Wat mogen wij van de prediking verwachten?
1973-10-26
"Zoveel hoofden, zoveel zinnen!"- Jaargang 17
- nummer 39
Dat spreekwoord is overbekend, dacht ik zo. Je bent geneigd te zeggen, dat het in doorsnee ook opgeld doet als het gaat om de verschillende manieren, waarop gemeenteleden zich opstellen tegenover de prediking. Dat zal ook altijd wel zo blijven. "Zoveel mensen, zoveel wensen!" Je komt in dit verband als vanzelf van het ene spreekwoord tot het andere.
Maar met spreekwoorden is niet altijd alles gezegd. Je kunt via een spreekwoord ook de kritiek de nek omdraaien en een diskussie in de kiem smoren. En dat mag de bedoeling niet zijn.
Natuurlijk dienen er bepaalde schriftuurlijke eisen te worden gesteld aan de verkondiging van het rijke Woord van onze goede God.
Daarmee komt dan meteen de verkondiger van dat Woord binnen het gezichtsveld. Waarvan moet de bedienaar van het evangelie van Christus zich bewust zijn als hij de preken voorbereidt en de kansel elke zondag opnieuw beklimt? Het gevaar blijft levensgroot bestaan, dat de prediker zich verliest in een veelvoud van woorden. Dat heeft de buitenkerkelijke Gijs Stappershoef eens betiteld als verbale rompslomp. Een dergelijke kritiek moeten we maar niet bij voorbaat naast ons neerleggen, omdat het uit de hoek van een afvallige komt. We zullen ook hier "het kostelijke van het snode" dienen te scheiden!
Een dominee moet er op bedacht zijn, dat zijn preek goed overkomt.
Daarom zal hij zich steeds weer terdege dienen te bezinnen op de formulering van wat hij te zeggen heeft. Hoeveel misverstanden zijn al niet opgeroepen door een onzorgvuldige vormgeving!
Hoewel er direkt bij gezegd moet worden, dat het daaraan niet alleen ligt als de mensen soms zinsneden uit de preek verkeerd interpreteren.
Hoevaak gebeurt het niet. dat de hoorders geen werkelijke hoorders blijken te zijn, maar op vitale punten in dagen van kerkelijke spanningen en kwesties hun eigen gedachten inlezen in de uitgesproken tekst van de preken. Toch blijft de grootste zorg niet voor de predicator: Hoe kom ik aan mijn preek, maar hoe kom ik eraf?
Hij zal ook in dat opzicht de volle werking van de Heilige Geest niet kunnen missen! Die Heilige Geest zal hem de nodige zelfbeheersing leren in de aflevering van de produkten van zijn eigen menselijke geest. Er is uiteraard veel variatie in de kritiek, die zoal op de prediking wordt uitgebracht. Helmuth Thielicke, de bekende Duitse theoloog, die doceert aan de Hamburgse Universiteit en met zijn prediking velen weet te boeien, moet eens hebben opgemerkt: "De ergste vorm van kritiek op een preek is deze: Ik kom er met mijn problemen niet in voor."
Heeft deze kritiek recht van spreken?
Is het niet ondoenlijk voor de dominee om alle problemen van zijn gemeenteleden successief aan de orde te stellen in de prediking van het evangelie? Trouwens: waarom gaat het eigenlijk als je naar de kerk gaat? Het thema: "samen met alle heiligen", besnoeit al van meetaf de eis om eigen problematiek direkt of indirekt in de preek aangesneden te zien. "Ik kom er met mijn problemen niet in voor." Is dat niet ronduit egoïstisch?
Maar dat is de bedoeling van de opmerking van Thielicke niet! Als iemand zijn kritiek op de preek in bovengenoemde zin formuleert, beoogt hij daarmee aan te geven, dat die preek hem niet raakt, omdat zij buiten zijn leven omgaat.
Hij herkent in de gegeven situatietekening en levensschets zichzelf niet. De predikheer geeft duidelijk blijk niet met beide benen in de werkelijkheid van het ondermaanse te staan. Met zo'n preek kun je in het keiharde dagelijkse leven niet uit de voeten, want het verheven werkstuk scheert met heel zijn vrome inhoud langs de praktijk heen. Niemand is gebaat met een abstrakt betoog. De mens is de mens IN zijn wereld en niet de mens AFGEZIEN van zijn wereld. Dit alles neemt echter niet weg, dat we moeten oppassen voor een benadering van deze materie waarbij we dan de mens in het middelpunt plaatsen.
We moeten ons er goed van bewust zijn, dat niet wij de ontmoeting met God in de eredienst regelen via het stellen van onze vragen, maar dat omgekeerd God Zèlf de konfrontatie van ons met Hem ensceneert via de vragen, die Hij op ons afvuurt. En de beheersende vraag blijft: "Wie kies je? De duivel of MIJ?" Steeds weer wordt de gemeente met die goddelijke oproep op de tweesprong geplaatst: "Kiest dan heden wie gij dienen zult!" Dan worden niet alle problemen opgelost.
Maar dan gaat de aktuele konkrete prediking niet aan de kern van het bestaan van de mens van vandaag voorbij. Natuurlijk is men in dat kader niet klaar met een reeks goedkope opmerkingen.
Je zult het dan nader moeten aanduiden. Het doet de mensen niet veel, als ze regelmatig de man vanaf de kansel horen roepen: "Dat geldt voor u in alle sektoren van het leven". De gemeenteleden zullen graag een nadere specifikatie ontvangen. Ze worden op den duur kopschuw van die generaliserende tendensen in de prediking.
Het leidt tot slijtage van de geeiste attentie van de luisterende schare. En dat is een kwaad ding!
Dan gaat de preek over de hoofden heen, niet, omdat ze zo ingewikkeld is, anders gezegd: niet, omdat men er niet bij kan, maar omdat men zich er niet bij betrokken weet. We komen met onze problemen en zorgen naar de kerk. En we leggen die problemen en zorgen voor Gods troon neer in het gemeenschappelijk gebed als onontbeerlijk onderdeel van de liturgie. Maar we gaan ten diepste als zondaren en zondaressen naar de kerk! En dáárop worden we als Verbondsgemeente van de levende God aangesproken.
Dan kan het niet missen.
Want het aktief zondaar-zijn geldt iedereen, niemand uitgezonderd.
En de konkrete oproep tot geloof en bekering is aan ieder, die present is in de eredienst, geadresseerd. En dan is het heerlijk als steeds weer opnieuw de reaktie op de bediening van de verzoening niet uitmondt in de klacht, dat je met je eigen problemenpakket als problemensjouwer bent blijven zitten, maar in dat Duitse kindergebed, dat vertaald als volgt luidt:
Heer, Die voor ons gestorven zijt,
Gij scheldt ons alle schulden kwijt,
Gij kocht ons vrij, Heer,
met Uw bloed
en daarom is het leven goed.
Ik dank u, Heer, dat Gij dit deedt,
en met Uw liefde ons bekleedt.
Dan zal deze vreemde gerechtigheid deze vreemde vrijspraak, worden verwoord en vertolkt in het amenlied van de gemeente.
Dat betekent dus niet, dat een preek in 1973 gehouden zo zonder meer zou passen in het levensschema van 1880. Ook de Woordbediening is gedateerd! Het kennen van Christus ontslaat ons niet van het pogen onze eigen tijd te leren verstaan! De prediking hangt, met andere woorden gezegd, niet in de lucht. Omdat. de hoorders geen steltenlopers zijn!
Het gaat er wel terdege om, dat de prediking wordt toegepast op de tijd, waarin de gemeente leeft en werkt, zwoegt en zich ontspant, verdriet en vreugde kent, het verleden honoreert en toekomstverwachting koest ers. Maar TOEgepast OP de riid en de vragen van die tijd is heel iets anders dan AANgepast AAN de tijd en de kenmerken van een bepaalde periode.
Je kunt bijvoorbeeld in de prediking de toestand in Chili aansnijden. Daar is blijkbaar het laatste woord nog niet over gezegd.
Dan valt ongetwijfeld ook de naam van de voormalige president, Salvador Allende. Dan wordt het evangelie toegepast!
Maar wanneer men, zoals dat te beluisteren viel voor de radio, vanuit reformatorische en roomskatholieke hoek Salvador Allende in één adem noemt met de Man van Nazareth, dan tast men dáár het wezenlijke gevaar van een aangepast evangelie. Men gaat als christen op de neo-marxistische toer! Dat is het benauwende vandaag de dag!
De moeite van de konkretisering van de prediking duikt niet in de laatste plaats op rondom de christelijke feestdagen. Wie kan het indrukwekkende en allesbeheersende van de heilsfeiten nader definiëren?
Prof. Dr K. Schilder heeft eens opgemerkt: "Een feest is altijd moeilijk. Een christelijk feest is haast een onbereikbaarheid".
Als de behandeling van de zogenaamde feeststoffen zich beperkt tot de uitwerking van verschillende bescheiden notities bij de heilsfeiten, dringen die heilsfeiten des te sterker als heilsgebeurtenissen het leven der gemeente binnen. En daarom gaat het toch! De Woordbediening mag niet verworden tot een woordenkramerij.
Men hoeft niet steeds naar nieuwe woorden te zoeken.
Het hanteren van bepaalde termen staat niet gelijk met de vermenigvuldiging van allerlei gemeenplaatsen.
Het is verschrikkelijk om een preek aan te horen, die qua taal en stijl voor en na boeit, maar die niet de woorden: zonde en genade bevat, omdat men aan de realiteit envan zonde en genade finaal voorbijgaat.
Drs H. de Jong heeft op de j.l. vergadering van "Opbouw" in verband met 't vertalen van de Bijbel het volgende opgemerkt: "Wij vrezen in het algemeen het gevaar van de bekende woorden.
Wanneer je hetzelfde eens in andere woorden hoort, dan flitsen daar nieuwe associaties. Dat effekt heeft het ook in de prediking.
Maar het is een bedriegelijk effekt, omdat het tijdelijk is.
Het horen van hetzelfde in afwijkende bewoordingen - even ligt het je erg prettig. Daarna kan het gaan irriteren!"
Deze woorden verdienen ten volle overweging!
Wat mogen wij van de prediking verwachten? De verkondiging van Gods genade in een gebroken mensenleven met uitlopers naar kerk, staat en maatschappij. De ontdekking aan de zonden en de proklamatie van vergeving en vernieuwing. Zo zullen zij, die zich richten op een nieuwe wereld, waarin het totale leven zal zijn gesaneerd en alle verhoudingen zullen zijn hersteld, niet teleurgesteld worden. Hun verwachting zal worden vervuld, omdat zijzelf door Gods Geest bewerkt, zich spitsen op de realisering van alles wat God beloofd heeft!