lets over het Bijbelvertalen (3)

1973-09-21
  • Jaargang 17
  • nummer 34
De moderne bijbelvertalingen, bijvoorbeeld Groot Nieuws voor U, moeten nu gezien worden als pogingen om een brug te slaan tussen de taal van de bijbel en de geseculariseerde taal. Vandaar, dat ze in zekere zin als praterig op je af kunnen komen, zoals je andere mensen over de nieuwe psalmberijming hoort zeggen, dat het 'versjes' zijn, hetzelfde verschijnsel.
Ik bedoel dus te zeggen, dat onze omgangstaal niet een neutraal en waardevrij gegeven is, dat zomaar evenwaardig tegenover de bijbeltaal gesteld kan worden en als norm voor vertalingen gesteld kan worden. Onze geseculariseerde taal heeft zich uit de invloedssfeer van Gods Woord verwijderd en daardoor heeft ze een devaluatie ondergaan.
Het woord met een grote W werkt niet meer heiligend in op het woord met een kleine w.
Ik geloof dat dit te weinig wordt ingezien door de voorstanders van de vrijere vertaling. Dezen gaan nogal ter schole bij de heer E. A. Nida, die heel wat geschreven heeft over de theorie en de praktijk van het vertalen. Maar deze man heeft z'n ervaringen opgedaan met het bijbelvertalen voor zendingsdoeleinden en dat is toch een andere situatie dan die van de geseculariseerde samenleving.
Inderdaad, wanneer de bijbel vertaald moet worden in een taal, waarin hij nog nooit is overgezet en voor een volk dat met het evangelie onbekend is, dan moet verregaand de methode worden toegepast van 'het boek naar de mensen'. Vaak is dan de cultuur van zo'n volk ook zo beperkt en onontsloten, dat bijvoorbeeld 't woord 'schaapherder' moet worden vertaald als 'varkenshoeder', omdat er geen schapen, maar wel varkens zijn. Toch zal zo'n eerste vertaling snel achterhaald zijn.
De horizont van zo'n cultuur verbreedt zich, mede dank zij de evangelie-prediking, en de bijbelvertaling moet zich daar bij aanpassen.
Een volgende vertaling zal de mensen al weer meer naar het boek brengen dan het boek naar de mensen.
Zo is het ook in onze cultuur gegaan.
Dr C. C. de Bruin schrijft (Dr C. C. de Bruin: De Statenbijbel en zijn voorgangers, Leiden 1937, pag. 18) over de eerste missionarissen: "het is zeer waarschijnlijk, dat zij bij hun prediking de bekendste gedeelten uit de Schrift zoo al niet hebben vertaald dan toch in vrij e bewoordingen hebben weergegeven. Gelijktijdig met de vorming van de kerktaal ontstond door hun pioniersarbeid een bijbeltaal met eigen woordvoorraad. Zij hebben de grond omgewoeld, waarin latere vertalingen konden ontkiemen."
Die latere vertalingen zijn ook gekomen en het hoogtepunt bij deze ontwikkeling is de Staten Vertaling geweest, waarin de bijbel zich helemaal kon geven, zich helemaal kwijt kon. Toen ging er van de bijbel ook een heiligende kracht uit op het overige taalgebruik.
Maar daarna is het leven zich tegenover de Schrift steeds meer gaan verzelfstandigen. Wij leven in een cultuur die zich van Gods Woord verwijdert. Aanpassing daaraan bij het bijbelvertalen is nu geen tegemoetkoming meer, maar achternaloping. Deze vertalingen worden dan ook niet opgevolgd door meer letterlijke, zoals op het zendingsveld, maar door steeds vrijere. Het is voor mij de vraag of de vrijere vertalers zich hiervan voldoende bewust zijn, alsook hiervan dat het iets geheel anders is, de bijbel te vertalen voor prae-christelijke lrianezen dan voor een postchristelijke europese cultuur.
Is het dan iets ongeoorloofds?
Zo'n bijbelvertaling als Groot Nieuws voor U? Nee, zover ga ik niet. We moeten er geen wonderen van verwachten bij de evangelisatie.
Daar kon zulk een vertaling wel eens averechts werken.
Mensen, die zich van buiten bij de kerk melden voor catechese bereik je niet altijd met een hen vertwijfeld achterna hollende bijbel.
Ze voelen zich er eerder haast een beetje door beledigd, al zijn er uitzonderingen. Maar ik zie een ander nut. Wij hebben allemaal wel wat van de secularisatie, d.w.z. dat we in zekere zin allemaal mensen geworden zijn van het vluchtige woord. Als we nog lezen, in plaats van kijken, dan moet het makkelijk gaan ("hapt zo heerlijk weg") en moeten we opschieten. Wel, daar komen de nieuwere vertalingen aan 'tegemoet. Het is nu mogelijk, in een paar uur een evangelie achter elkaar door te lezen, 'of 'zelfs de brief aan de Romeinen, en er dan ook nog een indruk van over te houden. Het is nu eenmaal zo: bij de oudere vertalingen kenden wij de bijbel beter uit het hoofd, bij de nieuwere snappen we hem beter (waarbij ik wel opzettelijk het oppervlakkige woord 'snappen' gebruik). Onze tijd vraagt niet naar vorm, maar naar inhoud: zeg maar gauw waar het op neer komt, wat je bedoelt. Hieraan komen de nieuwere vertalingen tegemoet.
En daar zit iets moois in.
Ik denk trouwens dat het Nieuwe Testament zich er meer voor leent dan het Oude, want het Nieuwe Testament heeft meer inhoud, het Oude meer vorm.
Maar u zult begrepen hebben, dat ik daartegenover een tegenbeweging graag gaande wil houden.
Geen nieuwere vertalingen op de kansel, graag (afgezien van de Nieuwe Vertaling van het N.B.G., die nu eenmaal in gebruik is in onze kerken). Op de kansel een vertaling die ons bij het boek brengt, een bijbelvertaling, die ons bij het 'toen' en 'daar' brengt en niet een, die zich laat inspinnen in de kleine gezichtseinder van 'hier' en 'nu'. Werkelijk, het serieus nemen van 'toen' en 'daar' komt het 'hier' en 'nu ten goede.
De bijbel is óók historisch en het is chantage, hem altijd aanstonds te benaderen met de vraag: wat heb ik er vandaag aan, wat zegt het mij nier. Als een bijbel-vertaling zuinig omgaat met het bijbels idioom, dan bevordert ze de luisterhouding. Inderdaad, '- wie het leest, merke daarop -'. Nabij u is het woord, zeker, maar dat betekent niet, dat we een instantbijbel hebben. Wij ontkomen niet aan de omweg over het jaar nul.
Na het letterlijk vertalen nu ook nog iets over het concordante vertalen, dat wil dus zeggen, dat een bepaald woord in het oorspronkelijk zoveel mogelijk door een gelijk woord wordt weergegeven.
Daardoor zijn we in staat, de samenhang, die de Schrift zelf legt, te zien. De Schrift namelijk duidt die samenhang vaak subtiel aan door schijnbaar onopzettelijke woordherhalingen en overeenkomstige zinswendingen. Buber heeft dit verschijnsel onderkend en omschreven als Leitwort-stil: door een bepaald woord op verschillende plaatsen in het verhaal te laten klinken, loopt er een draad door het verhaal die het geheel bijeenhoudt: je wordt daardoor uitgenodigd, te associëren (want de Bijbel werkt niet uitsluitend met causale denkvorm, maar ook met de associatieve).
Inderdaad is er zoiets als een Leitwort-stil, hoewel ik die lang niet in alle verhalen tegenkom.
Soms haast in overdaad, zoals in Gen. 32, waar o.a. het woord 'aangezicht' om en om gewend wordt en door het hele verhaal gevlochten zit, maar soms ook weer helemaal niet, althans, zover ik zien kan. Kunnen we zulke overeenkomstigheden, gelijkluidendheden, altijd in vertaling weergeven? Dat hangt er van af, denk ik. Soms leidt het tot gezochtheden en zoekt men overal wat achter. Als ik in een nederlandse zin het voegwoord 'aanzien' en het zelfst. naamwoord 'aangezicht' gebruik, zijn dat woorden, die niet alleen wat klank betreft I op elkaar lijken, maar die etymologisch ook verwant zijn. Toch zal niemand op het idee komen, deze woorden met elkaar in verband te brengen en bijvoorbeeld bij vertaling van de zin in het engels er op bedacht zijn, deze overeenkomstigheid te bewaren. Wij ervaren de overeenkomst als toevallig of liever nog: wij ervaren de overeenkomst helemaal niet. Zo kon het in het hebreeuws toch ook wel eens liggen.
Dat zou in ieder geval overwogen moeten worden bij een tekst als Gen. 32 : 21 (hebr. tekst), waar Jakob de boden, die hij Ezau tegemoet stuurt, als volgt instrueert: "En gij zult zeggen: ook, zie, uw knecht Jakob is achter ons, want hij heeft gezegd: laat ik zijn aangezicht verzoenen met een geschenk, dat voor mijn aangezicht uitgaat en daarna zal ik zijn aangezicht zien, misschien neemt hij mijn aangezicht aan."
Het wemelt hier van aangezichten, maar 'voor mijn aangezicht uit’ is een zo gewone uitdrukking in het hebreeuws, dat ik niet geloof, dat daar nog iets van het
aangezicht in aangevoeld werd, net zomin als in ons voegwoord 'aangezien'. Voor ons is het hebreeuws toch altijd een vreemde taal en dat betekent dat ons dingen opvallen, die helemaal niet opvallend zijn. Daardoor zoeken we wel eens teveel achter de woorden.
We zullen van geval tot geval moeten onderscheiden. Hoe ik dat bedoel, zal ik uitleggen aan de hand van wat voorbeelden uit het boekje Jona.

(wordt vervolgd)

Correcties bij het vorige artikel: 1) De preciese titel van het boekje van prof. J. v. Bruggen luidt: Bijbelse Taal? De samenhang tussen inhoud en taal van de bijbelse openbaring, Amsterdam 1971.
2) Midden in de tweede kolom: Bijvoorbeeld de zinswending: wat is uw knecht, een hond, dat mijn heer aan zijn knecht gedenkt ... ? (cf H. Donner - W. Röllig, Kanaanäische und Aramäische Inschriften II, 189 v.v. (Hebr. Inschriften 192». Zeker is hiermee de vraag niet beantwoord, enz.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief