De profeet Jona

1973-10-26
  • Jaargang 17
  • nummer 39
IV. In Jahweh's dienst gefaald (vervolg)

11. Door wat God Jona met die wonderboom deed beleven probeerde God nog één maal hem in de goede houding ten opzichte van Zich te brengen. Nadat alle woorden van Jahweh niets hadden uitgewerkt ontvangt Jona van de HEERE "ervaringsonderwijs".
Als de wonderboom is verdwenen en Jona kwaad en levensmoe in de brandende zon .zit vraagt God hem: "Jona, ben je billijk, ben je met reden vertoornd om die wonderboom?"
Het antwoord van Jona is kort, afgebeten: "Ja zeker, ik ben terecht vertoornd ten dode toe!"
Dit is het laatste woord van deze profeet dat we in het boek Jona horen. Tot het einde toe heeft Jona eigen opvatting, eigen wil en zo zichzelf gehandhaafd tegenover God.
Dat kàn dus: "geloven" in de HEERE, zijn profeet zijn, in de overtuiging leven het volk en de zaak en de eer van God te dienen en toch in feite dwars tegen Gods wil en werk ingaan. En wat de oorzaak daarvan is? Het boek Jona schreeuwt het ons om zo te zeggen toe. Het is dit dat men niet waarachtig Gods ondoorgrondigheid, zijn oneindige lankmoedelijke liefde, zijn wijde barmhartigheid kent. Want alleen als men die werkelijk, kent - dat wil zeggen, als men daardoor overwonnen werd en daaruit leeft - kan men echt Gods knecht, kind, profeet, medearbeider zijn. Als men die niet met het hart kent, kan men geen instrument, geen dienaar worden waarvan God zich kan en wil bedienen om zijn liefde, barmhartigheid en lankmoedigheid te tonen en te verwerkelijken in onze zonde en schuld verloren wereld.

12. Het boek Jona eindigt met een woord des HEEREN. God heeft - gelukkig - steeds, en zo ook nu, het laatste woord. De HEERE vergelijkt Jona's houding ten opzichte van de wonderboom met Zijn houding tegenover Ninevé.
Daardoor wil Hij Jona en ons! - laten voelen hoe door en door onbillijk en slecht het van hem was van God te eisen dat Hij Ninevé zou vernietigen. Jona, zo zegt God, jou gaat zeer ter harte die wonderboom, die je niet zelf hebt verzorgd en niet zelf hebt laten groeien en die - zo staat er letterlijk - als zoon van één nacht is geboren en ook als zoon van één nacht verging. Jij, Jona, maakt je druk om een struik die nota bene geheel buiten jou om is ontstaan en opgegroeid. En je bent woedend nu die is verdord en vergaan. En zou Mij dan Ninevé niet ter harte gaan, die grote stad, waarin meer dan honderd twintig duizend mensen wonen, die geen verschil kennen tussen hun rechter- en hun linkerhand en ook nog veel vee? Die Ninevieten heb Ik geschapen en ze worden dag lil dag uit door Mij onderhouden en verzorgd. Ze zijn mensen die Ik naar mijn beeld heb gemaakt.

Onder hen zijn bovendien tienduizenden kleine "onnozele" kinderen -. Hoe zou Ik er dan vreugde in kunnen hebben zo'n stad te vernietigen. Mijn hart hangt er aan. Ze is het werk van mijn handen. En er is in die stad ook nog een menigte dieren die niet minder mijn schepselen zijn, voor wie Ik zorg en die Mij evenzo ter harte gaan. Hoe kun jij, hoe durf jij, Jona, die woedend en bedroefd bent over de ondergang van één enkele struik waaraan en waarvoor je niets hebt gedaan, begeren, eisen dat Ik honderdduizenden mensen zou verdelgen die, nota bene, ook nog hun handen smekend opheffen opdat Ik hen redden zou van de ondergang?

13. In deze woorden wordt het hart van God openbaar.
We leren eruit verstaan wie God naar zijn eigenlijke, diepste wezen is. Hij is de God,· die de gevallen schuldige en verdorven mensenwereld zo lief heeft dat Hij zijn eniggeboren Zoon naar de aarde zond en Hem in de eeuwige dood wierp om de mensheid te redden (Joh. 3 : 14). Hij is die God die geen welgevallen heeft aan de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin dat deze zich bekeert van zijn wegen en leeft (Ez. 18 : 23). Hij is God, onze Heiland, die wil dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen (1 Tim. 2: 4). Hij is de God die zijn genade heilbrengend heeft laten verschijnen aan alle mensen (Tit. 2 : 11).
Kortom: Hij is de God die liefde is (1 Joh. 4 : 8).

V. Epiloog

1. Nadat we de inhoud van het boek Jona van het begin af op de voet hebben gevolgd, moeten wij, om de boodschap welke God ons daarin geeft goed te verstaan, nog enkele meer algemene aspecten daarvan bezien.
Vooreerst dit: Wanneer Jona als profeet optreedt zal het niet lang meer duren of Israël wordt door Assyrië in ballingschap gevoerd.
Voordat dat gebeurt laat God nu in wat Hij door en om Jona in Assyrië doet aan Israël zien dat Hij het assyrisch rijk volkomen in zijn macht heeft. Als daarom zijn volk straks door Assyrië wordt verpletterd betekent dat niet dat het de HE ERE aan kracht ontbreekt om zijn volk te redden. Integendeel, het gaat onder omdat Jahweh het gericht over Israël voltrekt terwijl Hij daarbij het rijk der Assyriërs hanteert als de roede waardoor Hij die straf ten uitvoer brengt.
Tegelijk laat God het assyrische volk, vóór het Israël onderwerpt en in ballingschap voert, beseffen, dat de God van Israël de grote God is voor Wiens toorn het moest beven, maar aan Wiens barmhartigheid het zijn redding dankt.
Daarbij is de bekering van Ninevé voor het ontrouwe Israël een diep beschamend gebeuren. Een heidens volk komt op één enkele oproep van Jahweh tot berouwen boete. Maar Israël heeft God steeds meer verlaten en gehoond, ondanks het feit dat de HEERE het tienstammenrijk reeds van zijn ontstaan af, twee eeuwen geleden, ononderbroken heeft vermaand, geroepen en gelokt naar zijn hart, door een reeks van profeten! Als dat rijk dan ook eindelijk, nadat God daaraan alles heeft gedaan om het te redden, van de aardbodem verdwijnt, gaat het onder alleen en uitsluitend door eigen schuld.

2. Er is nog een moment in de boodschap van het boek Jona dat onze aandacht hebben moet. Het is het volgende: Het volk Israël was Gods volk, Gods bizon der eigendom. Het mocht zich daarom niet met de andere, heidense volkeren vermengen, zich op geen enkele manier inlaten met hun geschillen en belangen, niet meedoen in hun wereldpolitiek. Het moest ten opzichte van al die volkeren leven in een strikt isolement.
Dat isolement betekende voor Israël evenwel ook een gevaar! Namelijk dat het zich zou gaan verheffen op zijn bevoorrechte positie, dat het hoogmoedig zou worden op zijn verkiezing en dat het niet zou beseffen dat het door God slechts tijdelijk in dit isolement werd gehouden om straks alle volkeren der wereld ten zegen te kunnen zijn. Israël moest ononderbroken bedenken dat het niet ten koste, maar ten báte van de heidenen deel ontving in de belofte van het messiaanse heil.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief