BERTHOLD BRECHT
1973-10-12
Bertold Brecht was een Duits toneelschrijver, die leefde van 1898 tot 1956. Hij had zeer linkse, marxistische neigingen en toen Hitler in 1933 aan de macht kwam, werd het voor hem dan ook gevaarlijk in Duitsland.- Jaargang 17
- nummer 37
Hij vertrok naar Amerika en vestigde zich in Hollywood. In Amerika nu, heerste wel vrijheid van meningsuiting en daarvan heeft Brecht ruimschoots gebruik gemaakt, vooral om de kapitalistische burgermaatschappij te kritiseren.
Toen hij kort na de oorlog voor een commissie voor on-Amerikaanse activiteiten moest verschijnen, achtte hij het raadzaam om, voordat het tweede verhoor kon beginnen, de benen te nemen.
Hij ging naar Zwitserland. Tenslotte ging hij wonen in Oost-Berlijn, maar hij zorgde er wel voor, dat hij een Oostenrijks paspoort had. In de laatste jaren van zijn leven vernam men van hem geen kritiek meer op het land van zijn toenmalige inwoning; hij was stil.
Maar als schrijver was Brecht groot en hij werd zeer bewonderd reeds tijdens zijn leven, niet alleen door degenen die zijn mening deelden in politiek en sociaal opzicht.
Brecht was een duidelijk geëngageerd schrijver en dat wil tegenwoordig bijna uitsluitend zeggen links, marxistisch, vóór de uitgebuiten en tegen de onderdrukkers of wat men daarvoor aanziet. Een geëngageerd schrijver vecht met zijn pen voor een zaak, een mening. De marxist wil de wereld niet beschrijven, maar veranderen.
Bij zo'n auteur spelen de bedoelingen dus een grote rol. En die bedoelingen worden meestal in slagzinnen onthouden. Dat merkte Brecht ook. In het begin moest hij tot zijn spijt vaststellen, dat men zijn bedoeling niet begreep. Later, kort voor zijn dood, was dat anders, maar toen klaagde hij: "Ik zal de literatuur ingaan als een man, die het vers geschreven heeft:
"Erst kommt das Fressen
Dann kommt die Moral".
Een ander schrijver, een Nederlander, die ook uit een communistisch milieu komt, maar van gedachten is veranderd, is G. K. van het Reve. Deze man moet van geengageerd schrijven niets hebben, zoals blijkt uit zijn woorden: "Men beweert soms, dat literatuur opbouwend moet zijn en de maatschappij moet helpen verbeteren (... ) de opvatting, volgens welke kunst nut zou moeten hebben en een maatschappelijk doel zou moeten dienen, is een nazistische, kommunistische, dat wil dus zeggen een totalitaire idee (... ) Ik propageer niets".
Dat is dus iets heel anders dan het verhaal van Brecht. Deze wil het lijden, dat door onrecht veroorzaakt wordt, bestrijden. Er is natuurlijk ook ander lijden, bij voorbeeld een ziekte, waarvoor geen kruid gewassen is. Dat is iets waartegen het engagement in de literatuur niets vermag. Maar het leed, dat de ene mens de ander aandoet, wekt verontwaardiging.
Hier heeft het zin om te vechten. En dan moet het ook; dat geldt voor de politicus, maar eveneens voor de kunstenaar. Aldus Brecht.
Dat houdt dus in, dat de lezer of toeschouwer kritisch moet zijn, als hij kennis maakt met het stuk.
Hij mag zich er niet door laten meeslepen, hij mag er niet in opgaan, hij mag zich niet identificeren met de personages. Hij moet nuchter op een afstand blijven staan en analyseren in plaats van emotioneel te reageren. Hoe wil Brecht dit bereiken? Door middel van de zogenaamde "Verfremdungstechnik".
Dat wil zeggen een manier van schrijven en van spelen, die de toeschouwer er steeds aan herinnert, dat het geen werkelijkheid is wat hij ziet, maar spel.
Zo laat hij bij voorbeeld vaak een verteller of een zanger optreden, die commentaar levert op hetgeen er op het toneel gebeurt. Deze figuur staat als het ware tussen podium en publiek in. Een ander middel om de vervreemding op te roepen en de vereenzelviging met de figuren in het stuk tegen te gaan is het afbreken van de vierde muur. De achterwand en de beide zijmuren (van een kamer bij voorbeeld) zijn zichtbaar, tenminste meestal.
Maar de vierde muur is onzichtbaar, denkbeeldig; hij vormt de grens tussen de spelers en het publiek.
Als het doek opgaat en het spel begint, dan doen de spelers doorgaans alsof er helemaal niemand in de zaal zit.
Maar als nu een van de acteurs zich plotseling niets meer van die vierde muur aantrekt en zich direct tot de toehoorders richt dan geeft dat een schok, Hij heeft de betovering van de fictionele wereld verscheurd en de aanwezigen op abrupte wijze teruggebracht in hun dagelijkse werkelijkheid. Het lijkt wel alsof de speler uit zijn rol is gevallen.
Welnu, dit "uit zijn rol vallen" kan ook bij de rol horen, het kan opzettelijk gebeuren, met een duidelijke bedoeling. Een goed voorbeeld hiervan treft men aan op het eind van Brecht's stuk "De goede mens van Sezuan". Daar zegt een van de spelers ongeveer het volgende:
"Geacht publiek, dit is geen slot.
"En dat weten wij ook wel.
"Het doek valt, maar de vragen blijven.
"Wij zijn op u aangewezen.
"Moeten er andere mensen komen?
"Of een andere wereld?
"Of alleen maar andere goden?
"Of helemaal geen goden? .
"Geacht publiek, gaat u dat slot zelf maar zoeken, "Want er moet er beslist een te vinden zijn, dat goed is".
Brecht was zeker geen christen.
Maar de Bijbel kende hij uitstekend.
Er wordt zelfs gezegd, dat hij dagelijks las in de vertaling, die Luther van de Bijbel heeft gemaakt. Sporen daarvan zijn dan ook terdege terug te vinden in zijn werk. In bovengenoemd stuk, bij voorbeeld, treden drie goden op. Waarom drie? Is dit niet een herinnering aan de drie-eenheid?
En op het eind varen de drie goden ten hemel on een wolk. Maar die wolk moet, zo staat er in de tekst. van een roodachtige kleur zijn! Glimlachend varen de drie goden ten hemel op en de ongelukkige, ploeterende mens van Sezuan wordt aan zijn lot overgelaten.
Men krijgt de indruk, dat Brecht zo af en toe eens een flinke stoot onder de gordel geeft. En wel met opzet. De kerk moet au roepen, daar gaat het Brecht om. In een gedicht, dat hij schreef in 1947 lopen Rooms-Katholieke geestelijken voorbij in hun mooie gewaden, maar daaronder dragen ze soldatenlaarzen. Ook hebben ze een kruis bij zich, maar daarvan ziet men de haken (!) niet, omdat er iets overheen is geplakt.
Niet alleen de kerk moet opstoppers hebben, vindt Brecht, maar ook de (kapitalistische) burgermaatschappij.
Dit was al zijn bedoeling, toen hij zijn reeds genoemde werk schreef, de “Dreigroschenoper" van 1928. Behalve de reeds genoemde woorden "Fressen" en "Moral" vindt men daar ook een paar burger-bandieten.
Daarin moesten de toeschouwers zichzelf herkennen. Dit mislukte evenwel; men was niet boos, maar amuseerde zich. Vanwaar die vergissing van het publiek?
Wel, een rover is geen burger, dacht men. Maar, zegt Brecht, deze vergissing berust op een andere, de mening namelijk, dat een burger geen rover kan zijn.
Huichelarij en schijnheiligheid moeten gestraft worden. Geen taal is Brecht daarvoor te scherp, geen toon te cynisch. Toch komt die toon ook wel eens voort uit groot medelijden. Zo beschrijft hij de kindermoordenares Marie Farr, die haar pasgeboren kind doodde, omdat ze ten einde raad was. Ze is, zegt Brecht, gestorven in de gevangenis, als ongehuwde moeder.
Maar u, die kinderen ter wereld brengt in schone kraambedden en uw zwangere schoot "gezegend"
noemt, u moet de zwakken en verworpenen niet veroordelen.
Haar zonde was groot, haar lijden echter ook. Wordt dus niet boos op haar. Ieder heeft immers de hulp van alle anderen nodig.
Nu moet (helaas) toegegeven worden, dat Brecht wel eens meer gelijk heeft dan ons lief is. Er is inderdaad veel huichelarij, er wordt dikwijls vanuit een comfortabel leventje hard over anderen geoordeeld. De zonde veroordelen, dat moet; maar het oordelen over de zondaar kunnen we maar beter aan God overlaten.
Ook de kerk heeft haar gebreken, soms zeer ernstige; ze heeft inderdaad wel compromissen gesloten met machthebbers en establishment en ze doet dat nog, in tal van landen in Oost en West.
In de maatschappij is heus ook niet alles zoals het zijn moest; mannen als Ché Guevara en Allende komen echt niet zomaar uit de lucht vallen.
Maar wat hebben zij er dan van gemaakt? En waar is het paradijs van Fidel Castro? De kerk heeft gefaald, zegt men? Zeker, de kerk heeft gefaald. Maar dat weten we nu ook wel eens. We horen de laatste 25 jaar bijna niets anders.
Zelfbeschuldiging kunnen ook te vaak herhaald worden vanuit een masochistische weg-met-ons-stemming.
Is er dan niets anders te zeggen van de kerk en van de gelovigen, waaruit zij bestaat? Is er niet veel geofferd op het eind van de vorige en in het begin van deze eeuw? Dat was de tijd van kleine luyden en plaggenhutten.
Hoeveel stuivertjes en dubbeltjes waren er niet nodig voor kerk, zending, evangelisatie, onderwijs (vóór de "gelijkstelling”), barmhartigheidswerk, verpleeginrichtingen en noem maar op. Het kwam er dan toch maar! Het is de reeds genoemde schrijver G. K.
van het Reve die daar eens duidelijk op gewezen heeft. Men moet niet denken, dat dit niet meer gebeurt in onze tijd. De kerken in Canada en de Verenigde Staten zijn zeer offervaardig; hun onderwijs moeten de mensen daar uit eigen zak betalen.
Men heeft het over maatschappijkritiek.
Zou deze offervaardigheid hier en elders, vroeger en nu, niet gezien kunnen worden als een positieve en opbouwende vorm van maatschappijkritiek?
Niet met vaandels, trommels, protestmarsen en massamedia. Ook niet met bijtende spot en sarcastische toneelstukken. Evenmin langs de gemakkelijke weg van een ruime staatssubsidie (liefst 100%). Maar door wat minder te praten en wat meer te doen. Nee, we slaan onszelf niet op de borst.
Maar we gaan onszelf ook niet weggooien. Dat doen anderen wel.