VER VAN DE TROON
1973-09-28
Na al de feestelijkheden van het zilveren regeringsjubileum van onze koningin valt er nog wel een opmerking te plaatsen. Als u wilt een zure opmerking. Als u wilt een bittere opmerking. Misschien een gepeperde opmerking.- Jaargang 17
- nummer 35
Het is deze: dat we ons niet wijs moeten maken als zou ons volk diep in zijn oranjehartje onze vorstin aanvaarden als van Israëls God gegeven.
Alsof wij daarom haar van harte liefhebben, eren en met haar gebreken geduld hebben. Kortom: als zou ons volk het vijfde gebod erkennen als basis voor zijn feestgedruis.
Jawel: overal waar spontane liefde en eerbied zijn getoond kunnen we )lij zijn met de blijden. Overal waar gedankt is voor Gods goedheid, in koningin Juliana betoond, vloeit onze dank in dezelfde stroom van gebeden uit. En dat dit jubileum nog zo gevierd is als het gevierd is ... daarin kwamen wondere en ontroerende momenten voor, die we niet zullen vergeten.
Maar het gemier van een minister-president, die vooraf niet scheen te weten of hij wel vlaggen zou; welk gemier beëindigd werd met een regeringsvoorlichting: dat hij toch wel vlaggen zou - iets wat bij Colijn of Drees niet mogelijk zou zijn geweest; de zuinigheid en de condities, welke ten aanzien van een delegatie uit het leger werden gesteld; alle betoog over de hoge kosten van ons koningshuis, die eigenlijk niet eens hoger zouden zijn dan die van een president; om welke reden een "erfelijk presidentschap" toch eigenlijk financieel aanvaardbaar werd geheten; de vergelijking met een corrupt presidentschap elders, tegen welke achtergrond we met onze "erfelijke presidente" nog niet eens zo kwaad af zouden zijn; al dit kleinburgerlijk geleuter is een doorzichtige camouflage voor de algehele verloedering van ons maatschappelijk en politiek bestel. De vruchten van de Franse revolutie - de leuzen van vrijheid, gelijkheid en broederschap - zijn we nu wel volledig in het calvinistische Nederland geintegreerd.
We aanvaarden als volk onze vorstin, inclusief de konsekwenties van een kostbaar koningshuis en enkele kostbare jubileums, als investeringen welke de internationale normen niet te boven gaan.
De norm in dezen is het geld, het aardse slijk. De norm is niet: een van God gegeven koningschap.
Die vrijheid, Gods rol in dezen terzijde te schuiven, némen wij. Die gelijkheid - de vorstin is een der onzen en als zodanig aanvaardbaar - meten we ons aan. Die broederschap - en dat we toffe jongens zijn dat willen we weten - die forceren we zelf.
De vrijheid-in-Christus - af te zien van onze rechten teneinde van Gods genade te leven - kent ons volk als volk niet meer. Dat was de vrijheid van de Oranje's: goed ende bloed altsamen heb ik u niet verschoond; mijn broeders, hoog van namen, hebben 't u ook getoond.
De gelijkheid in -Christus - allen gezondigd maar allen leden van één lichaam, elk zijn eigen rol spelende en elkander nodig hebben tekent ons volk niet meer. Dat is de gelijkheid van: Maar God zal mij regeren als een goed instrument, dat ik mag wederkeren in mijn regiment.
De broederschap-in-Christus - allen zonen van hetzelfde huis, verenigd in onze Oudste Broeder - kent ons volk niet meer. Dat is de broederschap, waardoor Willem van Oranje zijn eigendommen verkocht en beleende teneinde de gemeenschappelijke zaak van een vrij Nederland te dienen.
De hoogheid der Oranje's is geweest: In Godes vrees te leven heb ik altijd betracht; daarom ben ik verdreven, om land om luyd gebracht.
De term over een vorstin bij de gratie Gods, openingsterm bij elke nieuwe wet, is echter een historische formule geworden, die om onbekende redenen nog niet werd afgeschaft. Maar de vorst, die vader des vaderlands is genoemd, sprak tot "zijn arme schapen, die zijt in grote nood": "uw Herder zal niet slapen al zijt ge nu verstrooid". Die zag de hiërarchie der standen: arme schapen, gezagsdragers, vorsten en een Opperherder.
Dat dit gezag, deze vertegenwoordiging van Gods oppergezag, ons volk vandaag stéékt, is een gevaarlijke zaak geworden. Op het duidelijkst kwam deze gezindheid naar voren op het inleidende feest in de Amsterdamse RAl-hal. Daar ontbrak namelijk niet ons aller komiek-van-calvinistischen-huize: Seth Gaaikema.
Hij hield het kijkend en luisterend publiek lang genoeg aan de praat om vervelend te worden. Daarbij zag hij kans zijn afkomst uit een christelijk gezin te doen blijken, toen hij de samenzang aanmoedigde met: daar zijn we toch calvinisten voor! Een afkomst die hij, in al zijn afkeer van het christendom, nog nooit heeft verloochend. In zoverre gelijkt hij op de verloren domineeszoon Adema van Scheltema en op de dito predikantsdochter Annie M. G. Schmidt: dat hij bij voorkeur het heilige voor de honden gooit.
Deze komiek had een liedeke gedicht voor deze gebeurtenis. Een liedeke, waarin heel het volk van Nederland mocht meezingen. Een liedeke, waarin de blijdschap om het koninklijk jubileum doorstraalde met deze hartverwarmende tekst:
Ver van de troon, ver van de troon
viert onze koningin haar feest - gewoon!
Ver van de troon, ver van de troon
en ieder die capsones heeft valt uit de toon.
En ja hoor, hij kreeg de hele zaal mee met zijn meezingertje: Ver van de troon. De lens werd gericht op ieder die het aanging: ver van de troon. De minister-president zong: ver van de troon. De genodigden zongen: ver van de troon. De drie militaire kapels bliezen: ver van de troon. (Als ze blazen dan vechten ze tenminste niet, juichte Seth.) De Kamervoorzitter zong: ver van de troon. En Seth kraaide zijn revolutionair liedje: ver van de troon.
Is dat nu zo erg? Op bruiloften en partijen wordt wel vaker een mal versje gezongen. Beter gek gepraat dan gek gedaan, zeggen we.
Jawel. Op bruiloften en partijen kunnen de gekste versjes soms niet mal genoeg zijn. Maar daar wéten we, dat we een mal vers zingen.
Daar weten we, dat het spel is. Daar zien we door het spel heen omdat we weten dat de werkelijkheid anders is. Daar lachen we mee, omdat we de werkelijkheid even geweld aandoen, teneinde straks de werkelijkheid des te meer te waarderen.
Maar het versje "Ver van de troon" was nu juist geen spel. Dat was nu juist wat ons volk vandaag wenst: geen capsones, geen hoogheid, geen gezag, geen troon. Laat ons hun banden breken en van hun juk en wetten ons ontslaan, zeiden de heidenen uit psalm 2.
Het feest van onze vorstin kon juist pas slagen, wanneer het vlaggen vooraf in discussie kon komen; wanneer de bijdrage van het leger tot een minimum werd beperkt, vooraf in discussie kon komen en tot het "zuiver menselijke element" kon worden teruggebracht; wanneer de troon uit het gezichtsveld kon worden gebannen en koningin Juliana als een gewone huismoeder onder ons verscheen in ons eigenste RAIgebouw.
Zo werd ze aanvaardbaar geacht. Zonder capsones. Zo viel ze niet uit de toon.
Het is opvallend, hoe vaak de onbenulligheid tot norm wordt verheven.
In onze tijd van one man one vote (alle stemmen tellen en alle zijn gelijkwaardig) wordt de massa beslissend voor de koers. Hoewel we weten dat de massa vrijwel altijd ongelijk heeft en dat alleen de enkelingen de mensheid vooruit mochten brengen. Prediker zag op die wijze al knechten te paard en heren te voet. Wat gewoon" is wordt aanvaard, dat harmonieert met de dominerende "toon". Doe maar gewoon, zegt men. Hij kan zo gewoon doen, zegt men. En wat gewoon is is daarmee normaal geworden, normerend.
Bescheiden is dat niet. Want ieder, die boven het gewone uitsteekt, die tot een hogere verantwoordelijkheid is geroepen, is nu ongewoon.
Ieder die verder kijkt dan nor-maal is ab-normaal. Door het gewone tot norm te verklaren is alles bij voorbaat verdacht, wat de "gewone man" (ook al zo'n onbescheiden term) niet als goed en zaligmakend heeft aanvaard.
U vindt die kleverige oppervlaktespanning getekend in het boek van Jan de Hartog: Hollands Glorie. Toen de hoofdpersoon, Jan de Wandelaar, nog matroos zijnde, bleek te studeren voor stuurman, werd hij vogelvrij. Ieder kon hem met de vork in zijn broek prikken. Met geweld trachtte de scheepsbemanning deze man als "gewoon" vast te houden.
Inderdaad, het is levensgevaarlijk, boven dit gewone niveau uit te komen. Want de medemens wordt alleen aanvaard, als hij "gewoon" blijft. Een minister mag wel eens laat thuiskomen en een auto beschadigen.
Een rechter mag wel herhaaldelijk dronken zijn. Een burgemeester mag er een liefje op nahouden. Maar wee hunner wanneer ze gezag uitoefenen: dan moeten ze wel en degelijk op hun tellen passen, moeten levenslang door de spitsroeden lopen.
Kijk, dit alles zat, lijkt me, in dat gezamenlijke feestvieren een beetje erg ingebouwd. Dat aanvaardbare koningschap van onze Landsvrouwe, waarbij ze het er nog aardig afbracht. Het feit dat ze per saldo nog niet eens de rijkste vrouw ter wereld is. De menselijkheid om zo maar in dat zakelijke RAl-gebouw - ver van de troon - onder de gewone mensen te wonen. Om zo, helemaal zonder capsones, zonder diadeem, zonder kamervrouwen. grapjes en liedjes en grollekens aan te horen.
Maar de koningin is, om met de Bijbel te spreken: de "adem des volks", vorstin bij de gratie Gods. Door de gratie Gods regeren de koningen. En wij zullen goed doen hun te eren: niet voor zover ze gewoon meedoen en hun tijd verstaan; maar vooral voor zover ze zich klein weten voor de Potentaat der Potentaten. In die hun vrijheid zijn wij vrij. In die houding ervaren wij hun gelijkheid: levend van Gods gratie, als wij. In die majesteitelijke verbondenheid met haar volk beleven wij pas de broederschap in Christus.
Dat mocht toch wel even worden opgemerkt? Een zure opmerking, als u wilt. Een bittere opmerking, als u wilt. Misschien een gepeperde opmerking. Maar toch geen zouteloze opmerking, naar ik hoop.