te straffen en dat Hij, als Hij dat tenslotte doet, dat doet om de mensen tot bekering te brengen.
(Vergelijk hiervoor b.v. Jes. 99: 12; Jer. 2 : 30; 3 : 3; 5 : 3; Amos 4 : 6-11 J Deze toorn van God wordt voorts steeds gestempeld door de grootheid, de rijkdom aan goedertierenheid, dat wil zeggen: de verbondsliefde, die in God voor zijn volk leeft. En tenslotte: God is een God die steeds weer berouw heeft over het kwaad, het onheil, waarmee Hij dreigde. Hij kondigde dat wel serieus aan als straf op de zonde, maar als er ook maar een weinig bekering kwam, deed Hij dat kwaad niet komen. (Vgl. Ex. 32 : 14, 2 Sam. 24 : 16; 1 Kron. 21 : 15; Jer. 18 : 8; 26: 3; Ez. 33: 14-16; Amos 7: 3.) Met deze vijf woorden wordt iets aangeduid van de oneindige liefde, welke in God voor zijn volk leeft.
leder voor zich noemen zij iets van het onbeschrijfelijk heerlijke, dat opgesloten ligt in het wonder dat God aanduidt, als Hij zegt: "Ik uw God en gij mijn volk." Zo kent Jona de God van Israël.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief