De profeet Jona III.
1973-10-05
- Jaargang 17
- nummer 36
8. Ja deze prediking is somber en dreigend. Ze is als een pikzwarte donderwolk die de komst van hemelvuur aankondigt dat Ninevé verteren, de komst van een cycloon die Ninevé onderstboven keren zal.
En toch is deze prediking niet één en al dreiging. Er straalt om deze donkere wolk toch nog een, bijna onmerkbare krans van licht. Er is in de aanrollende donder van het oordeel toch ook nog de, bijna onhoorbare, muziek van Gods genade.
De HEERE laat namelijk aan Ninevé niet profeteren dat het nog op diezelfde of op de daarop volgende dag zal worden verdelgd.
Neen, de ramp zal pas over veertig dagen Ninevé treffen. De Ninevieten krijgen nog zes weken vóór het oordeel
Gods op hen neerdonderen zal. Ze krijgen nog"tijd". En die "tijd" is hier voluit genade. Ze krijgen nog de gelegenheid zich te bekeren.
9. Als Jona gaat preken gebeurt er een wonder! Het is na de herhaalde, de hernieuwde roeping van Jona het tweede wonderbaarlijke dat ons in hoofdstuk drie wordt verteld. We lezen namelijk dat de Ninevieten direct nadat Jona was begonnen te preken God geloofden. Ja, dat staat er. Dat zegt de Heilige Geest: de Ninevieten geloofden God! En daarom is het ook zo. Dat betekent, dat de mensen van Ninevé van ganser harte aanvaardden wat God op die dag over hen tot hen zei.
God geloven is namelijk altijd het van harte aanvaarden van het woord dat God in een bepaalde, concrete situatie over Zichzelf, over de mensen, over de wereld en speciaal ook over onszelf tot ons zegt. En dan een zo aanvaarden van dat Woord dat daardoor heel ons zijn, ons leven, ons gedrag wordt beheerst.
Er is ook een "dood geloof" (Jak. 2 : 26). Dat is het theoretische, het verstandelijke aanvaarden van de Schrift als het Woord van God.
Het is een voor waar houden van alle "geschiedenissen" die in de Schrift worden verhaald en van alle "waarheden" die ons daarin worden meegedeeld. Maar dan zó, dat het ons niet werkelijk iets doet, zo dat we er niet andere, nieuwe mensen door worden. Zulk een geloof is een dodelijk gevaar voor de kerk.
De mensen die alléén dit geloof bezitten zijn hard. Zij missen de liefde, de barmhartigheid, de ontferming, de mildheid die in mensen zeker komen, maar ook alléén dan in hen komen, als ze waarachtig hebben doorleefd dat God hun genadig is en aan hen hun ontzaglijk grote en vele zonden vergeeft. Men gelooft alleen in God, de Soevereine, als men Hem gehoorzaam is. Men gelooft alleen in God, de Heilige, als men de zonde haat en laat. Men gelooft alleen in God, de Genadige, als men in Gods genade rust.
Welnu de Ninevieten geloofden op en na de prediking van Jona God. Dat wil zeggen: ze namen als onwrikbare waarheid aan dat God over veertig dagen Ninevé verwoesten, zou. Ze riepen het elkaar, hun vrouwen en kinderen toe: "Over veertig dagen is het met onze stad gedaan!" En dat ze geloofden bleek uit hun daden. Ze riepen een vasten uit en trokken boeteklederen aan, groot en klein.
Vasten en boetekleren aantrekken was de eerste maatregel die men toen en daar in tijden van nood nam. Het was de openbaring, het zichtbare teken van het echt geloven van God.
10. We komen in het verhaal over Jona's prediking van het ene wonder tot het andere.
Als Jona in Ninevé predikt dringt zijn gerichts aankondiging al heel gauw tot de koning door. Vermoedelijk hebben hovelingen dit aan hem meegedeeld. En ook de koning gelooft de door Jona verkondigde boodschap. Ook de koning gelooft God! Op een voor oosterlingen indrukwekkende wijze legt hij - die door zijn onderdanen als een godenzoon wordt beschouwd - daarvan getuigenis af. Als teken van zijn geloof, als demonstratie van zijn erkentenis van zonde en schuld en van zijn - boetvaardigheid legt de koning namelijk zijn "heerlijkheid", zijn staatsiegewaad af, daalt af van zijn troon, bedekt zich met een boetezak en gaat op as zitten. Hij verwisselt zijn koningskleed voor een rouwkleed en zijn koningstroon voor een ashoop. Gedurende veertig dagen zal de koning zijn troon niet bestijgen. Hij gaat zijn volk voor in boete.
11. Maar hierbij laat de koning het niet.
Het geloof in Gods oordeelsverkondiging door Jona brengt hem er als vanzelf toe die ook zijnerszijds met alle kracht zijn volk op de ziel te binden. Hij dringt die met zijn koninklijke autoriteit bij het volk aan. Als bevel van de koning en van zijn rijksgroten wordt namelijk aan het volk bekend gemaakt dat mensen en dieren, rund- en kleinvee volstrekt niets mogen proeven, en dat men niet grazen of water drinken mag.
De koning neemt zo Jona's prediking over. Hij wordt, evenals Jona, een prediker van het komende gericht des HEEREN over Ninevé.
Maar - hij doet dat niet omdat hij daar, evenals Jona, toe gedwongen wordt. De koning doet het vrijwillig uit vrees voor God en met het oog op het welzijn van zijn volk.
Ook deze heidense koning toont, evenals vroeger de heidense zeelui, méér werkelijke eerbied voor en gehoorzaamheid aan God dan de profeet des HEEREN uit het volk van God.
12. En zelfs hiermee is nog niet alles gezegd! De koning roept op tot een algemeen, publiek boete en rouwbetoon. Het volk moet tonen dat het, evenals de koning, waarachtig gelooft dat het door Gods oordeel zal worden getroffen.
En het moet blijken dat het dat oordeel ook ten volle heeft verdiend. Het moet zich vernederen onder de slaande hand Gods.
En de koning doet nog meer. Hij draagt niet alleen Jona's gerichtsverkondiging verder uit - hij vult die ook aan, hij verdiept die met een krachtige oproep tot bekering.
Over een bekering had Jona niet gesproken! Die sprak alleen van toorn en gericht en hoopte vurig dat een bekering nooit komen zou.
De koning predikt zo'n bekering wel. En door dat te doen rijst hij nog weer verder uit boven Jona!
13. Die oproep tot bekering i voorts allesbehalve een kreet, een lege oproep in een ijle ruimte. De koning verklaart nadrukkelijk dat een ieder moet terugkeren van zijn verkeerde weg en een ieder moet wegdoen het onrecht dat aan zijn handen kleeft - dat, zoals er letterlijk staat, in zijn handpalm is.
Bekering is alleen echte bekering als ze concreet is. Daar in Ninevé moeten de mensen wegdoen het onrecht, de oneerlijkheid in de handel, breken met de leugen in het onderling verkeer, ophouden met het uitbuiten van medemensen, het mishandelen van slaven en misbruiken van vrouwen. Kortom: ze moeten alle goddeloosheden haten, elkeen die waaraan hij zich schuldig maakte. Het moet komen tot een werkelijke, zakelijke, concrete bekering.
14. Maar ook zo zijn we nog niet aan het einde met de prediking van de koning van Ninevé, Ze gaat nog dieper en grijpt nog hoger.
De oproep tot het volk eindigt namelijk met de merkwaardige woorden: Wie weet of God niet omkeert en berouw krijgt, zodat Hij zijn krimmige toorn laat varen en wij niet omkomen.
Als men deze woorden van de Assyrische koning overweegt dringt zich onweerstaanbaar de vraag
aan ons op: hoe komt deze man daaraan? Want wat hij daarin zegt is een appèl op Gods barmhartigheid, een inroepen' daarvan!
Ook daarover had Jona niet gesproken.
Nog veel minder dan over bekering.
Wat de koning zegt is daarom zeer opvallend. Er klinkt in zijn woorden iets door van een kennis omtrent God die wonderbaarlijk groot en zuiver is voor een heiden!
In feite kent deze koning de HEERE op dat moment beter dan Jona. Wat Jona van God niet "kennen" wil, namelijk diens liefde, genade, barmhartigheid, daartoe neemt deze koning tastend de toevlucht. Hij zegt: Wie weet ...
Wanneer deze woorden gelovig gesproken worden raken ze het hart van God. Tegen deze roep kan God, om zo te zeggen, niet op.
Als een mens zo spreek. wendt God zich zeker in ontferming tot hem.
Wat de koning daarna zegt is een uiting van een bevend hopen op afwending van Gods rechtvaardig oordeel over Ninevé. Wie weet, zo komt het immers over zijn lippen, keert God terug op de weg die Hij reeds is ingeslagen om Ninevé te straffen - of, zoals we ook kunnen vertalen: wie weet verandert God van zin, van plan - en krijgt Hij berouwen laat Hij zijn toorn varen zodat we niet omkomen.