Is de Chr. Geref. Kerk een scheurkerk?

1973-10-05
  • Jaargang 17
  • nummer 36
In zijn kerkblad "De Schaapskooi" schreef ds D. K. Wielenga over de vraag of de (binnen verbandse) vrijgemaakte Geref. Kerken de ware kerk zijn. Hij merkte op dat hij het dwaas vond van de vrijgemaakte Geref. Kerken als van de ware kerken te spreken.
Hij schreef dit: "Waar is enige kerkelijke uitspraak van dit kaliber te vinden?
Dat er wellicht deze of gene is die dergelijke denkbeelden koestert, is niet onmogelijk, maar dan is een dergelijk mens er toch volkomen naast. Wat dacht men nu van de samensprekingen met de christelijke gereformeerde kerken?
Was dat mogelijk en toelaatbaar geweest indien onze meerdere vergaderingen van overtuiging waren dat dat "valse" kerken waren? Hebben de afgescheidenen en dolerenden soms over en weer elkaar uitgemaakt voor "valse" kerken? We moeten wat voorzichtig zijn met dit over elkaar te vertellen. Er is geen sterveling, die zijn bijbel en belijdenis kent die de euvele moed zou hebben te zeggen dat de gereformeerde kerk vrijgemaakt naar art. 31 K.O. de pretentie voert "de enige ware kerk van Christus" te zijn."
Ds D. van Dijk van Groningen was het niet met ds Wielenga eens. Naar zijn overtuiging had deze moeten schrijven: de vrijgemaakte kerken zijn "de enige ware kerk van Christus in ons land."
Ten aanzien van de Chr. Geref. Kerken merkt ds Van Dijk dan het volgende op: "Ook deze kerken wilden leven naar Schrift en belijdenis en Gereformeerde kerkenordening. Hoe hadden wij deze kerken vóór de Vrijmaking gezien?
Als "valse kerk"?
Neen; ik heb het zo gezien: "de Christelijke Gereformeerde kerken vertoonden de kenmerken van de "ware kerk", maar zij hadden zich, op onvoldoende grond, bij de vereniging van 1892, losgemaakt van de Gereformeerde Kerken.
Zij waren daarmee kerkelijk ongehoorzaam geweest. Zij behielden de kenmerken van de ware kerk, maar waren een, van de ware kerk losgescheurd, gedeelte geworden. Ik wilde die kerken daarom geen "valse kerk" noemen, maar "scheurkerken".
Daarom konden wij, na de vrijmaking met deze kerken vereniging zoeken en trachten daardoor de scheur, die in 1892 was getrokken, te helen. Als dat was gelukt, zou dat een prachtig ding zijn geweest.
Het is helaas niet gelukt.
Ondanks al ons pogen en aandringen, zijn de Christelijke Gereformeerden tot nu toe blijven volhouden in hun weigering, zich met ons te verenleen. Daardoor zijn zij: "Scheurkerken" gebleven.
De Christelijke Gereformeerden vinden het van ons heel erg, heel erg, als wij zeggen, dat wij de éne ware kerk zijn, 0, neen, zij staan in dat opzicht veel ruimer.
Maar ondertussen vinden zij het heel erg als een lid van hun kerk, vrijgemaakt zou worden en zij zijn er heel erg blij mee als een lid van onze kerken naar het overkomt.
Al dat gepraat over zijn ruimheid en over zijn erkenning van de ware kerk ook buiten eigen kerken, gaat heel vaak gepaard met het ergste kerkisme, waarbij men het heel erg vindt dat een lid van eigen kerk overgaat naar een kerk, die men theoretisch, in zijn gepraat toch ook wel "ware kerk" wil noemen en men is er als de kippen bij om zieltjes te winnen voor eigen kerk.
Als ik op de preekstoel sta durf ik te zeggen: "Hier, rondom deze kansel, bij dit doopvont, aan deze avondmaalstafel vergadert Christus Zijn Kerk; hier moet ieder, die waarlijk, ook kerkelijk gehoorzaam wil zijn zich voegen".
Al dat praten: "Ja, maar daar is wel meer dan één ware kerk", opent de weg weer naar de gevaarlijke leer van de pluriformiteit en zal schade doen aan het leven van de kerk, zoals Christus dat heeft verordineerd."
Volgens ds v, Dijk zijn dus blijkbaar de Chr. Geref. Kerken ware scheurkerken (of: scheurende ware kerken?) en zijn zijn kerken de enig ware kerken in ons Vaderland.
Ds Wielenga sprak van de samensprekingen welke indertijd door de deputaten van de vrijgemaakt Geref. en de Chr. Geref. Kerken werden gevoerd.
Ik weet daar wel iets van. Ik heb er aan mee gedaan.
Het is inderdaad zoals ds Wielenga zegt: Als wij zouden gezegd hebben dat de Chr. Geref. Kerken scheurkerken waren zou de samenspreking in vijf minuten afgelopen zijn geweest! Ik zal hier nu enkele passages citeren uit het aan alle kerken toegestuurde en door de synode van Kampen goedgekeurde gedrukte verslag van deze samenspreking.
Eerst dit:

"Wat 1892 (het jaar waarin de Chr. Geref. en de Dolerende kerken verenigd werden - c.v.) aangaat, toen was, wat Kuyper zei, nog niet bindend opgelegd. Kuyper heeft toen zelf geschreven: niet binden. Daarom zien we Uw houding in 1892 als niet noodzakelijk.
Maar, daarin hebt U gelijk: er werd wel geleerd, wat wij niet kunnen aanvaarden. Doch dat gebeurt altijd, in alle Kerken; ook wel bij U. De strijd, dien U in 1892 gevoerd hebt, was dogmatisch noodzakelijk. De Chr. Geref.
hebben beter dan wij gezien, hoe taai de B-groep was. Door de latere gebeurtenissen hebben wij beter licht gekregen over 1892. U hebt gezegd: de leer van de veronderstelde wedergeboorte zal doorwerken, dus moeten we eerst doorpraten, voor we vereenigen.
Voor ons was de zaak: worden we gedwongen die leer te aanvaarden, of zijn we vrij er ons tegen te verzetten? Wij zeggen niet, dat U dogmatisch niet trouw was, maar we werden nog niet gebonden.

Van Christ. Geref. zijde wordt hiertegenover geplaatst, dat de Kerken in 1892 een leer toelieten, die niet toelaatbaar was. De confessie noodzaakte ons toen
apart te gaan staan. U zegt: 1892 was wel begrijpelijk, maar niet noodzakelijk. Uit Uw redeneering volgt, dat de Chr. Geref. Kerk n 1892 geen recht van bestaan zou hebben, en dat zij willekeurig een scheur in het lichaam van Christus zou hebben getrokken. Als morgen iemand bij U komt, die de veronderstelde wedergeboorte leert, dan moet U hem, indien U onze houding in 1892 afkeurt, aanvaarden. Doet U dat laatste niet, dan moet U onze houding in 1892 goedkeuren. De Kerk had de roeping die leer nooit toe te laten.
Vanwege de Geref. deputaten wordt ontkend, dat de Chr. Geref. in 1892 willekeurig apart zouden zijn gaan staan. Uw opzet was in 1892 de Kerk van onzen Heere Jezus Christus te institueer en naar Zijn Woord, maar U deed dat o.i. iets te vroeg, te verklaren uit de verwarde situatie, dat er wel niet werd gebonden, maar de leer der veronderstelde wedergeboorte wel de Kerken werd ingedragen.
Maar ook wij wilden in 1892 niet anders dan de Kerk institueeren.
Als we dat van elkaar aannemen, is het dan noodig, dat we tot één gedachte komen over iets, wat in de historie geschiedde, maar thans niemand bindt? Temeer, waar we het erover eens zijn, dat indien het historisch vaststond dat er in 1892 in de vereenigde Kerken gebonden werd aan de leer der veronderstelde wedergeboorte, het eisch van Schrift en confessie was, niet met de vereeniging mee te gaan!"

Ook het volgende is van belang.
Het werd door de deputaten van de vrijgemaakte kerken geschreven toen de Chr. Geref. gewezen hadden op uitspraken als die van ds Van Dijk dat nl. de vrijgemaakte Geref. Kerken de enige ware kerken in Nederland zijn. De schrijver van de volgende citaten was, zoals men direct merkt, prof. K. Schilder.

"Wij zeggen niet: wij zijn alléén de ware kerk. De Geest des Heren is vrij. Die kan zó werken, dat men hier en daar het predicaat ware kerk niet meer kan ontzeggen.

En toen de Chr. Geref. deputaten aan de vrijgemaakte schreven:

"Uw bestempelen van alle kerken als valse kerken kan onze instemming niet hebben", reageerde de vrijgemaakte deputaten aldus:

En wie is het toch, die u heeft diets gemaakt, dat wij alle kerken als valse klerken bestempelen? In onze mondelinge samensprekingen is dergelijke dwaasheid duidelijk weerlegd.
U schijnt ons hier te putten uit bezinksels van kwade journalistiek."
De vrijgemaakte kerken van ds v. Dijk hebben zich niet verenigd met de Chr. Geref. Zij hebben sindsdien wel kerkscheuring bewerkt.
In Kampen hebben de (vrijgemaakt) Geref. Kerk en de Chr. Geref. Kerk elkaar over en weer als ware kerk erkend. Dat wil volgens Calvijn zeggen dat daardoor de eenheid der kerk werd hersteld. De organisatorische kwesties zijn daarbij van secundair belang. C.V.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief