De profeet Jona

1973-10-19
  • Jaargang 17
  • nummer 38
Maar zo sprekend laakt hij in God wat juist het wezenlijke van diens God-zijn en daarom ook diens hoogste vreugde en glorie is. Namelijk dat God zich vol erbarming wendt tot alle mensen en hen, als zij met belijdenis van zonde en schuld gelovig naar Hem opzien, redt van het verderf.
Jona is het afschrikwekkende voorbeeld van de mensen die voor Gods eer ijveren met een hardheid die volkomen in strijd is met de lankmoedigheid die God aan zondaren betoont en aan deze door zijn kinderen ook wil betoond zien.

5. Jona is zo sprekend - trouwens in heel zijn optreden - precies het tegenovergestelde van Abraham die met taaie vasthoudendheid bleef pleiten voor de redding van een zo goddeloze stad als Sodom.
Krachtens zijn profetische roeping had Jona de gestalte moeten vertonen van de Christus die niet alleen de redding van de goddeloze wereld begéérde, maar daarvoor bovendien alles, zelfs zijn leven en het dragen van de eeuwige toorn van God, over had. Maar Jona is in zijn houding ten opzichte van Ninevé juist de volkomen antipode van de Heiland. Wat we in Jona zien is de ongebrokenheid, de hardheid van kerkmens en die wel wat van Gods genade afweten, maar haar toch niet echt kennen.
Hij behoort tot die leden van Gods volk die het delen in Gods liefde en zorg als iets vanzelfsprekends beschouwen en zich hoogmoedig daarop verheffen, in plaats dat zij er zich al meer over gaan verbazen dat dit wonder in hun leven kwam en zij daardoor onweerstaanbaar gedrongen worden tot een leven van ootmoed en zelfverloochening en dienst.
Jona is een van die kinderen des verbonds die Gods genade alleen gunnen aan de mensen van eigen volk, kerk, groep, daarom in feite geen hand uitsteken om hen "die buiten zijn" te redden en onbewogen toezien dat deze verloren gaan, ja, zich in feite daarover zelfs verheugen.

6. Wat Jona zegt is voorts een ongelofelijk hoogmoedige zelfrechtvaardiging.
God had Jona tijdens de zeereis, door het avontuur in de vis en vooral door wat Hij hem in Ninevé liet bevelen zo duidelijk als maar mogelijk was, laten zien wat zijn wil was. God had Jona keer op keer hardhandig vast laten lopen en vernederd opdat hij eindelijk zijn eigenwijsheid en ongehoorzaamheid zou opgeven, in plaats daarvan van harte zou instemmen met wat God wilde, om daarna gewillig en met de volle liefde van zijn hart te doen wat God hem had opgedragen.
Het heeft alles evenwel niets mogen baten. Als Ninevé gered is zegt Jona, zelfverzekerd en hoogmoedig: Ik heb wel gelijk gehad toen ik vluchtte naar Tarsis. Ik wist wel dat het ten slotte met Ninevé zo ellendig zou gaan zoals.
het gegaan is. En dat had ik nu juist willen voorkomen! Ja, HEERE, ik heb het wel goed gezien!
Niet wat U aan mij opdroeg maar wat ik wilde en deed, namelijk het wegvluchten naar Tarsis, is goed geweest.

7. Het einde van Jona's gebed is de bede om te mogen sterven.
Als we dit lezen denken we als vanzelf aan een dergelijk gebed van Elia. Maar er is tussen die beide gebeden en verschil als van de dag en de nacht! Elia heeft met volledige zelfovergave alles gedaan wat Jahweh van hem vroeg.
Hij heeft met de inzet van zijn leven geworsteld om Israël terug te dringen naar de dienst van zijn God. Maar het eind is naar de mens gesproken een volledig échèc: Izebel probeert hem te ver moorden. Dan knapt Elia af en bidt om te mogen sterven. Wat is God dan barmhartig en geduldig ten opzichte van zijn trouwe knecht, die geen uitweg meer ziet.
Hij laat de moedeloze profeet eerst maar eens goed uitslapen.
Vervolgens bakt Hij als een zorgloze moeder koeken voor hem.
En ten slotte zegt de HEERE dat hij Elia de weg zal wijzen die hij moet gaan. Elia ziet geen weg meer. Maar God wel. En Elia is die weg ook gegaan. Totdat God hem, op lijn tijd, en via deze weg, in een triomftocht wegnam uit deze moeitevolle wereld.
Precies het tegenovergestelde zien we bij Jona! Hij vocht - ja maar tegen wil en dank! - om Ninevé onder beslag te. brengen van de boodschap des HEEREN. Daarna ontving hij een zo rijke zegen op zijn prediking als nooit iemand voor of na hem. Een gehele, heidense stad kwam tot bekering. Is dat niet een veel groter wonder dan dat Gods eigen volk tot Hem weerkeert? En daarna treedt Gods barmhartigheid op een stralende wijze aan het licht.
Maar als Jona zo de geweldige kracht van het Woord van God, een ongelofelijke zegen op zijn arbeid en een wonder van Gods genade beleeft, ervaart hij dat als een zo radicale vernietiging van zijn diepste verlangens, een zo totale mislukking van zijn levensarbeid, dat voor hem het leven alle zin heeft verloren en hij liever sterven wil.

8. Wonderbaarlijk is weer Gods reactie op deze zonde en dwaasheid van Jona. God wordt zelfs nu nog niet toornig. En Hij treft zijn profeet daarom niet. Hij stelt hem alleen maar een vraag. Jona deelt in dezelfde lankmoedigheid en barmhartigheid welke Ninevé had ervaren. Als een liefdevolle vader zijn eigenwijs en koppig kind vraagt God aan Jona: "Is er grond, oorzaak, reden voor je kwaadheid en verbittering, Jona, nu Ik zoveel mensen heb gered van het verderf?" Met deze zachte, liefdevolle vraag wil God Jona tot bezinning brengen. Maar Jona geeft op deze vraag geen antwoord.
Hij blijft koppig in zijn boosheid volharden.

9. En nog laat God Jona niet los. Zelfs nu nog niet. Hij blijft met zijn dwarse en dwaze knecht worstelen.
De HEERE God, zo lezen we, zorgde voor een "wonderboom", een ricinus, een soort klimop met grote bladeren, die boven Jona opschoot en schaduw moest geven boven zijn hoofd. In één nacht groeide deze struik zo hoog dat Jona in haar schaduw beschutting kon vinden tegen de gloeiende zonnehitte. De HEERE deed dat, zo horen we, om Jona te verlossen van zijn ontstemming.
En de HEERE bereikte zijn doel!
Jona werd zeer blij met die klimop.
Er schuilt een fijne humor in dit verhaal. Zo juist waagde deze "ijveraar voor God" het met Jahweh te twisten en smeekte hij te mogen sterven, omdat God anders handelde dan hij wilde. Maar zijn stemming slaat radicaal om als hij een beetje verkoeling ontvangt in de zonnegloed. Zo "groot" is de mens!. Zo stoer! En zo "verschrikkelijk" is zijn boosheid.

10. Met het geschenk van de wonderboom is Gods werk daarmee aan Jona nog niet klaar. De HEERE laat Jona slechts één dag van deze boom genieten. Jona's vreugde daarover is dus niet van lange duur. Reeds de volgende morgen vroeg beschikt God een worm die aan de wortel van de wonderboom knaagt. Op even wonderlijke en snelle wijze als de wonderboom uit de grond opschoot verdort hij weer. Dat geschiedde "bij het opgaan van het morgenrood". Wanneer daarna de zon opgaat laat God bovendien een gloeiend hete oostenwind komen terwijl de zon hevig op Jona's hoofd brandde. Al spoedig "verliest" Jona "zijn kracht". En hij wordt verbitterd en toornig omdat de verkwikkende boom hem ontnomen is. Zijn vreugde van de vorige dag slaat om in boosheid en wanhoop. Hij begeert wéér te sterven. En hij zegt dat ook tegen God, duidelijk en brutaal.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief