De Rozen
1973-09-14
Hij zei me: "Zoolang deze rozen - Jaargang 17
- nummer 33
Bloeiend zijn, groot en rood
Zoolang zal ook mijn liefde
Bloeiend zijn, groot en rood."
Ze stonden stil in de vazen,
De rozen van mijn geluk:
Toen kuste ik waanzinnig van vreugde,
Toen kuste ik zijn rozen stuk.
Ik heb in de bloemen gebeten,
Ik proefde het bittere bloed
En hij nam de doornige steelen
En sloeg me - en dat was goed.
Martinus Nijhoff
Dit korte, melodieuze gedicht, maakt je deelgenoot van een wonderlijke gebeurtenis.
Je ziet de vrouw in haar kamer.
Ze is alleen. Ze kijkt naar de vazen, waarin prachtige rozen staan.
Prachtig. Maar het zijn voor haar veel meer dan rozen. Ze zijn een gebaar, een teken.
Een teken van liefde.
"Hij" heeft er mee gezegd hoe groot zijn liefde voor haar was.
Bloeiend ... groot en rood.
Ze is er zo waanzinnig blij mee geweest dat ze de rozen gekust heeft. Stuk gekust.
Wat moet er in haar zijn omgegaan dat ze beet in de bloemen?
Maar ook dat ze de slagen met de doornige stelen onderging als een goedheid?
"En hij nam de doornige steelen
En sloeg me - en dat was goed."
We moeten het gedicht nog eens lezen, nog eens ondergaan.
Het begint zo mooi: "Hij" zei me.
Ze zegt niet: Mijn man. Ze zegt niet: Mijn verloofde. Ze zegt niet: Mijn vriend. Ze zegt: Hij.
Ze is er vast van overtuigd dat iedereen weet wie ze bedoeld. Natuurlijk: de liefste.
Hij zei me: Zoolang deze rozen, bloeiend zijn, groot en rood zoolang zal ook mijn liefde, bloeiend zijn, groot en rood.
Er is wellicht iets gebeurd. Iets, waardoor zij erg teleurgesteld was. Waardoor ze misschien wel getwijfeld heeft aan zijn liefde voor haar.
Maar ze heeft ook geweten dat ze aan het gebeurde, zelf ook wel schuld had. Ze had het goedbedoeld, maar wat stom gedaan en het was verkeerd uitgelopen.
En toen was er het konflikt.
Er waren woorden gevallen. Het ene woord had het andere uitgelokt en ze had gezegd: Je houdt niet meer van me, anders doe je zo niet.
Toen is er de stilte gevallen en is er het verdriet geweest.
Moest dit nu zo?
Gelukkig, hij heeft het goedgemaakt.
Vóór hij naar zijn werk ging, heeft hij eerst een grote bos rozen gekocht en die haar gebracht.
Misschien wel zonder er iets bij te zeggen.
Het gebaar zei alles. Het zei: Zie je die rozen? Zie je hoe ze bloeien?
Ze verdorren nooit. Zo houd ik van jou.
Toen was hij de deur uitgegaan.
En bleef zij alleen achter. Alleen met de rozen.
Wat zijn ze mooi. Ze kan er haar ogen niet van afhouden. Ze staan daar zo stil in het stille huis. Die geluksrozen.
Ze wordt er zo onuitsprekelijk blij door dat ze er heenloopt en ze kust. Waanzinnig. Ze kust ze stuk.
En door die dwaze vreugde laadt ze de schijn op zich, met zijn uiting van liefde niet blij te zijn geweest.
Als hij thuiskomt ondergaat ze zijn teleurstelling als een klap met de doornige stelen.
Hij sloeg me - en dat was goed.
Goed, omdat er uit bleek hoe zeer hij op haar wederliefde gehoopt had.
Wat een prachtig gedicht. 't Is pure beeldspraak.
't Geeft in twaalf korte, verrukkelijk muzikale zinnen, een brok leven weer. Nee, het leven.
Mensen die met elkaar omgaan . doen elkaar pijn. Ook, of misschien juist, als ze van elkaar houden.
Iedere verhouding, die van man en vrouw, vader en kind, moeder en kind, broer en zus, broeders en zusters, iedere verhouding kent haar strijd, haar misverstand, haar verdriet.
Zelfs als iedereen het goed bedoelt, is er nog de kortsluiting.
En als dan het onderbroken kontakt weer wordt geheeld, is er de mogelijkheid van het misverstand.
Het pijnlijke stoten van de ander die het weer helemaal goedmaken wou.
Je kust zijn bloemen stuk ..
Maar dan is er, als het goed is, ook het verdragen van de schrik van de ander. Het billijken van zijn teleurstelling.
Hij sloeg me - en dat was goed.
Dat is het wonder van de liefde.
Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, alles duldt ze.