De profeet Jona
1973-11-02
V. Epiloog (vervolg)- Jaargang 17
- nummer 40
Als Gods volk ten slotte in ballingschap gaat, geschiedt dat - na een lange geschiedenis van steeds voortschrijdende afval - omdat het zijn door God gewilde isolement verbrak en zich innerlijk en uiterlijk gelijk maakte aan de heidense volkeren rondom.
Wanneer God dan in zijn grote barmhartigheid zijn volk weer aanneemt en in het land der vaderen terugbrengt, heeft het wat de kern van het volk betreft met die oude zonde radikaal gebroken.
Het vervalt dan evenwel in een ander kwaad. In een zonde die nog gevaarlijker, nog erger is. Het gaat namelijk in religieuze hoogmoed zich al meer verheffen op de weldaden die God het gaf, op het voorrecht volk van God te mogen zijn, op zijn uitverkoren-zijn-tot-eigendom-van-God.
In onlosmakelijk verband daarmee gaat het minachtend neerzien op allen die niet uit Israël zijn, en bovendien op alle Israëlieten die niet precies zo denken en doen als de leidinggevende coterie. Het kent niet de bewogenheid over het lot van de volkeren die in duisternis wandelen. Het wordt hard, meedogenloos ten opzichte van allen die niet zijn zoals zij.
Het beseft niet meer dat het geroepen is om de volkeren te dienen en voor hen een licht te zijn die hun de weg wijst naar het waarachtige heil.
Deze hoogmoed is de ergste zonde die in deze wereld denkbaar is.
Ze is de doodsteek voor de ware religie. Want ze is de verachting van Gods genade. Ze wordt altijd gecamoufleerd door strenge orthodoxie en een fanatiek ijveren om de wet van God te volbrengen.
Deze zonde nam in de loop van de tijd de vorm aan van het farizeïsme waarvan de aanhangers de felste vijanden en de meest verbeten bestrijders van het Evangelie zijn geworden. Het is deze zonde die de Joden er ten slotte toe bracht de Zoon van God, op grond van het Woord van God, in de Naam van God en tot eer van God ter dood te veroordelen en te verdoemen wegens lastering van God.
3. Van dit farizeïsme is nu Jona een voorloper. In hem leeft reeds de geest van het eigengerechtige, met zijn verkiezing pronkende en de heidenen vervloekende particularisme en exclusivisme. Hij is vol ijver voor de voorspoed en de glorie van zijn eigen volk. Hij voelt zich en zijn volk hevig verongelijkt als ook de heidenen mogen delen in Gods gunst en hij weigert zich daarvoor ten dienste te stellen. Lang voordat het farizeïsme als dominerende afvalsenergie in Israël zal optreden verschijnt nu Jona op het toneel van Israëls historie. In hem, dat wil zeggen in een man van vlees en bloed, bovendien een profeet, laat God de slechtheid en afzichtelijkhéid zien van het kwaad waardoor Israël eenmaal volledig in zijn roeping de heidenen ten zegen te zijn, zal falen, om dan opnieuw, en nu definitief in ballingschap te gaan.
In Jona, door wat God in en door en om Jona doet, predikt nu de HEERE aan alle mensen en door alle eeuwen, dat zijn genade oneindig groot en volstrekt "algemeen" is; dat zijn kerk geroepen wordt om een drager te zijn van het heil onder alle volkeren; dat ze niet ten koste maar ten bate van de heidenen uitverkoren is en dat ze verloren gaat als ze niet ten bate maar ten koste van de wereld gezegend wil worden.
God laat zijn kerk tegelijk ook zien dat ze dit alles nooit zal verstaan als haar ogen niet open gaan voor eigen zonde, schuld, verdorvenheid; als zij niet inziet dat ze in niets beter is dan de heidenen; dat ze zelfs, als ze in het farizeïsme is verstrikt geraakt, vanwege haar eigengerechtigheid nog goddelozer en walgelijker is en tot niets deugt; en dat ze van het begin tot het eind moet leven van genade en ook alleen door die genade leven kan.
4. Er is nog één aspect aan de geschiedenis van Jona's optreden in verband met Ninevé dat we nader moeten bezien. Deze geschiedenis heeft namelijk ook een plaats gekregen in de prediking van onze Here Jezus Christus.
Toen Jezus op aarde rondwandelde waren de farizeeërs zijn felste tegenstanders. Met grimmige haat keerden zij zich tegen Hem. Want farizeeërs aanvaarden Christus, in Wie Gods genade wordt geopenbaard, en op grond van Wiens lijden en sterven goddelozen en zondaren, zonder enige verdienste hunnerzijds, zalig worden, nooit!
Tegenover alle soorten van zondaren is Christus mild en goed. Ze komen dan ook, als door een magneet aangetrokken, in groot vertrouwen en vol verwachting naar Hem toe. Maar de farizeeërs horen keer op keer uit Zijn mond het: "Wee u gij farizeeërs" over zich uitspreken (Matth. 23).
Welnu, toen de door het farizeïsme aangestoken scharen eens een teken van Christus begeerden, zei Jezus: "Dit geslacht is een boos geslacht. Het vraagt een teken, en er zal geen teken aan gegeven worden dan het teken van Jona.
Want evenals Jona voor de Ninevieten een teken geweest is, zo zal ook de Zoon des mensen zijn voor dit geslecht ... Mannen van Ninevé zullen in het oordeel opstaan met dit geslacht en zullen het veroordelen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona, en zie, meer dan Jona is hier" (Luc. 11: 29, 30, 32; vgl.
Matth. 12 : 39-41).
Aan Christus' woorden ligt de zekerheid ten grondslag, dat de Ninevieten gehoord hebben van het wonder dat met Jona in de vis was geschied. Vooral ook door het horen van dat wonder hebben, zo wil Jezus zeggen, de Ninevieten beseft hoe groot en machtig de God was in Wiens naam Jona tot hen kwam en sprak. Vooral ook in zijn persoon was Jona voor de Ninevieten het levende bewijs van de kracht en de barmhartigheid van de God van Israël. En door wat Jona wedervaren was kreeg zijn prediking een bizonder grote kracht en ernst.
Welnu aan Christus zal een dergelijk, maar dan oneindig veel groter, wonder geschieden. Jezus zal drie dagen en drie nachten zijn in het hart der aarde. En ook Jezus zal daaruit worden verlost.
Daardoor zal, speciaal voor de Joden die dat zullen beleven, stralend aan het licht komen Wie Hij is, namelijk Gods eigen Zoon, de beloofde Messias.