lets over het Bijbelvertalen (1)

1973-09-07
  • Jaargang 17
  • nummer 32
Referaat, gehouden op zaterdag 5 mei 1973 op de jaarvergadering van de Persvereniging "Opbouw".

Maria was buiten bij het graf blijven staan en huilde. Onder het huilen boog ze zich voorover naar het graf en zag twee engelen in het wit gekleed; ze zaten op de plaats waar het lichaam van Jezus had gelegen, de een aan het hoofd- de ander aan het voeteneinde.
"Vrouw, waarom huilt u?" vroegen ze haar. "Ze hebben mijn Heer (twee woorden) weggehaald", antwoordde ze, "en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd."
Toen ze dat gezegd had, keerde ze zich om en zag Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. "Vrouw, waarom huilt u?" vroeg Jezus haar. "Wie zoekt u?" Zij dacht, dat het de tuinman was en zei: "Meneer, als u hem hebt weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan zal ik hem terughalen." "Maria", zei Jezus tegen haar. Zij draaide zich om en zei in het aramees: "Rabboeni!" Dat betekent: "Meester!"

Tot zover een van de meest tere gedeelten uit het Johannes-evangelie.
Dat is ook wel de reden (ik bedoel die teerheid) dat men het niet heeft aangedurfd in Nederlands jongste bijbel-vertaling (Groot Nieuws voor u - het N.T. in de omgangstaal) de engel en Jezus Maria te laten aanspreken met het afstandelijke 'mevrouw', terwijl de tuinman (vroeger was dat de hovenier, maar nu is het Hendrik Jan de tuinman geworden) 'meneer' te horen krijgt, En dan zwijg ik nog maar over de betweterigheid, orn .'Rabboeni' een aramees woord te noemen in plaats van een hebreeuws - zoals Johannes schrijft! Ik bedoel maar te zeggen, dat vertalen een moeilijk vak is en terecht is gezegd dat il traditore gemakkelijk wordt tot il tradutore, de vertaler wordt tot een verrader, een verrader van de tekst!
Er is heel wat aan de hand vandaag rondom het vertalen van de H. Schrift. Het is wat Nederland betreft pas goed losgekomen sinds de tweede helft van de zestiger jaren, toen het Nederlands Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting het voornemen te kennen gaven om te komen met een in onderlinge samenwerking vervaardigde bijbelvertaling in 'eenvoudig, hedendaags' Nederlands, 'voor individueel-, gezins- en kerkelijk gebruik'. Tegen dit voornemen is in het jaar 1969 fel geopponeerd door een groep theologen en dichters, verenigd in de Van der Leeuw-stichting en de Nederlandse Commissie voor Liturgie uit de R.K. Kerk ..Deze zijn in Hemmen (Gld.) in een symposium bijeen geweest om over het bijbelvertalen te praten en in het verlengde van dit gesprek is er een uitgave verschenen van de prof. dr G. v. d. Leeuw-stichting, getiteld' -Wie het leest lette er op! -' (Mededelingen, aflevering 41, 1970) met als ondertitel: een bundel bijbel-vertaal-vragen.
Deze ondertitel is bescheidener dan de inhoud van het boek.
Want daarin komen meer uitroep dan vraagtekens voor. Het is ook een massief standpunt, waarmee deze mensen naar voren komen.
Ze verfoeien een bijbel-vertaling in de gewone omgangstaal. Ze willen integendeel een vertaling die zich wat inhoud en vorm betreft zo letterlijk mogelijk bij het origineel aansluit; die dezelfde hoekigheid en steilte heeft als welke zij vinden dat voor de oorspronkelijke bijbel kenmerkend is. En wanneer daartegen als bezwaar wordt ingebracht, dat de moderne mens bij zo een vertaling nog meer van de bijbel vervreemd raakt, dan hij in feite nu al is, dan antwoorden zij, dat die moderne mens dan maar naar het leerhuis moet komen om zich de bijbeltaal weer eigen te maken.
Hij moet maar naar de kerk komen, want aan de gemeente zijn de woorden Gods toebetrouwd en de plaats voor de H. Schrift is de lessenaar in de kerk. Daar worden de Schriften liturgisch gelezen op de adem van het jaar.
Kenmerkend is bij deze theologen en dichters de liturgische benadering van het vraagstuk der Bijbelvertaling. Te lang is de Schrift, ook wat het vertalen betreft, in handen geweest van de neutrale waardevrije wetenschap, door welke ze is behandeld als een verzameling oud-israëlietische en vroeg-christelijke geschriften, maar haar overzetting behoort verzorgd te worden door mensen die benul hebben van de functie van het Woord in de samenkomst der gemeente. Het Woord wil klinken en de vertaling moet het tot klinken brengen, moet er niet een leesboek, maar een voorleesboek van maken, of nee, niet van maken, het is een voorleesboek van huis uit en de vertaler mag dat karakter er niet aan ontnemen.
Het ideaal is dan ook een Schriftvertaling, waarin de zinnen op ademlengte zijn afgedeeld (colometrische vertaling, heet dat) naar het grote voorbeeld van de vertaling van Wet en Profeten in het duits van Martin Buber en Franz Rosenzweiz, die van hun reuzenwerk rekenschap hebben afgelegd in het boek 'Die Schrift und ihre Verdeutschung', Berlin 1936.
Terwijl ik dit schrijf, betrap ik mezelf erop, dat ik van de twee richtingen, die met elkaar over het vertalen der Schrift strijd voeren, nu wel heel sterk aandacht geef aan de een. Hiervoor is wel een verklaring te geven.
De voorstanders van een strikte vertaling verdedigen een standpunt dat zonder meer interessant is. Interessant omdat het zo weerbarstig durft te zijn en onpopulair.
Deze mensen komen nu eindelijk de moderne mens eens niet tegemoet. Ze maken geen leunstoel-vertaling voor mensen die nadat ze uit verveling de t.v. uitgeschakeld hebben, zo goed zijn de Bijbel ook nog eens een kansje te geven, als ze zich daarvoor tenminste niet behoeven in te spannen. Dat doet weldadig aan.
Ook de grote eerbied voor de Schrift is herkenbaar, als ook het op elkaar aangelegd zijn van Schrift en kerk en liturgie bij hen. Je kunt in deze kringen een liefde en waardering voor de Staten-vertaling tegen komen, die je bij deze overigens zeer moderne en eigentijdse dichters en dominee's nauwelijks voor mogelijk zou houden. Zij houden van de Staten-vertaling dan ook niet omdat ze oud is, maar omdat ze de juiste methode gebruikt heeft.
Zij was eigenlijk geen vertaling, maar een overzetting, d.w.z. het nederlands was dienstbaar aan het hebreeuws en het grieks. De eerste bekommernis was niet: hoe krijgen we zo goed mogelijk nederlands, maar: doen we zo recht aan de grondtekst. En zoals het bij de Staten Vertaling gebeurde (die inderdaad niet naar methode, maar naar resultaat verouderd is) zo moet het bij een nieuwe vertaling weer gebeuren.
De Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap vindt daarbij niet grote waardering.
Eigenlijk moet je daarvan zeggen dat die is vervaardigd vóórdat men het probleem: hiëratisch of demotisch (de termen zijn van Rijnsdorp) doordacht had. Onze Nieuwe Vertaling is derhalve in de ogen van de strikte vertalers 'n argeloos werkstuk, dat niet erg serieus genomen kan worden. Een beetje hooghartig is dat wel. Behalve arrogantie wordt de woordvoering van deze kant trouwens ook wel wat ontsierd door fanatisme en overdrijving, In het gesprek zijn ze niet zelden onaangenaam agressief. Is dat omdat ze in de minderheid zijn en wel aanvoelen, dat een door hen gewenste bijbelvertaling niet zo spoedig tot stand zal komen, omdat geen uitgever vanwege de geringe belangstelling daar brood in ziet? Het moet ook haast wel verbitterend werken, als je merkt dat de uitgave 'Groot Nieuws voor u' bij honderdduizenden verkocht wordt. Laat ons oordeel over deze negatieven kanten maar mild zijn. Juist bij ons weerbarstige vrijgemaakten: en gij zult gedenken, dat gij zelf minderheid geweest zijt en nog zijt - zou ik hier Mozes haast vrij willen aanhalen.
Daarvan dragen wij ook wel de sporen.
Wat ons als christenen-met-eerbied-voor-Gods-Woord ook zeer moet aanspreken, is het feit, dat deze strikte vertaalmethode de Schrift uit de handen van de kritische bijbelwetenschap haalt.
Als je namelijk weet, hoe met name in de vorige eeuw deze wetenschap huisgehouden heeft, de Bijbel in stukjes gesneden heeft en met haar grote mond bijna alles wat de Schrift zegt bestreden heeft, dan springt je hart van vreugde op als je leest, dat alleen een kerkelijk en liturgisch betrokken wetenschap zich met de Schrift mag bemoeien.
Toch, hoe vreemd dat ook overkomen mag, wil ik m'n kritiek juist op dit punt beginnen. De kritische wetenschap omtrent de Bijbel had, bij haar zeer negatieve en ongelovige houding tegenover de Schrift, die absoluut af te wijzen is, toch een bruikbaar uitgangspunt. Ze zocht naar de verhouding tussen enerzijds ‘er staat geschreven' en anderzijds 'er is geschied'. Ze ging er dus van uit, dat wat er geschreven staat een verwijzing inhoudt naar wat er geschied is. Goed, ze ontwierp een geschiedenisbeeld van het oude Israël, waarop het geschrevene niet klopte, dat was haar hoogmoedige fout, maar het juiste was dat ze inzag, dat de Schrift de bedoeling heeft, een echt gebeuren te verhalen en dat ze daarin serieus genomen wil worden.
Maar nu heb ik de indruk dat bij de methode, waaraan ik nu maar de naam van een bekende vertegenwoordiger, drs F. H. Breukelman, verbind - dat bij de methode-Breukelman dus, de belangstelling voor 'er is geschied' eigenlijk zo goed als ontbreekt.
Dat m.a.w. het heil helemaal verhaal wordt, opgesloten in de woorden der Schriften, Eigenaardig genoeg wordt het teruggaan van 'er staat geschreven' naar 'er is geschied' veroordeeld als een zoeken van een waarheid achter de waarheid. Zelfs, dat de Bijbeltekst zèlf een geschiedenis achter zich heeft wordt nauwelijks in overweging genomen.
Laat staan dat de Schrift getuigenis aflegt van een concrete geschiedenis van Gods verlossende daden. De woorden van de Schriften verwijzen wel, maar naar andere woorden in de Schrift. Als de Schrift gelezen wordt, gaat het er - zo is althans mijn indruk - niet om, dat wij door de woorden meegenomen worden naar het concrete leven van toen en daar, waar God bij alle tegenstand der mensen handelend, verlossend en richtend bezig was, maar bij de voorlezing van de Schrift gaat het er om, dat de hele overige Schrift meeklinkt.
Wij worden door het luisteren naar de woorden opgenomen in een taalverband met God.
Vandaar de eis van het concordant vertalen, dat wil zeggen: de hebreeuwse en griekse woorden altijd gelijk vertalen, waardoor, als een deel al lezend tot klank gebracht wordt, het geheel begint mee te zingen. Deze typische zienswijze wordt wel verdedigd met behulp van een taal-eigenaardigheid in het hebreeuws, dat namelijk het woord 'davar', twee betekenissen heeft, te weten 'woord' en 'zaak'. Van hieruit wordt een eigenaardige sprong gemaakt en gezegd: het woord is de zaak. Dan is er eigenlijk ,geen andere heilswerkelijkheid dan de woord-werkelijkheid.
Ik vraag me af, of dit niet leidt tot een woord-magie, die het vervolg is op de vroegere sacraments-magie. Ex opere aperato, door het reciteren van de heilige teksten, geschiedt het heil. Ik raak hier aan zeer moeilijke theologische en ook wijsgerige vragen, die ik, geloof ik, niet aan kan. Misschien dat anderen daarbij kunnen helpen. 't Gaat mij er niet om, deze methode zwart te maken. Maar ik leg u toch deze indruk voor. En nog eens, zo maak je je toch te goedkoop af van de Schrift-kritiek van de vorige en ook van deze eeuw. De vraag naar het werkelijkheidsgehalte der woorden was en is terecht.
Daar kun je je niet van afmaken door middel van een grapje met een taal-eigenaardigheid.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief