lets over het Bijbelvertalen (4 - slot)
1973-09-28
Inderdaad vinden we in dit kleine boek Jona het verschijnsel van Leitwortstil, waarbij ik het woord Leitwort iets ruimer opvat en het niet beperk tot een enkel woord, maar ook ·daaronder de zinswending versa. Het begint dan meteen al in 1 : 2 waar staat: "Sta op, ga naar Ninevé, de grote stad en preek tegen haar, want hun kwaad is voor mijn aangezicht opgeklommen".- Jaargang 17
- nummer 35
Deze frase wordt in 3 : 2 zinvol herhaald bij de vernieuwde opdracht aan Jona: "Sta op, ga naar Ninevé, de grote stad en preek tot haar de prediking, die Ik tot u zeggen zal." Er zit iets laconieks in, dat na het incident met de vis, de HERE God weer met dezelfde opdracht tot Jona komt. God is niet van z'n apropos af te brengen. Tegelijk is de herhaling van de zin een kleine nuance anders. In de eerste opdracht motiveert God: Want hun kwam is voor mijn aangezicht opgeklommen, maar de tweede keer heeft de HERE er zo geen behoefte aan om tegenover Jona breed over het kwaad van Ninevé uit te wijden. Dat heeft de profeet niet nodig. Wat hij wel nodig heeft is, dat God hem als zijn boodschapper de pin op de neus zet: "en preek tot haar de prediking, die Ik tot u zeggen zal". Zo'n gehoorzame prediker is Jona immers niet gebleken. Dit is nu typisch voor de stijl van de bijbel, om namelijk te herhalen en toch niet klakkeloos, zonder meer, maar met nuance-verschillen.
Het is duidelijk, dat deze twee zinnen, voor zover ze gelijk zijn, ook precies gelijk vertaald moeten worden.
Nog een voorbeeld van zulke functionele herhaling. In het eerste hoofdstuk, de verzen 10 en 16. In vs 10 wordt van het scheepsvolk de reactie vermeld, wanneer Jona zichzelf aan hen heeft bekend gemaakt: "en de mannen vreesden met grote vreze en zeiden tot hem: wat hebt ge nu gedaan?"
Als ze dan na zo lang mogelijk tegenspartelen Jona overboord geworpen hebben en de zee stil geworden is, lezen we nog eens: "en de mannen vreesden met grote vreze den HERE en zij offerden slachtoffer den HERE en deden geloften." Je ziet· hier weer herhaling, maar ook variatie. De herhaling wordt gebruikt om de variatie, het verschil, des te duidelijker te laten uitkomen. De eerste keer vreesden de zeelui met grote vrees, d.w.z. ze waren doodsbenauwd, met bijgeloof, aan zeelieden eigen. De tweede keer, als de. zee stil geworden is, is de vrees meer gekleurd door ontzag en eerbied. Het is nu een vreze des HEREN geworden. Twee nuances in de Godsvrees bij deze heidenen. Dat is interessant, want in de bijbel gaat het vaak over die Godsvrees bij de heidenen. In het Nieuwe Testament (in Handelingen) vind je rondom de synagoge een ring van phovoumèni, Godvrezenden en ook in het Oude Testament kom je ze tegen. Abraham dacht in het land der Filistijnen, dat er geen Godsvrees op die plaats was, waarin hij zich vergiste (Gen. 20: 11) en Jozef zegt als onbekende onderkoning van Egypte tegen de zoons van Jakob: 'ik vrees God', (Gen. 42: 18) wat als geruststelling bedoeld was, een soort garantie van humaniteit.
En ook de hebreeuwse vroedvrouwen, Sifra en Pua, vreesden God 'Exodus 1 : 17). Nu kom je hier in Jona een genuanceerdheid tegen in deze godvrezendheid.
Het kon gewoon op angst berusten, maar het kon ook gewoon geladen zijn, met eerbied en ontzag. Ook hier moeten we wat in deze zinnen gelijk is, precies gelijk vertalen, dan zie je de Godvrezendheid van deze zeelieden als het ware groeien.
Maar nu is er in dat zelfde Jona ook een woord-overeenkomst, waarvan ik althans het functionele niet in kan zien. Dat is het 4 maal voorkomen van het w.w. toel, hi., een ietwat opvallend werkwoord voor 'werpen', 'slingeren' vs 4: "de HERE wierp een grote wind op zee", vs 5: de zeelieden wierpen de bagage, die zich in het schip bevond, in de zee"; vs 12:- Jona zeide tot hen: "neemt mij op een werpt mij in de zee" en vs 15: "en zij namen Jona op en wierpen hem in de zee". Ik zal niet ontkennen, dat het mogelijk is, dat de hebreeuwse vertaler de herhaling van dit toch wel opvallende werkwoord (er had een eenvoudiger w.w. voor werpen gebruikt kunnen zijn) opzettelijk bedoeld heeft, maar dat is dan wel een stijlmiddel geweest, dat ons niets meer zegt.
Net zo min kan ik iets aanvangen met de tot 2 maal toe voorkomende w.w.-vorm wattach in 4 : 7 en 8, één keer gebruikt voor de worm, die de wonderboom stak (lett. sloeg) en één keer voor de zon, die Jona op het hoofd stak (ook lett. sloeg). Is dat niet gewoon toeval en als het al opzettelijk is, dan kunnen we daar toch niets mee?
Nog moeilijker wordt het, als we in 3 : 7 lezen: "En men liet te Ninevé uitroepen op bevel van de koning en zijn groten: mens en beest, rundvee en kleinvee mogen niets proeven, mogen niet weiden, mogen niet drinken." In het hebreeuws gaan 'op bevel van' en 'proeven' terug op éénzelfde woordstam. Omdat het een niet zo gebruikelijke woordstam is, valt dat op. Maar het is helemaal de vraag of dat de hebreeër opgevallen is.
Dat 't ons opvalt, komt dat niet voornamelijk doordat wij het hebreeuws schools benaderen, inderdaad via de woordstammen?
Dat is een theoretische benadering.
Volgens mij is deze overeenstemming te vergelijken met die tussen 'aangezicht' en 'aangezien' in het nederlands.
Maar wel weer functioneel is het, da t in het boek Jona tot 4 maal toe de uitdrukking voorkomt: "en de HERE (of de HERE God Of God) beschikte'. 2: 1: "en de HERE beschikte een grote vis"; 4 : 6: "en de HERE God beschikte een wonderboom"; 4 : 7: "en God beschikte een worm"; 4: 8: "en God beschikte een gloeiende oostenwind".
Op grond van deze overeenkomstigheden durf ik te zeggen, dat er een draad van Goddelijke souvereiniteit door het boekje Jona heenloopt. En juist in het licht van deze overeenkomstigheden zou ik dan graag nog eens wat nadenken over het opvallende verschil in Godsnamen: de HERE, de HERE God, God en dan nog een flauwer woord voor God. Ik vermoed hier een zeer genuanceerde theologie achter, bruikbaar voor het leerstuk van de Goddelijke voorzienigheid (Zondag 10).
En ten slotte: het is ook zinnig te letten op het twee maal voorkomende: "en (Jona) bad tot de HERE" in 2 : 2 en 4 : 2. En evenmin mag het ons ontgaan, dat in hoofdstuk 4 tot twee maal toe door Jona gezegd wordt: "het is mij liever te sterven dan te leven" (vs 3 en 8) en evenzo tot tweemaal toe door de HERE gevraagd wordt: "is uw toorn billijk ontstoken?" Deze overeenkomst accentueert, dat de wonderboom door God gebruikt is als een leermodel om zijn sparende gezindheid tegenover Ninevé aan Jona duidelijk te maken.
Ik hoop, dat ik aan deze voorbeelden duidelijk heb kunnen maken, dat het de ene keer zin heeft om op de overeenkomstigheden te letten en dat het dan ook noodzakelijk is concordant te vertalen en de andere keer mag je er wel op letten, maar kun je er geen zin aan verbinden en moet je rekenen met toevalligheid.
Daarmee hebben we, geloof ik, een sterk argument gevonden, dat in het veld gebracht kan worden tegen één van de belangrijkste uitgangspunten van de strikte vertalers. Dit uitgangspunt is onder woorden gebracht door dr J. v. d. Werf in zijn artikel: Welke eisen stelt de exegeet aan een bijbelvertaling?
(Mededelingen prof. dr G. v. d. Leeuwstichting, afl. 41, pag. 2493 v.v.) en wel als volgt: "denken is geen benaderingswijze van de bijbel".
Hij noemt dat een copernicaanse wending en als hij daar een grote wending mee bedoelt, ben ik het wel met hem eens. Hij werkt dit als volgt uit: de openbaring komt tot ons in taal, in 'sprake', in woorden. Deze 'sprake' is geen studie-materiaal. De grondhouding is het horen. En wie echt hoort, weet dat wat in het spreken wordt aangeduid, voor hem als hoorder een gebeurtenis wordt. In dit horen kan men het gehoorde niet overmeesteren, men wordt in het horen zelf overmeesterd.
De eerste taak van de exegeet mag dan ook niet zijn, dat hij het gehoorde overdenkt, maar dat hij het gesprokene hoort en er dan adaequaat op reageert, door zich in dit taalverbond te laten opnemen. Het denken is geen benaderingswijze voor deze taal.
Ik vind, dat hier onterecht horen en denken tegenover elkaar worden gesteld. "Ziet dan toe, hoe gij hoort", zegt Jezus en ook: "hoort en verstaat". Horen is iets anders dan registreren op de wijze van de computer. De computer zou alle voorbeelden uit Jona op gelijke wijze registreren, maar de goede luisteraar hoort met onderscheiding. Horen met onderscheiding, - daar ontkom je ook als vertaler niet aan. Als je alleen op het gehoor afgaande de klank overeenkomst tussen 'het bevel van de koning' en het 'proeven' van voedsel in het nederlands wilt vasthouden, dan krijg je iets merkwaardigs, waarmee je een effect bereikt, dat je helemaal niet bedoelt. Bij voorbeeld zo: "Men liet uitroepen vanwege een keur des Konings, dat niemand enig voedsel met z'n tong ~ou keuren." Dat is gezocht, dat is gewrongen, dat leidt van de tekst af. Dan dient de vertaling niet meer, dan heerst ze. En dat is het laatste wat ze mag doen.
Er is maar één manier van vertalen en dat is goed vertalen, zegt dr M. H. v. d. Zeyde. Zij is de medewerkster van dr Ida G. M. Gerhardt, en samen hebben deze dames ons verrast met een psalmen vertaling die, geloof ik, werkelijk het dilemma tussen vrij en strikt vertalen doorbreekt. Misschien dat zij de sleutel hebben gevonden in het geduld waarmee ze meer dan acht jaar naar het psalmboek geluisterd hebben.
Niet, dat ik op deze vertaling geen kritiek heb: ze komt me hier en daar te hoog poëtisch voor, hoger poëtisch dan de psalmen zelf, (maar dat kan onwennigheid van mij zijn). Iets te veel vorm misschien. Maar ik geloof wel, dat zij er op uit zijn geweest heilzaam te bemiddelen tussen de standpunten, die tegenover elkaar staan. Wat ook ik heb gewild.